Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY5746

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
10-08-2006
Zaaknummer
21-001749-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BA7932, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BA7932
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, door aan [mededader 1] en [mededader 2] een auto ter beschikking te stellen, schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan moord. Door zijn handelwijze heeft verdachte een noodzakelijke bijdrage geleverd aan het welbewust nemen van het leven van een ander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001749-05

Uitspraak d.d.: 7 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van

30 maart 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 10 april 2006 en 23 juni 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof kan, anders dan de advocaat-generaal, uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep niet worden afgeleid dat sprake was van medeplegen. Volgens vaste jurisprudentie dient bij medeplegen sprake te zijn van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking. Er kan niet gezegd worden dat verdachte, die geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, zodanig nauw en volledig met mededaders [mededader 1] en [mededader 2] heeft samengewerkt dat van medeplegen kan worden gesproken. Uit het onderzoek blijkt niet dat verdachte daadwerkelijk heeft geparticipeerd in de gesprekken waarin afspraken of plannen werden gemaakt om een overval te plegen. De enkele omstandigheid dat verdachte zich niet van de voorgenomen gedragingen van [mededader 1] en [mededader 2] heeft gedistantieerd, is onvoldoende voor het aannemen van medeplegen.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de door mededader [mededader 2] afgelegde verklaringen volstrekt onbetrouwbaar zijn. Volgens de raadsman is [mededader 2] uit pure gekte in staat iedere verklaring af te leggen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Anders dan de verdediging acht het hof de door [mededader 2] afgelegde verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar op de punten die het hof heeft bewezenverklaard. Uit het door de advocaat-generaal ter zitting overgelegde onherroepelijke vonnis van de rechtbank te Utrecht op 30 maart 2005 in de strafzaak tegen [mededader 2] omtrent het onderhavige feit volgt dat [mededader 2] ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Gelet hierop acht het hof niet aannemelijk dat [mededader 2] ten tijde van het afleggen van zijn verklaringen wel daaraan leed.

De door [mededader 2] afgelegde verklaringen stemmen op essentiële punten overeen met de verklaringen, die mededader [mededader 1] tegenover de politie en de rechtbank heeft afgelegd. Daarnaast heeft verdachte ter zitting in hoger beroep de door [mededader 1] en [mededader 2] tegenover de politie en de rechtbank afgelegde verklaringen op diverse wezenlijke punten bevestigd.

Het verweer wordt verworpen.

Medeplichtigheid

Met betrekking tot de medeplichtigheid in het onder meest subsidiair tenlastegelegde overweegt het hof het volgende.

Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is het volgende komen vast te staan:

- In de periode van 14 augustus 2004 tot en met 17 augustus 2004 is tussen verdachte en [mededader 1] veelvuldig telefonisch contact geweest.

- Verdachte is door [mededader 1] benaderd om een wapen voor [mededader 2] te regelen;

- Op zaterdag 14 augustus 2004 heeft verdachte [mededader 1] en [mededader 2] naar Den Haag gebracht, alwaar door verdachte's bemiddeling tussen [mededader 3] en [mededader 2] de overdracht van een pistool met geluiddemper en munitie heeft

plaatsgevonden.

- Na de overdracht zijn verdachte, [mededader 1] en [mededader 2] naar het Kralingse bos in Rotterdam gegaan. [mededader 2] heeft aldaar het aangeschafte pistool uitgeprobeerd. Hij heeft twee keer met het pistool geschoten. Verdachte was hierbij aanwezig.

- Op zondag 15 augustus 2004 is verdachte samen met [mededader 1] en [mededader 2] naar Antwerpen gereden. [mededader 2] wilde een wapen, dat niet goed functioneerde, terugbrengen naar de verkoper om het te laten nakijken. Verdachte kwam in Antwerpen op de hoogte van de reden van de reis naar Antwerpen. Hij heeft vervolgens in de auto het wapen gezien.

