Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY7270

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2006
Datum publicatie
31-08-2006
Zaaknummer
23-006480-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC4463, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC4463
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt ter zake van art. 294, 2e lid, Wetboek van Strafrecht (hulp bij zelfdoding) en opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan een gedeelte van acht maanden voorwaardelijk. Hij heeft het slachtoffer informatie en/of instructies met betrekking tot de zelfdoding verschaft en één van de bij de zelfdoding gebruikte medicijnen verstrekt. Het verweer van de raadsman, ertoe strekkende dat er geen causaal verband bestaat tussen de door de verdachte aan het slachtoffer geboden hulp en die zelfdoding, wordt verworpen. De verdachte wordt aangerekend dat hij zich niet heeft beperkt tot het verstrekken van algemene informatie en het verlenen van morele steun, maar het slachtoffer heeft geïnstrueerd over de wijze waarop zij een einde aan haar leven zou kunnen maken en haar daartoe actief een deel van de middelen te verschaffen, terwijl hij onzorgvuldig heeft gehandeld door na te laten ook maar enig inzicht te verkrijgen in de ernst en de duurzaamheid van de door het slachtoffer geuite wens zichzelf van het leven te beroven. Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die ter terechtzitting in hoger beroep blijk heeft gegeven in te zien dat hij onjuist en strafwaardig heeft gehandeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 294
Wet op de geneesmiddelenvoorziening
Wet op de geneesmiddelenvoorziening 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/335
GJ 2006/146 met annotatie van mr. A.C. de Die
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-006480-05

datum uitspraak: 31 augustus 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 7 december 2005 in de strafzaak onder parketnummer 14-620124-05 van het openbaar ministerie

tegen

[VERDACHTE],

geboren [in het jaar 1932],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres]

en aldaar feitelijk verblijvende.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 23 november 2005 en op de terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1 [slachtoffer] in de periode van 9 november 2003 tot en met 10 november 2003 in de gemeente Wervershoof zelfdoding heeft gepleegd,

waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer] op tijdstippen in de periode van 1 juli 2003 tot en met 10 november 2003 in de gemeente Castricum en/of de gemeente Wervershoof opzettelijk behulpzaam is geweest en die [slachtoffer] middelen daartoe heeft verschaft, terwijl die zelfdoding is gevolgd, hebbende hij, verdachte, daarbij opzettelijk

- brieven geschreven en ondertekend en verzonden aan die [slachtoffer], inhoudende informatie en/of instructies met betrekking tot zelfdoding, te weten:

* een brief (offerte), gedateerd 8 augustus 2003, waarin het boek “De geur van abrikozenbloesem ontstegen” onder de aandacht werd gebracht met daarbij de zinsnede: “gebruik van de Virtuele Apotheek”

en

* een brief gedateerd 10 augustus 2005, waarin de volgende passage is opgenomen: “Beschikt iemand over bepaalde medicijnen en vraagt hij of zij zich af of die te gebruiken zijn voor beëindiging van eigen leven, dan informeren wij op verzoek over hetgeen in de ons ter beschikking staande literatuur is gepubliceerd met betrekking tot eventuele risico’s en de dodelijke dosis of dodelijke combinatie der beschikbare middelen, alsmede de wijze van innemen. Een nauwkeurige opgave van de in uw bezit zijnde medicijnen (aantal, sterkte in mg, naam, ook van de werkzame stof) is dan noodzakelijk.”

en

* een brief, gedateerd 23 augustus 2003, waarin de volgende passages zijn opgenomen: “Naar aanleiding van uw brief van 21/08/03 deel ik u mede dat, als u kiest voor een methode met een dodelijke overdosis of combinatie, er misschien wel een mogelijkheid is. ... Als het u lukt door klagen een zwaardere dosis te krijgen zou u kunnen gaan sparen voor een hoeveelheid die levensgevaarlijk is en in combinatie met een pijnstiller (zie verderop) dodelijk. Die pijnstiller zou u kunnen krijgen door zoveel Traxene te sparen dat u door ruiling over het gewenste mengsel kunt beschikken. ... In uw geval zou een overdosis van 40 x 20 mg Tranxene en 30 x 150 mg Depronal een geschikt mengsel kunnen zijn.”

