Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY6234

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2006
Datum publicatie
21-08-2006
Zaaknummer
23-002172-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte tot vier jaar gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging wegens doodslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-002172-04

datum uitspraak: 30 januari 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van

25 mei 2004 in de strafzaak onder parketnummer 13-037347-03 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Amsterdam, HvB Het Schouw te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 mei 2004 en op de terechtzitting in hoger beroep van 16 januari 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Een ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om schorsing van de vervolging van verdachte omdat zich een situatie als genoemd in artikel 16 van het Wetboek van Strafvordering voordoet.

Aldus stelt de raadsman het hof de vraag ter beoordeling of verdachte aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vordering te begrijpen. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

1. Het hof heeft kennis genomen van het "Pro Justitia" rapport van het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, van 16 december 2005, opgemaakt door onderscheidenlijk A.C. Bruins, psychiater en vast gerechtelijk deskundige en F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige, in het bijzonder van de in die rapportage als advies opgenomen overweging dat de geconstateerde ziekelijke stoornis, de gebrekkige ontwikkeling en het beperkt begripsvermogen van verdachte niet van dien aard zijn dat hij niet in staat zou zijn de strekking van de tegen hem ingestelde vordering te begrijpen.

2. Voorts heeft de verdachte tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding van gerichte vragen hiertoe, het hof naar eigen waarneming de indruk gegeven voldoende te begrijpen waar de zaak over gaat en aangegeven dat hij de strekking van de tegen hem ingestelde vordering grotendeels heeft begrepen.

3. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat de verdachte niet aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vordering te begrijpen. Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de vervolging van verdachte af.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 13 april 2003 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een vuurwapen in de nek geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg is gekomen tot de beslissing [slachtoffer] van het leven te beroven.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft onder verwijzing naar - onder meer - de "Pro justitia" rapportage van

9 januari 2004, opgemaakt door onderscheidenlijk F.C.M. de Laat, psycholoog en T.M.J. Huygen, psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige en de "Pro Justitia" rapportage van het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, van 16 december 2005, opgemaakt door onderscheidenlijk A.C. Bruins, psychiater en F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundige, alsmede naar de zich in het dossier bevindende verklaringen van verdachte, betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht. De van buiten komende drang waartegen de verdachte, die was beland in een psychotische situatie, redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden, heeft - zo begrijpt het hof de raadsman - bestaan in de aan die psychotische situatie ten grondslag liggende zeer traumatische ervaringen, te weten de door verdachte gestelde gijzeling, mishandeling en verkrachting. Voorts heeft de raadsman van verdachte een beroep gedaan op noodweerexces nu verdachte zich tengevolge van een (reële) doodsangst bevond in een noodweersituatie waarin de geboden zelfverdediging in zijn beleving gerechtvaardigd was.

Bij de beoordeling van deze verweren gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1) Blijkens het door de inspecteur bij het bureau ondersteuning bij de politie Amsterdam-Amstelland, op 15 april 2003 opgestelde verslag naar aanleiding van het beluisteren van de geluidsbanden, is op zondag 13 april 2003, om 05.37 uur en omstreeks

05. 46 uur, vanaf het nummer van verdachte gebeld met het alarmnummer 112 met het verzoek hem op te komen halen op nummer 30 in Amsterdam-Oost, waarbij verdachte de aanwijzing gaf: "Bij de C-1000 moeten jullie linksaf".

2) Op zondag 13 april 2003 omstreeks 06.00 uur heeft verdachte gebeld naar zijn vriendin. Hij heeft haar weliswaar gezegd dat het niet zo goed ging met hem, maar ook gevraagd hoe het met hun zoontje ging en tegen haar gezegd dat hij zo thuis zou komen (proces-verbaalnummer 2003095667-27, doorgenummerde pagina 108).

3) Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 13 april 2003, opgemaakt door de brigadier bij de politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina 18), is Van den Dobbelsteen voornoemd op 13 april 2003 omstreeks 06.20 uur gebeld door verdachte. De brigadier kent verdachte uit zijn functie als politieagent al jaren en heeft een vertrouwensband met verdachte gekregen. Tegen de brigadier verklaarde verdachte dat hij ontvoerd was door een aantal mannen en dat hij een tweetal dagen was vastgehouden. Verdachte klonk op dat moment erg geëmotioneerd. Nadat het contact werd verbroken, lukte het de brigadier na enkele malen met het nummer van verdachte te hebben gebeld, het telefonisch contact met verdachte te herstellen. Toen daarna de verbinding weer werd verbroken bereikte de brigadier nog slechts de voicemail van de telefoon van verdachte.

4) Op zondag 13 april 2003 om 06.20 uur en 06.22 uur heeft verdachte een geldbedrag van respectievelijk 100 en 150 Euro gepind aan de Wijtenbachstraat te Amsterdam met de pinpas van zijn moeder (doorgenummerde pagina 189 van het proces-verbaal).

