Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY5190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
27-07-2006
Zaaknummer
1458/03 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Aantasting reputatie / goede naam van bergbeklimmer door publicaties in tijdschrift en op website.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

Frank MOLL,

wonende te Hilversum,

APPELLANT,

procureur: mr. W.C. van Manen,

t e g e n

Ronald Edwin NAAR,

wonende te ‘s-Gravenhage,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Moll en Naar genoemd.

Bij dagvaarding van 30 juni 2003 is Moll in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam in deze zaak onder rolnummer KG 03/951 OdC gewezen tussen Naar als eiser en ANWB B.V., verder ANWB, K. Lucassen, verder Lucassen, en Moll als gedaagden en uitgesproken op 6 juni 2003.

Bij memorie heeft Moll tegen dit vonnis grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van Naar alsnog zal afwijzen met veroordeling van Naar in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord, tevens akte houdende vermeerdering van eis, heeft Naar de grieven bestreden, producties overgelegd, zijn eis vermeerderd en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en het bij wege van eisvermeerdering in hoger beroep gevorderde voorschot op schadevergoeding zal toewijzen, met veroordeling van Moll in de kosten van het geding in hoger beroep.

Moll heeft bij antwoordakte op de vermeerdering van eis gereageerd.

Vervolgens hebben partijen hun zaak ter zitting van het hof van 31 mei 2006 doen bepleiten, Moll door zijn procureur en Naar door mr. S.N. Vlaar, advocaat te Amsterdam, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Beide partijen hebben ter gelegenheid van de pleidooien nog producties in het geding gebracht en, mede aan de hand van foto’s, inlichtingen verstrekt.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1, a tot en met f, de feiten opgesomd die door hem bij de beoordeling van het geschil van partijen tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

4. Beoordeling

4.1. Moll en Naar hebben in 1981 als respectievelijk cameraman en bergbeklimmer deel uitgemaakt van een expeditie naar de top van de Nanga Parbat, een in Pakistan gelegen berg die deel uitmaakt van het Himalaya gebergte.

Naar is op 5 augustus 1981 samen met klimmer Gerard van Sprang, verder Van Sprang, vanuit het laatste bivak, gelegen op 7550 meter, op weg gegaan naar de top van de berg, gelegen op 8125 meter.

Moll verbleef op dat moment in het basiskamp.

Nadat Van Sprang eerder was afgehaakt en was teruggekeerd naar het bivak, is Naar om 16 uur (of wellicht iets later) bij het bivak aangekomen met de mededeling dat hij de top had bereikt.

Moll heeft eind 2001 contact gezocht met Naar en hem medegedeeld dat hij was gaan twijfelen aan Naars claim dat hij op de bewuste dag in 1981 de top had bereikt.

In de aflevering van 4 mei 2003 van Op Pad, een uitgave van de ANWB, staat een interview van Lucassen met Moll dat op de omslag wordt aangekondigd met de woorden: “Zijn topklimmers topleugenaars?”. In dit interview uit Moll zijn twijfels over de claim van Naar dat hij in 1981 de top van de Nanga Parbat heeft bereikt. Op Pad heeft voorts op haar website een open brief van Moll aan, onder meer, Naar gepubliceerd, waarin in het geval van Naar gedetailleerd wordt ingegaan op een aantal, naar het oordeel van Moll tegenstrijdige, verklaringen die Naar in de loop der jaren heeft afgelegd om zijn claim te onderbouwen.

4.2. Het hof verwerpt het betoog van Naar dat Moll in zijn hoger beroep niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij daarbij onvoldoende spoedeisend belang heeft. Aan de vordering in hoger beroep van een in eerste aanleg veroordeelde gedaagde partij kan een dergelijke eis niet worden gesteld: het belang om van een te zijnen laste in eerste aanleg uitgesproken veroordeling te worden ontheven is in beginsel toereikend.

Mede gelet op de referte van Moll ten aanzien van een eventuele strijd met de eisen van een goede procesorde zal het hof het door Naar bij wege van vermeerdering van eis gevorderde in zijn beoordeling betrekken.

4.3. Naar vordert in dit geding voorzieningen die er toe strekken, kort gezegd, dat de uitlatingen in genoemde publicaties (het artikel in Op Pad en de open brief op de website van dat blad) worden gerectificeerd, de open brief van de website wordt verwijderd en (in hoger beroep) dat de als gevolg van een en ander door hem geleden schade wordt gecompenseerd.