en

* een brief (met bijlage), gedateerd 26 augustus 2003, waarin de volgende passages zijn opgenomen: “Naar aanleiding van uw brief van 21/8/03 deel ik u het volgende mede. U noemde Efecor, ik vond EFEXOR, merknaam voor venlafaxine, antidepressivum uit de groep serotonine-heropnameremmers waartoe ook Prozac behoort. WOLFFERS*) noemt medicijnen uit deze groep “minder giftig en dus geen ideale zelfmoordmiddelen U vroeg naar de werking van andere Antidepressiva. Op bijlage een overzicht van bekende tricyclische antidepressiva, met name generieke stof en Merknamen. Daaruit kun je afleiden dat Amitriptyline het meest voor de hand ligt, het wordt ook vaak voorgeschreven. Bij pillen van 10 mg betekent dat wel dat 600 pillen moeten worden verpoederd (bij 25 mg 240 pillen) en dat bij het innemen aanvullend ook een slaapmiddel moet worden gebruikt (+ alcohol en tevoren antibraakmiddel) Voor het klein maken van de pillen is een tabletvergruizer bij de apotheek verkrijgbaar. Succes met uw verdere maatregelen.”

en

* een brief, gedateerd 4 november 2003, waarin de volgende passage is opgenomen:

“Uw verzoek inzake de virtuele apotheek zal ik in gedachten houden tot iemand zich aanmeld die erbij past.”, welke brief was voorzien van een geel door verdachte geschreven memobriefje met de volgende tekst: “stuurt u mij 80 T 10 mg U ontvangt dan 30 D 150 mg”

en

- 30 capsules Depronal verstrekt en verzonden aan die [slachtoffer] en geruild met die [slachtoffer] tegen 80 tabletten Tranxene;

2 hij in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 10 november 2003 in de gemeente Wevershoof als een persoon die niet bevoegd is tot uitoefening der artsenijbereidkunst, opzettelijk geneesmiddelen, te weten 30 capsules Depronal heeft afgeleverd.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte behulpzaam is geweest bij de zelfdoding van [slachtoffer], aangezien er geen causaal verband bestaat tussen de door de verdachte aan [slachtoffer] geboden hulp en die zelfdoding. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven:

a) De verdachte heeft [slachtoffer] medegedeeld dat het innemen van een combinatie van 30 capsules van 150 mg Depronal en 40 tabletten van 20 mg Tranxene dodelijk zou zijn en hij heeft haar voormelde hoeveelheid Depronal toegezonden. Uit het deskundigenrapport betreffende het toxicologisch onderzoek blijkt dat de in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen concentratie van Depronal en Tranxene onvoldoende was om het overlijden te kunnen verklaren. [slachtoffer] heeft derhalve niet overeenkomstig de door de verdachte verschafte informatie gehandeld.

b) Volgens voormeld deskundigenrapport heeft ademhalingsbelemmering mede een rol gespeeld bij het overlijden. De verdachte heeft [slachtoffer] niet geïnformeerd omtrent het gebruik van een plastic zak teneinde verstikking te bevorderen. [slachtoffer] heeft dus haar eigen methode van zelfdoding gekozen, waarbij niet kan worden uitgesloten dat een derde haar daarbij behulpzaam is geweest.

c) [slachtoffer] beschikte reeds omstreeks 4 november 2004 over de middelen om zichzelf van het leven te beroven, waaronder het door de verdachte aangereikte middel Depronal, maar heeft daarna nog gesproken met huisarts [huisarts] en de psychiater [psychiater]. Na haar contacten met [huisarts] en [psychiater] heeft zij geen contact meer gehad met de verdachte. De beïnvloeding door de verdachte was toen niet meer concreet en rechtstreeks genoeg om van behulpzaamheid te kunnen spreken.

d) In haar afscheidsbrief rept [slachtoffer] met geen woord over de verdachte en geeft zij zelfs impliciet aan dat hij geen schuld heeft aan haar levensberoving.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft [slachtoffer] medegedeeld dat het innemen van een combinatie van een bepaalde hoeveelheid Tranxene en een bepaalde hoeveelheid Depronal dodelijk is. Voorts heeft hij haar medegedeeld (zo begrijpt het hof uit het door de verdachte geschreven gele memobriefje, geplakt op de brief van de verdachte aan [slachtoffer] de dato 4 november 2003) dat hij haar de voor zelfdoding benodigde hoeveelheid van 30 capsules van 150 mg Depronal kon doen toekomen op voorwaarde dat zij hem 80 tabletten Tranxene van de in haar bezit zijnde tabletten zou toezenden. Nadat [slachtoffer] hem dit aantal tabletten had toegezonden – en de verdachte aldus wist dat zij daadwerkelijk over Tranxene kon beschikken - heeft hij haar voormelde 30 capsules Depronal geleverd. In het bloed van [slachtoffer] zijn chemische bestanddelen in werkzame concentraties aangetroffen die kunnen worden verklaard door de inname van zowel Tranxene als van Depronal. Het is niet aan redelijke twijfel onderhevig dat deze stoffen een rol hebben gespeeld bij de zelfdoding van [slachtoffer].