- Op de terugweg van Antwerpen naar Schiedam hebben [mededader 1] en [mededader 2] in de auto gesproken over een te plegen overval. Verdachte heeft aangegeven dat hij, toen [mededader 1] en [mededader 2] met elkaar spraken, het woord 'overval' heeft gehoord.

- Op maandag 16 augustus 2004 heeft [mededader 1] aan verdachte gevraagd of hij, [mededader 1], de auto van verdachte mocht lenen. Vervolgens heeft verdachte met zijn auto [mededader 1] opgehaald. [mededader 1] bevond zich in gezelschap van [mededader 2]. Vervolgens is verdachte afgezet bij zijn woning, waarna [mededader 1] en [mededader 2] met zijn auto zijn weggereden.

- Toen verdachte zijn auto aan [mededader 1] en [mededader 2] had meegegeven, heeft [mededader 1] verdachte toegezegd, dat hij de volgende dag € 500,- zou krijgen.

- In de nacht van maandag 16 augustus 2004 op dinsdag 17 augustus 2004 heeft [mededader 2] vanuit de auto van verdachte op de zich in een vrachtwagen bevindende [slachtoffer] geschoten, waarbij deze dodelijk is getroffen.

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte, nadat hij had bemiddeld bij het verkrijgen van een wapen door [mededader 2] en aanwezig was geweest bij het testen van dat wapen, in het kader van de reis naar Antwerpen heeft gezien dat [mededader 2] in het bezit was van een tweede wapen. Op de terugweg van Antwerpen naar Schiedam was verdachte in ieder geval op de hoogte gekomen van het plan van [mededader 2] en [mededader 1] om een overval te plegen. De dag erna heeft verdachte zijn auto aan [mededader 1] ter beschikking gesteld, terwijl [mededader 2] hierbij aanwezig was.

Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat [mededader 1] tegen hem had gezegd dat hij de auto van verdachte nodig had teneinde zijn vriendin te bezoeken. Gelet op de door [mededader 1] tegenover het hof afgelegde verklaring dat hij op het moment dat hij de auto van verdachte vroeg zijn vriendin al had gezien, acht het hof niet aannemelijk dat door [mededader 1] dit als reden is opgegeven voor het gebruik van zijn auto.

Op grond van alle voormelde feiten en omstandigheden -in onderling verband en samenhang bezien- komt het hof tot het oordeel dat verdachte's opzet bij het afgeven van zijn auto aan [mededader 1] en [mededader 2] gericht was op het feit van hulpverlening. Verdachte heeft door het afgeven van zijn auto willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aan [mededader 1] en [mededader 2] middelen verschafte tot het plegen van een strafbaar feit waarbij geweld zou worden gebruikt.

Verdachte heeft, terwijl hij op de hoogte was van het plan van [mededader 1] en [mededader 2] om een overval te plegen en terwijl hij wist dat [mededader 2] in het bezit was van twee vuurwapens, waaronder één met geluiddemper, en munitie aan [mededader 1] en [mededader 2] een auto ter beschikking

gesteld. Hij heeft de auto uitgeleend, nadat hem was beloofd, dat hij de volgende morgen een bedrag van € 500,- zou krijgen, welk geldbedrag naar hij heeft moeten begrijpen -naar het oordeel van het hof- niet anders dan van de opbrengst van een nog te plegen overval afkomstig zou kunnen zijn. Het hof is van oordeel dat op het moment dat verdachte zijn auto aan [mededader 1] en [mededader 2] ter beschikking stelde naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat [mededader 1] en [mededader 2] met zijn auto een gewapende overval zouden plegen, waarbij daadwerkelijk zou worden geschoten.

Dat verdachte besefte dat er een aanmerkelijke kans bestond dat daadwerkelijk zou worden geschoten leidt het hof af uit de omstandigheden dat in het Kralingse bos met één van de wapens bij wijze van test is geschoten en dat het wapen waarvoor de reis naar Antwerpen gemaakt was, (weer) functioneerde. Aangezien er naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestaat dat daadwerkelijk vuurwapengebruik bij een gewapende overval door meerdere personen leidt tot de dood van een persoon tegenover wie dat gebruik plaatsvindt, moet verdachte die kans ook hebben beseft.

