Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY8422

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
568/2005 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is oordeel dat de klacht van klager met betrekking tot het leggen van loonbeslag ten laste van klager, faalt.

Artikel 6:135 BW luidt – voor zover van belang - :

“Een schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening:

a. voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn.”

Aan een vordering tot levensonderhoud is ingevolge het bepaalde in artikel 475c Rv een beslagvrije voet verbonden. Voor zover bij een verrekening met die beslagvrije voet geen rekening is gehouden is die verrekening dan ook niet rechtsgeldig. Die situatie deed zich in het onderhavige geval voor, zodat klager een betalingsachterstand opbouwde in de lopende alimentatie, waarvoor de deurwaarder beslag mocht leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 7 september 2006 in de zaak onder rekestnummer 568/2005 GDW van:

[...],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. A.C. Blankestijn,

t e g e n

[...],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 11 april 2005 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen gerechtsdeurwaarder waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 1 maart 2005, verzonden op 14 maart 2005, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klager, tegen de gerechtsdeurwaarder, gegrond is verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping aan de gerechtsdeurwaarder.

1.2. Van de zijde van klager is op 30 december 2005 een verweerschrift - met één bijlage - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2006. Klager, de gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer, met uitzondering van de vaststelling van de feiten, en zal deze beslissing derhalve in zoverre vernietigen.

5. Het standpunt van klager

5.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ondanks zijn beroep op verrekening loonbeslag heeft gelegd.

5.2. Voorts wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij klager met te hoge kosten heeft opgezadeld.

6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

6.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt.

6.2. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat gelet op artikel 6: 135 Burgerlijk Wetboek, verder te noemen: BW, klager niet bevoegd is tot verrekening van zijn vordering op zijn ex-echtgenote in verband met te veel betaalde alimentatie met zijn verplichting de lopende alimentatietermijnen te betalen voor zover beslag op laatstgenoemde alimentatievordering van de ex-echtgenote niet geldig zou zijn. In dat verband heeft de gerechtsdeurwaarder naar voren gebracht dat de ex-echtgenote van klager uitsluitend leeft van de alimentatie en daar volstrekt afhankelijk van is. Dat brengt met zich dat op de alimentatie geen beslag mag worden gelegd tot een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet. Laatstgemeld bedrag mag daarom ook niet verrekend worden, ingevolge de hierboven vermelde wettelijke bepaling. Ook wijst de gerechtsdeurwaarder er op dat het hof niet in het dictum heeft bepaald dat de man alles mocht verrekenen, doch dat het hof slechts in de overwegingen heeft aangegeven dat het verzoek van de vrouw tot een verbod van verrekening door de man, klager, niet zou worden toegewezen.

6.3. Ten aanzien van het verwijt van klager dat de gerechtsdeurwaarder hem onnodig heeft belast met te hoge kosten, stelt de gerechtsdeurwaarder dat hij bij de uitvoering van de executiemaatregelen uitsluitend die kosten heeft doorberekend aan klager die hij krachtens het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders mag berekenen.

7. De beoordeling

7.1. Het hof is oordeel dat de klacht van klager met betrekking tot het leggen van loonbeslag ten laste van klager, faalt.

Artikel 6:135 BW luidt – voor zover van belang - :

“Een schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening:

a. voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn.”

Aan een vordering tot levensonderhoud is ingevolge het bepaalde in artikel 475c Rv een beslagvrije voet verbonden. Voor zover bij een verrekening met die beslagvrije voet geen rekening is gehouden is die verrekening dan ook niet rechtsgeldig. Die situatie deed zich in het onderhavige geval voor, zodat klager een betalingsachterstand opbouwde in de lopende alimentatie, waarvoor de deurwaarder beslag mocht leggen.

Voorts is niet gebleken dat de deurwaarder bij het leggen en handhaven van dat beslag van onjuiste informatie zou zijn uitgegaan. Het hof acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

7.2. Ook het klachtonderdeel met betrekking tot de vermeend onnodig gemaakte kosten acht het hof ongegrond, reeds hierom, omdat klager zijn klacht niet nader heeft onderbouwd, ook niet nadat de gerechtsdeurwaarder zijn standpunt hieromtrent heeft gegeven.