Nog daargelaten de vraag in hoeverre er causaal verband dient te bestaan tussen de verleende hulp en de verstrekte middelen en de wijze waarop de zelfdoding uiteindelijk heeft plaats gevonden, is in het onderhavige geval zeker sprake van een dergelijke causaal verband. De door de raadsman aangevoerde, hierboven onder b en d genoemde omstandigheden kunnen daar niet aan af doen.

Ook de onder c genoemde omstandigheid doorbreekt het causale verband geenszins. Uit de verklaringen van de huisarts [huisarts] en de psychiater [psychiater] blijkt juist hoezeer de toezending van de medicijnen door de verdachte van invloed is geweest bij [slachtoffer]’s kennelijke worsteling om tot een besluit te komen.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte de onderhavige hoeveelheid Depronal niet heeft afgeleverd in de zin van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, nu het een ruil of doorlevering betreft van een medicijn dat eerder door een daartoe bevoegde persoon is afgeleverd en de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening slechts ertoe strekt de kwaliteit van de geneesmiddelenvoorziening te garanderen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft een hoeveelheid tabletten van het medicijn Depronal per post toegezonden aan [slachtoffer].

De parlementaire geschiedenis van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening geeft geen aanleiding te veronderstellen dat onder “afleveren” iets anders wordt verstaan dan in het algemeen spraakgebruik, waar onder afleveren wordt verstaan “overhandigen” of “bezorgen”. Derhalve berust de opvatting van de raadsman dat deze wet in beginsel niet van toepassing is op de niet tot de artsenijbereidkunst bevoegde personen, indien zij medicijnen ruilen of doorleveren, die oorspronkelijk zijn afgeleverd door personen die daartoe wel bevoegd waren, op een onjuiste interpretatie van de wet. Mitsdien faalt ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en hem de middelen daartoe verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt.

ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte;

opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank te Alkmaar heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van één jaar.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte, die consulent is geweest bij de Stichting De Einder, is opzettelijk [slachtoffer] behulpzaam geweest bij zelfdoding en heeft haar daartoe middelen verschaft. Daarbij heeft hij haar, zonder daartoe bevoegd te zijn, Depronal afgeleverd, een van de geneesmiddelen die zij heeft ingenomen om een einde aan haar leven te maken.

Door zich niet te beperken tot het verstrekken van algemene informatie en het verlenen van morele steun, maar [slachtoffer] concreet te instrueren over de wijze waarop zij een einde aan haar leven zou kunnen maken en haar daartoe actief een deel van de middelen te verschaffen, heeft verdacht zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten.

Bij het strafbaar stellen van hulp bij zelfdoding en de totstandkoming van artikel 294 van het Wetboek van Strafrecht heeft voor de wetgever centraal gestaan het respect voor het menselijk leven, hetgeen een ieder moet nopen tot grote behoedzaamheid en terughoudendheid bij de omgang en advisering van suïcidale personen.

Uit de verklaring van [psychiater], psychiater, blijkt dat [slachtoffer] kampte met psychiatrische problemen als depressie en borderline. Hij heeft op 9 november 2003 met [slachtoffer] gesproken en daarbij de indruk gekregen dat zij, nadat zij het door de verdachte verstrekte Depronal had ontvangen, eigenlijk op dat moment niet dood wilde, maar aan de andere kant de gedachte aan inname van medicijnen niet uit haar hoofd kon zetten. Het in het bezit hebben van gevaarlijke medicamenten vormt een risico, aldus [psychiater], omdat de suïcidaliteit bij borderlineproblematiek impulsief kan optreden.

Ook de huisarts [huisarts] heeft op 9 november 2003 met [slachtoffer] gesproken. Zij vertelde hem over de dreiging van een aankomende suïcide en hij kreeg de indruk dat zij een soort dwang voelde de medicijnen die ze ontvangen had in te nemen, terwijl ze het eigenlijk nog niet wilde.