5) Op zondag 13 april 2003 te 7.42 uur ontvingen verbalisanten, beiden agent van politie bij de politie Amsterdam-Amstelland de melding van de centrale meldkamer dat op de Javastraat ter hoogte van nummer 21 een man in zijn hoofd zou

zijn geschoten. Ter plaatse werd het slachtoffer aangetroffen, op zijn rug liggend op het trottoir ter hoogte van perceel 21. Getuige 1 verklaarde dat hij omstreeks 07.30 uur een knal had gehoord. Getuige 2 verklaarde dat hij omstreeks 7.35 uur een harde knal had gehoord.

Het beroep op psychische overmacht kan alleen worden aanvaard indien sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Wat er zij van de door verdachte gestelde omstandigheden die hem naar eigen zeggen tot het doden van [slachtoffer] hebben gebracht, het hof acht een dergelijke van buiten komende drang in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden, mede gelet op het uit de onder 1 tot en met 4 genoemde feiten en omstandigheden af te leiden redelijke gedrag van verdachte in de periode, gelegen tussen het eerste telefoontje naar het alarmnummer 112 en het tijdstip waarop verdachte het slachtoffer naar alle waarschijnlijkheid heeft neergeschoten. Verdachte heeft in die periode immers zowel met zijn vriendin gebeld als met een politieagent die voor hem als vertrouwenspersoon fungeerde en heeft tot tweemaal toe een geldbedrag gepind. Voorts gaat het hof ervan uit dat verdachte zijn psyche vrijwillig heeft beïnvloed door cocaïnegebruik. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen zijn niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt mitsdien het beroep op psychische overmacht.

Met betrekking tot het beroep op noodweerexces overweegt het hof dat het bestaan van een noodweersituatie niet is komen vast te staan en een beroep op noodweerexces mitsdien om die reden al faalt. Echter, zelfs indien de toedracht zou zijn geweest als door de verdachte geschetst, sluit het hierboven nader omschreven, redelijk gedrag van verdachte - binnen de periode van bijna twee uur nàdat hij zich had onttrokken aan die noodweersituatie - een succesvol beroep op noodweerexces uit. Ook de verklaring van verdachte van 14 april 2003 omtrent de gebeurtenissen nadat hij wist te ontkomen uit het huis waar hij zou zijn vastgehouden geeft geen aanleiding tot een ander oordeel hieromtrent. Het hof verwerpt mitsdien ook het beroep op noodweerexces.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte terzake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht en heeft de ter beschikking stelling van verdachte gelast met bevel tot verpleging van overheidswege. Daarnaast heeft de rechtbank het inbeslaggenomen vuurwapen onttrokken aan het verkeer en de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van ? 4.951,66, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en 45 dagen hechtenis indien volledige betaling dan wel volledig verhaal van het verschuldigde bedrag uitblijft.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van "moord" zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en dezelfde maatregelen als de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 november 2005 is verdachte reeds meermalen terzake van een geweldsdelict veroordeeld.

Verdachte heeft [slachtoffer] gedood door hem van korte afstand in de nek te schieten. Als gevolg van verdachtes handelen is het slachtoffer overleden en is aldus onherstelbaar leed toegebracht aan diens nabestaanden. Voorts is de rechtsorde ernstig geschokt. Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van gelijke duur als de rechtbank heeft opgelegd.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de volgende rapporten met betrekking tot de verdachte:

- een voorlichtingsrapportage van 5 april 1995, opgemaakt door A.R. van Empel en M. van Deursen, respectievelijk maatschappelijk werker en unitmanager van Reclassering Nederland, arrondissement Amsterdam;

- een "Pro Justitia" rapportage van 14 juli 1995, opgemaakt door drs. R.L. Wernsen, klinisch psycholoog;

- een voorlichtingsrapportage van 13 oktober 1995, opgemaakt door A.R. van Empel en M. van Deursen, respectievelijk maatschappelijk werker en unitmanager van Reclassering Nederland, arrondissement Amsterdam;

- een voorlichtingsrapportage van 1 november 1996, opgemaakt door M.A.C. Strik en M. van Deursen, respectievelijk reclasseringswerkster en unitmanager van Reclassering Nederland, arrondissement Amsterdam;

- eerdergenoemde "Pro Justitia" rapportage van 9 januari 2004, opgemaakt door onderscheidenlijk F.C.M. de Laat, psycholoog en T.J.M. Huygen, psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige;

- eerdergenoemde "Pro Justitia" rapportage van 16 december 2005 van het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, opgemaakt door onderscheidenlijk A.C. Bruins, psychiater en F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog, beiden vast gerechtelijk deskundige.

Het laatstgenoemde rapport houdt als conclusie van rapporteurs in:

".. dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen. In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen- hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend".