7.3 Nu het hof beide klachtonderdelen ongegrond heeft bevonden, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing zoals reeds weergegeven in rubriek 4, vernietigen.

7.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

7.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing van de kamer van 1 maart 2005 behoudens de daarin vervatte feiten, en in zoverre, opnieuw, rechtdoende:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.C.W. Rang en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 7 september 2006 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 1 maart 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de gevoegde klachten met zaaknummers 260.2003 en 17.2004 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief van 11 augustus 2003 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij verweerschrift van 2 oktober 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

Bij brief ingekomen op 14 januari 2004 heeft klager een nieuwe klacht ingediend tegen beklaagde.

Bij verweerschrift van 29 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De klachten zijn behandeld ter openbare zitting van 18 januari 2005, alwaar klager en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Ter zitting heeft klager zijn klacht met zaaknummer 17.2004 ingetrokken.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 1 maart 2005.

De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) Bij beschikking van het Gerechtshof te [ ] van 1 april 2003 is een alimentatieverplichting van klager jegens diens ex-echtgenote met terugwerkende kracht nader vastgesteld. Deze beslissing hield mede in dat klager over het verleden teveel had betaald. In rechtsoverweging 4.19 van het arrest heeft het Gerechtshof onder meer overwogen:"De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de als gevolg van deze beschikking te veel ontvangen bijdragen tot levensonderhoud niet zullen worden teruggevorderd en/of verrekend met toekomstige termijnen, althans te bepalen dat zij in de gelegenheid wordt gesteld dat bedrag in termijnen te voldoen. Het hof zal dit verzoek niet toewijzen. De vrouw heeft er al geruime tijd rekening mee kunnen houden, dat zij met een terugbetalingsverplichting kan worden geconfronteerd...)"

b) Bij exploot van 21 mei 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder het arrest van het Gerechtshof aan klager betekend.

c) Met beroep op verrekening met het teveel betaalde heeft klager zijn periodieke betalingen gestaakt.

d) Op verzoek van de advocaat van de ex-echtgenote heeft de gerechtsdeurwaarder bij exploot van 26 juni 2003 derdenbeslag gelegd ten laste van klager.

e) Bij brief van 4 juli 2004 heeft klager bij de gerechtsdeurwaarder bezwaar gemaakt tegen het ten laste van hem gelegde beslag.

f) Bij brief van 4 juli 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder de brief van klager verzonden naar zijn opdrachtgever met een verzoek om nadere instructies.

g) Bij brief van 7 juli 2003 heeft de opdrachtgever een reactie gegeven op de stellingname van klager. De opdrachtgever heeft in die brief onder meer geschreven:"Mijn cliënt doet een beroep op de beslagvrije voet hetgeen inhoudt dat zij vanaf januari 2003 tenminste een bedrag van € 1130,67 dient te ontvangen. Eigener beweging heeft de heer [ ] zijn tegen vordering versneld verrekend. Daar stemt mijn cliënte niet mee in en dat hoeft mijn cliënte ook niet gezien de wettelijke bepalingen. (.....). Hij kan wel verrekenen maar nu er aan periodieke verplichtingen een beslagvrije voet is verbonden dient hij zich daaraan te houden. Daaraan verandert de genoemde overweging van het Hof niets aan"

h) Bij brief van 9 juli 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder klager het standpunt van zijn opdrachtgever medegedeeld.

i) Bij brief van 23 juli 2003 heeft de opdrachtgever de gerechtsdeurwaarder verzocht over te gaan tot het leggen van loonbeslag welk beslag door de gerechtsdeurwaarder op 26 juni 2003 is gelegd.

De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij in weerwil van zijn beroep op verrekening (loon)beslag heeft gelegd, en dat men hem met te hoge kosten heeft opgezadeld.