Het hof merkt overigens op dat van 'voorbedachte rade' bij verdachte zelf geen sprake was.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

ten aanzien van het onder meest subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplichtigheid aan moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van medeplegen aan gekwalificeerde doodslag tot een gevangenisstraf van negen jaren wordt veroordeeld. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld wegens medeplichtigheid tot moord tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van medeplegen tot diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbend tot een gevangenisstraf van zes jaren gevangenisstraf wordt veroordeeld. Het hof acht medeplichtigheid aan moord bewezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 17 augustus 2004 is het slachtoffer [slachtoffer] op de Rijksweg A12 vanuit de door verdachte uitgeleende auto doodgeschoten. Het slachtoffer was op weg naar zijn werkzaamheden op de veiling. In de auto van verdachte zaten mededaders [mededader 1] en [mededader 2]. [mededader 2] heeft [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven beroofd.

Verdachte had in de dagen voorafgaande aan de schietpartij op verzoek van [mededader 1] bemiddeld bij de aanschaf van een vuurwapen met geluiddemper en munitie voor [mededader 2]. Vervolgens is verdachte met [mededader 1] en [mededader 2] naar een bos gereden. In het bos heeft [mededader 2] het aangeschafte wapen getest, waarbij door [mededader 2] twee maal is geschoten. Verdachte was daarbij aanwezig. Ook is verdachte met [mededader 1] en [mededader 2] naar Antwerpen gegaan om een tweede wapen van [mededader 2] te laten controleren. In de auto is toen gesproken over het plegen van een overval. Op 16 augustus 2004 heeft verdachte zijn auto aan [mededader 1] en [mededader 2] meegegeven.

Verdachte heeft zich, door aan [mededader 1] en [mededader 2] een auto ter beschikking te stellen, schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan moord. Door zijn handelwijze heeft verdachte een noodzakelijke bijdrage geleverd aan het welbewust nemen van het leven van een ander.

Ook heeft hij op deze wijze aan de nabestaanden, onder wie de echtgenote en kinderen, vrienden en bekenden van [slachtoffer] onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht, dat zij de rest van hun leven met zich meedragen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de door de echtgenote en oudste dochter van [slachtoffer] afgelegde schriftelijke verklaringen.

Over de persoon van verdachte is door psychiater Gerritsen op 8 oktober 2004 een pro justitia rapport opgemaakt. Psychiater Gerritsen komt tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit volledig toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Het hof neemt deze conclusie over en is derhalve van oordeel dat verdachte volledig verantwoordelijk kan worden gesteld voor wat hij heeft gedaan. Ten voordele van verdachte heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

Artikel 49, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij het bepalen van straf alleen die handelingen in aanmerking komen die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen. Het hof ziet geen reden om op grond van deze bepaling de dood van [slachtoffer] niet in aanmerking te nemen. Zoals hierboven overwogen, moet verdachte zich bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans.

Aan de andere kant was het aandeel van verdachte beperkt. Hij is niet met [mededader 1] en [mededader 2] mee geweest toen deze een overval gingen plegen, terwijl hij aan de planning van een concrete overval geen deel heeft genomen. Hoewel hij voor [mededader 2] een vuurwapen heeft geregeld, blijkt niet dat hij eerder wist van het voornemen een gewapende overval te plegen dan in de loop van het verblijf in Antwerpen en op de terugweg. De verbazing van verdachte nadat hij vernomen had wat er gebeurd was, was -onverlet zijn besef van de kans op een dodelijke afloop- niet gespeeld. Met name op deze gronden acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren in plaats van vijf jaren passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder meest subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is voorbereid.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 48, 49, 63 en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 6230 en

- een mobiele telefoon van het merk Nokia, type 3410.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr J.H.M. Zwinkels en mr A.P. Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier,

en op 7 juli 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

- 3 - 21-001749-05