Het in de rapportage neergelegde gezamenlijk advies luidt -zakelijk weergegeven- voor zover hier van belang:

"Bij betrokkene is sprake van een chronische psychose (schizofrene stoornis). Het is met zekerheid te stellen dat er vanaf het begin van zijn huidige detentie bij betrokkene sprake is geweest van psychotische verschijnselen. Hoewel er enige aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van eerdere psychotische kenmerken ontbreekt deze stelligheid voor de periode voor het begin van de detentie. In de drie Pro Justitia-rapportages, die in 1987, 1990 en 1995 zijn gemaakt, worden psychotische fenomenen niet beschreven. In het forensisch psychologisch en psychiatrisch onderzoek van begin 2004 worden deze wel waargenomen in de vorm van akoestische hallucinaties en waanachtige ideeën.

Bij het huidige PBC-onderzoek worden de volgende psychotische verschijnselen waargenomen: sterke aanwijzingen voor de aanwezigheid van akoestische en visuele hallucinaties, waanachtige achterdocht, formele denkstoornissen en een sterk tekortschietend realiteitsbesef. Op het vlak van de persoonlijkheidsontwikkeling geldt allereerst dat zijn persoonlijkheid niet is uitgekristalliseerd tot een volwassen niveau, zijn persoonlijkheidsstructuur is slecht geïntegreerd. Zowel uit het onderhavige onderzoek zelf als uit de gegevens van de levensloop blijkt dat betrokkene nauwelijks in staat is zelfstandig op volwassen niveau te functioneren. Verder wordt zijn persoonlijkheid bepaald door impulsiviteit, instabiliteit, egocentrisme en antisociaal gedrag. Deze kenmerken van een gebrekkige ontwikkeling zijn in ieder geval vanaf de adolescentie aanwezig. Wanneer de stoornis van betrokkene in de loop van de tijd in ogenschouw wordt genomen, valt de toename van de ernst van de stoornis op. Dit proces overziend concluderen wij dat de beschreven ontwikkelingspathologie de bakermat heeft gevormd voor zijn huidige stoornis. Naast de geschetste stoornis beschikt betrokkene over een duidelijk beperkte intellectuele capaciteit.

In de bovenstaande beschrijving van de stoornis wordt genoemd dat het niet met zekerheid is te stellen dat betrokkenen vóór de periode van zijn huidige detentie psychotisch is geweest. Dit betreft ook de periode waarin het tenlastegelegde, indien

bewezen, plaatsvond. Wel is vast te stellen dat de beschreven gebrekkige ontwikkeling van zijn persoonlijkheid in belangrijke mate zijn wilsvrijheid heeft beperkt.

Gebaseerd op de genoemde bevindingen, rekening houdend met de onzekerheden over de juiste toedracht en de onmogelijkheid om met zekerheid de aanwezigheid van psychotisch functioneren ten tijde van het tenlastegelegde te reconstrueren, komen wij tot de conclusie dat betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar is voor het tenlastegelegde, indien bewezen.

De kans op een recidief van gewelddadige gedrag is groot. De graad van organisatie van zijn persoonlijkheid is zo onrijp dat hij ook in de toekomst niet in staat zal zijn zich adequaat te weren tegen zijn agressieve impulsen. De psychotische stoornis versterkt in ernstige mate het onvermogen om passende oplossingen te vinden teneinde gewelddadige escalaties te voorkomen.

Op grond van bovenstaande overwegingen adviseren wij Uw College betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Een minder verregaande maatregel zal niet afdoende zijn in verband met de ernst van de stoornis, het ontbreken van iedere vorm van ziekte-inzicht en de afwezigheid van motivatie voor behandeling".

Op grond van hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren is gekomen, is het hof - met de rapporteurs van het zoëven aangehaalde rapport van het Pieter Baan Centrum - van oordeel dat geconcludeerd moet worden (1) dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezengeachte feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en (2) dat dit feit hem in verminderde mate kan worden toegerekend. Het hof zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van na te melden duur.

Met de evenbedoelde rapporteurs is het hof voorts van oordeel dat de kans op recidive groot moet worden geacht. Gelet op eerdergenoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen is veroordeeld ter zake van een geweldsdelict, de bij verdachte aanwezige psychotische stoornis en de ernst van het bewezengeachte feit zou de veiligheid van anderen, danwel de algemene veiligheid van personen of goederen, aldus in gevaar worden gebracht. Waar het thans bewezengeachte een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, zal het hof de verdachte - gelet op het vorenstaande - ter beschikking stellen en ziet het hof zich genoodzaakt tevens te bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, aangezien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit naar 's hofs oordeel onder deze omstandigheden eist.

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerp, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met betrekking tot dit voorwerp is begaan, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [x]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 vuurwapen.

Ten aanzien van de benadeelde partij x:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [x], wonende te Amsterdam, rekeningnummer 4976234, een bedrag van EUR 4.951,66 (vierduizend negenhonderdeenenvijftig euro en zesenzestig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 4.951,66 (vierduizend negenhonderdeenenvijftig euro en zesenzestig eurocent), zulks ten behoeve van [x].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen (vijfenveertig dagen), met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 9e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.R. Cox, mr. A.H.A. Scholten en mr. E. Mijnsberge, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 januari 2006.

Mr. A.H.A. Scholten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.