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis rectificaties in zowel Op Pad als op de website bevolen en voorts de gedaagden in eerste aanleg veroordeeld om de open brief, voorzover deze Naar betreft, van de website te verwijderen. Van de oorspronkelijk gedaagde partijen is alleen Moll van het vonnis in appel gekomen. Hij voert tegen de beslissing van de voorzieningenrechter alsmede tegen de gronden waarop deze berust tien grieven aan. Deze lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.4. Dat de reputatie/goede naam van Naar door de gewraakte publicaties wordt aangetast acht het hof zonder meer aannemelijk. Immers, niet alleen wordt daarin een van de belangrijkste sportieve prestaties van Naar alsmede zijn integriteit op sportief gebied in twijfel getrokken; van een en ander wordt op stellige wijze kond gedaan door het maken van een vergelijking met een bekende “pathologische leugenaar”, door het gebruik van kwalificaties als “fraude”, “liegen” en “bedrog” en het poneren (aan het slot van het artikel en in de kop daarvan) van de stelling “Hans Lanters (die in 1986 de Nanga Parbat beklom, toev. hof) stond als eerste Nederlander op de Nanga Parbat”.

Bij de beoordeling van de vraag of deze aantasting jegens Naar onrechtmatig is dient het recht op vrije meningsuiting van Moll, alsmede een eventueel publiek belang dat Moll met zijn uitlatingen in het interview en in de open brief beoogde te dienen, te worden afgewogen tegen het belang van Naar bij het behoud van zijn eer en goede naam.

Dat in dit geval – zoals Naar betoogt – ook zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het geding is vermag het hof niet in te zien: het betreft immers kritische uitlatingen van Moll naar aanleiding van prestaties waarmee Naar zelf door de jaren heen steeds de publiciteit heeft gezocht en waarop hij zich publiekelijk liet voorstaan.

4.5. In het kader van deze belangenafweging stelt het hof voorop dat het (publiek) belang dat Moll, naar hij stelt, met de publicaties beoogde te dienen, nl. de correcte geschiedschrijving van de bergklimsport, op zichzelf een legitiem doel is. Dat sprake is van een misstand die de samenleving raakt in de zin van het door de Hoge Raad in 1983 berechte geval (NJ 1984, 801), waarnaar Moll in het kader van zijn verweer verwijst, valt echter in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval niet vol te houden. Voorts rijst de vraag of aan Moll, die destijds bij de expeditie was betrokken en kennelijk gedurende twintig jaar geen aanleiding heeft gezien om aan de prestatie van Naar te twijfelen dan wel daarnaar nader onderzoek te verrichten op een tijdstip dat de feiten de betrokkenen nog (relatief) vers in het geheugen lagen, daarop thans nog een beroep toekomt.

4.6. Een rechtvaardiging voor niet door de feiten gelegitimeerde verdachtmakingen levert een en ander in ieder geval niet op. Mede in het licht van de betrokken belangen van Naar – die inkomsten verwerft uit boeken en lezingen over de bergklimsport en ook in dat kader groot belang heeft bij het behoud van zijn reputatie als bergbeklimmer - mocht van Moll verwacht worden dat hij bij het formuleren van eventuele twijfel zorgvuldig tewerk ging en zich in de media niet stelliger uitliet dan op grond van het beschikbare feitenmateriaal gerechtvaardigd was.

Met de voorzieningenrechter is het hof voorshands van oordeel dat Moll deze zorgvuldigheid onvoldoende heeft betracht.

4.7. Het hof wijst in dit verband op het volgende.

Aan Moll kan worden toegegeven dat hij voorafgaand aan zijn uitlatingen onderzoek heeft verricht en dat de wisselende mededelingen die Naar in de loop van de jaren heeft gedaan met betrekking tot bepaalde incidenten/omstandigheden ten tijde van zijn beklimming (de pocketcamera en het al dan niet daarmee maken van topfoto’s, de vindplaats van het fotorolletje van Schauer, het achterlaten van een vlaggetje op de top) vragen kunnen oproepen.

Zoals ook Moll zich echter gerealiseerd moet hebben, valt geenszins uit te sluiten dat het tijdsverloop alsmede de invloed op het geheugen van ijle lucht en ontberingen bij de herinneringen van Naar en andere betrokken bergklimmers een rol hebben gespeeld en dat derhalve aan de geconstateerde “onwaarheid” van mededelingen van Naar (en de herinneringen daarover van anderen) slechts betrekkelijke (c.q. geringe) betekenis kan worden toegekend. (vgl. ook de verklaring van Prof. dr. W.A. Wagenaar, prod. 23 van Naar).

Een dergelijke betrekkelijke betekenis komt ook toe aan het door Moll beredeneerde klim/tijdschema, de niet door Naar gedane (top)waarnemingen en de niet gemaakte topfoto, die Moll aan zijn aantijgingen ten grondslag legt.