Het verweer

De gerechtsdeurwaarder acht de klacht ongegrond. De gerechtsdeurwaarder is samengevat van mening dat klager, ondanks zijn beroep op verrekening, verplicht is tot betaling van het bedrag van zijn inkomsten dat niet in de beslagvrije voet is begrepen.

De beoordeling

4.1 Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, overweegt de Kamer dat ingevolge het bepaalde in artikel 34, eerste lid van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechts-deurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ] kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde. Blijkens geldende jurisprudentie van het Gerechtshof te Amsterdam mag de Kamer, die moet onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder de klacht zich richt, het bij klachten tegen een samenwerkingsverband er voor houden dat tegen een samenwerkingsverband gerichte klachten die niet betrekking hebben op gedragingen van een specifieke gerechtsdeurwaarder, zijn gericht tegen de van het samenwerkingsverband deel uitmakende gerechtsdeurwaarder die zich namens het samenwerkingsverband tegen de klacht verweert. Dit is voor de onderhavige zaak gerechtsdeurwaarder kandidaat-gerechtsdeurwaarder [ ]. Op grond daarvan, alsmede op grond van het feit dat de door klager gewraakte ambthandelingen door deze gerechtsdeurwaarder zijn verricht, wordt hij door de Kamer derhalve aangemerkt als beklaagde waarmee in de aanhef van deze beschikking al rekening is gehouden.

4.2 Uit de stukken en de ter terechtzitting daarop gegeven toelichting is de Kamer het volgende gebleken. Bij arrest van het Gerechtshof van 1 april 2003 is de alimentatieverplichting van klager (nader) vastgesteld. Dit arrest is aan klager betekend op 1 april 2003. Bij brief van 13 juni 2003 heeft de advocaat van de ex-echtgenote van klager de gerechtsdeurwaarder opdracht gegeven beslag te leggen ten laste van klager onder de [ ]bank. De advocaat stelt in zijn brief dat er een achterstand in de alimentatiebetalingen is ontstaan op grond waarvan beslag moet worden gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft aan dit verzoek voldaan.

Nadat door klager bezwaar was gemaakt tegen het ten laste van hem gelegde beslag heeft de gerechtsdeurwaarder dit bezwaar per gelijke datum doorgezonden naar zijn opdrachtgever. Bij brief van 7 juli 2004 heeft de opdrachtgever zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënte een beroep mag doen op de beslagvrije voet van artikel 475 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en dat de verrekening zich diende te beperken tot de hoogte van de beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder heeft zich achter het door zijn opdrachtgever ingenomen standpunt geschaard en heeft op diens verzoek loonbeslag gelegd onder de werkgever van klager.

4.3 Naar het oordeel van de Kamer is dit geen juiste gang van zaken. Een beslagvrije voet is slechts verbonden aan een vordering tot periodieke betaling in geval er beslag wordt gelegd op een dergelijke betaling. Degene ten laste van wie het beslag wordt gelegd kan derhalve aanspraak maken op een dergelijke beslagvrije voet. In het onderhavige geval is geen beslag gelegd ten laste van de cliënte van de opdrachtgever maar er is beslag gelegd op de vordering tot periodieke betaling die klager op zijn werkgever had. Naar het oordeel van de Kamer had de gerechtsdeurwaarder -zeker in het licht van de door het Gerechtshof op dit punt expliciet genomen beslissing- moeten beseffen dat het standpunt van de opdrachtgever onjuist was. Weliswaar heeft de gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht maar hij heeft ook een verantwoordelijkheid jegens de geëxecuteerde toe. De gerechtsdeurwaarder heeft zich te snel achter het standpunt van zijn opdrachtgever geschaard, hetgeen naar het oordeel van de Kamer in dit geval tuchtrechtelijk laakbaar is. De klacht is derhalve op dit punt terecht voorgesteld.

5. De klacht dient derhalve gegrond te worden verklaard. Naar het oordeel van de Kamer is er in de gegeven omstandigheden –klager werd ondanks zijn terecht gedane beroep op verrekening geconfronteerd met een loonbeslag- aanleiding tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan, zodat wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klacht gegrond,

? legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en J. Smit, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2005 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.