Na haar dood zijn in de woning van [slachtoffer] kladversies gevonden van een door haar aan de verdachte gerichte brief, gedateerd 8 november (het hof begrijpt: 2003), waaruit kan worden afgeleid dat zij het gevoel had in een stroomversnelling te zijn gekomen, door de ontvangst van de door de verdachte verzonden medicatie van slag te zijn gebracht en te zijn gaan twijfelen. Qua timing zou de suïcide slecht uitkomen, ze was er vanuit gegaan dat deze pas het jaar daarop zou plaatsvinden. Voorts geeft [slachtoffer] in de brief aan dat er nog veel geregeld moest worden, dat zij nog moest wachten op de bij De Einder bestelde formulieren en brochure. Daarnaast zou zij de medicatie pas op 18 november ( het hof begrijpt: 2003) bij elkaar hebben, en geeft zij aan nog veel vragen te hebben over de medicatie en de tijdsplanning. De brief eindigt met de volgende passage: “Het liefst zou ik deze vragen een keer met u willen bespreken. Zou dit mogelijk zijn? Zou u mij ook de circulaire over de wijze van innemen toe kunnen zenden? U zult me wel raar vinden dat ik nu zo twijfel. Ik snap er zelf ook niks van.”

Voorts blijkt uit de door de vader van [slachtoffer] gedane aangifte dat hij de indruk had dat zij vanaf augustus 2003 bezig was haar werk en leven weer op te pakken: zij was weer gaan sporten, had regelmatig afspraken met de RIAGG en nam muziekles. Ook meldt hij dat [slachtoffer] een afspraak had met haar zus om haar op 5 en 6 december 2003 te helpen in haar winkel en dat zij recent een nieuw bed had besteld en een home-cinemaset had aangeschaft.

Uit voormelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat ernstig kan worden getwijfeld of het doodsverlangen van [slachtoffer] duurzaam was. De hulp die de verdachte heeft geleverd bij de zelfdoding kan hem des te zwaarder worden aangerekend, nu hij onzorgvuldig heeft gehandeld alleen al door na te laten ook maar enig inzicht te verkrijgen in de ernst en de duurzaamheid van de door [slachtoffer] geuite wens zichzelf van het leven te beroven.

De verdachte heeft zich slechts laten leiden door de vier brieven die hij van [slachtoffer] heeft ontvangen en die maar zeer summier haar voorgeschiedenis weergeven. Afgezien van een enkel telefoongesprek, waaraan hij geen herinnering zegt te hebben, heeft hij haar nooit zelf gesproken. Uitgangspunt voor de verdachte is geweest de absolute voorrang die hij meende te moeten geven aan het zelfbeschikkingsrecht van de mensen die zich met een doodswens voor hulp tot hem wenden, ook zonder inzicht te hebben in de duurzaamheid van die doodswens.

Gelet op het onzorgvuldig handelen van de verdachte en het ontbreken van de hiervoor genoemde vereiste behoedzaamheid en terughoudendheid bij de omgang en advisering van suïcidale personen, rekent het hof het hem des te ernstiger aan dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij handelingen die tot de dood van een mens hebben geleid en een stempel op het leven van de door verdriet getroffen nabestaanden hebben gezet.

De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf kan daarom in beginsel als passend worden aangemerkt.

Echter in de na te noemen omstandigheden ziet het hof aanleiding een groot deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

De verdachte is een man van thans 74 jaar, die nooit eerder is veroordeeld.

Hij heeft aannemelijk gemaakt dat hij definitief is gestopt als consulent bij de Stichting De Einder.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep blijk gegeven in te zien dat hij onjuist en strafwaardig heeft gehandeld en dat het verkeerd zou zijn als mensen op dezelfde wijze te werk zouden gaan zoals hij in dit geval heeft gedaan.

Het hof acht evenwel een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf onontkoombaar, niet alleen vanwege de generale preventie, maar ook ter vergelding van het aan de nabestaanden van [slachtoffer] aangedane leed, voorzover dat aan verdachtes strafbare en onzorgvuldige handelwijze te wijten valt.

Alles overwegende acht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 294 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de 1e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Wagenmakers, mr. E.J. Schreuder en mr. E. Mijnsberge, in tegenwoordigheid van A.M.M. van Gorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 augustus 2006.