Omtrent de tijden waarop, achtereenvolgens, Van Sprang en Naar in de ochtend van 5 augustus 1981 het bivak verlieten, Van Sprang besloot om niet verder te gaan, Van Sprang Naar voor het laatst op de topwand heeft gezien, Naar de top zou hebben bereikt, alsmede omtrent de hoogtes van de relevante punten (de plek waarop Naar en Van Sprang uiteengingen, de aaneengesloten sneeuwveldjes op de topwand – vgl. prod. 9 en 48 van Naar, vijfde bladzijde van het manuscript) zijn nauwelijks exacte en nog verifieerbare gegevens beschikbaar, en staat in ieder geval te weinig vast om op grond van een tijdschema als door Moll opgesteld te kunnen concluderen dat Naar de top (waarschijnlijk) niet heeft bereikt. Voor deze conclusie is des te minder grond indien een en ander wordt afgezet tegen hetgeen Van Sprang in 1981 kort na zijn klimtocht met Naar daarover heeft opgeschreven (en in zijn verklaring van 22 juli 2003 in grote lijnen bevestigt - productie 25 van Naar), te weten het vroege en snelle vertrek in de ochtend van 5 augustus 1981 en zijn overtuiging, op grond van hetgeen hij met betrekking tot de klimsnelheid en hoogte waarop Naar zich bevond die ochtend had waargenomen, “ik weet dat hij het gaat halen” (vgl. producties 8, 9 en 48 t.a.p. van Naar). Het hof wijst in dit verband ook op het door journalist Van Amsterdam in 1981 opgetekende feit dat Van Sprang Naar heeft nagekeken tot hij zo’n 8000 meter had bereikt (productie 11 van Naar).

Aan het feit dat Naar geen gele sjaal (van Schauer) of topboek (van Messner) heeft waargenomen en geen topfoto heeft gemaakt valt evenmin (voldoende) steun te ontlenen voor de door Moll verdedigde gevolgtrekking, te minder nu onzeker is of eerstgenoemde attributen in die tijd überhaupt op de top van de Nanga Parbat waarneembaar waren (vgl. producties 39 tot en met 41 van Naar) en het niet maken van een topfoto - in een tijd dat een klimmer in beginsel op zijn woord werd geloofd – kennelijk wel vaker voorkwam (vgl. verklaring Terry Bech, productie 37 van Naar en de verklaring van H. van der Meulen naar aanleiding van zijn beklimming van de top van de Mount Everest aan het slot van de op de overgelegde DVD opgenomen Zembla uitzending).

Ook al zou het in het licht van de door Moll gereleveerde feiten en omstandigheden wellicht aanvaardbaar kunnen zijn dat hij in 2003 alsnog zijn twijfel over de prestatie van Naar aan de orde stelde, was er te weinig grond om de stellige uitlatingen waarmee Moll de publiciteit heeft gezocht te rechtvaardigen, ook indien men de overige door Moll in zijn memorie van grieven genoemde “omstandigheden van het geval” in aanmerking neemt, te weten, kort gezegd, de reactie van Naar over vragen naar ervaringen op de top tijdens een walkie-talkie gesprek tijdens de afdaling, een discussie bij aankomst in het bivak over de vraag of Van Sprang en Friele de volgende dag nog een poging zouden doen om de top te bereiken, de lichamelijke conditie waarin Naar verkeerde en zijn neiging om eigen prestaties te overdrijven.

4.8. Ook het hof komt, dit alles overwegend, tot de slotsom dat de in 4.4 bedoelde belangenafweging ten gunste van Naar dient uit te vallen en derhalve de gewraakte publicaties jegens hem onrechtmatig zijn. Een rectificatie op de voet van artikel 6:167 BW als door de voorzieningenrechter bevolen (tegen de inhoud waarvan geen grief is gericht) was derhalve op zijn plaats. De verwijdering van (een deel van) de open brief is eveneens terecht bevolen. De grieven van Moll treffen derhalve geen doel. Voorzover in het voorgaande niet besproken leiden zij niet tot een ander oordeel.

4.9. Dat Naar een spoedeisend belang heeft bij de door hem voor het eerst in hoger beroep (eind 2005) ingestelde geldvordering is door Naar onvoldoende feitelijk toegelicht. Gelet op de motiveringplicht die op dit punt geldt brengt dit reeds mee dat het bij wege van vermeerderde eis gevorderde dient te worden afgewezen.

4.10. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd met veroordeling van Moll in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Moll in de kosten van het geding in hoger beroep tot op heden aan de zijde van Naar begroot op € 2.927,-, waarvan € 245,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris procureur;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep anders of meer dan in eerste aanleg gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Coeterier, R.J.F. Thiessen en E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2006.