Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY4989

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
25-07-2006
Zaaknummer
514/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 99 lid 12 Wna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 20 juli 2006 in de zaak onder rekestnummer 514/06 NOT van:

[X],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: [Y],

t e g e n

MR. [Z]

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof is op 28 maart 2006 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Almelo, verder te noemen de kamer, van 3 maart 2006, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 21 april 2006 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Op 18 mei 2006 is van de zijde van klaagster een reactie op het verweerschrift van de notaris ter griffie van het hof ingekomen, vergezeld van een aantal stukken.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 juni 2006. Klaagster, haar gemachtigde en de notaris zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt behoudens dat klaagster naar voren heeft gebracht dat de opsomming van de feiten door de kamer onvolledig dan wel onjuist is weergegeven. Aan de door klaagster geopperde bezwaren zal het hof, voor zover het van belang is voor de beoordeling van deze klacht, in dat kader aandacht besteden. Voor het overige zal het hof uitgaan van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij onvoldoende of niet op juiste wijze heeft gereageerd op het betoog van klaagster dat de erven A nog steeds geen verklaring hebben gegeven voor het te kort van fl. 17.000,= van de nalatenschap.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij onvoldoende dan wel niet gereageerd heeft op alle op en aanmerkingen van klaagster. In het bijzonder klaagt klaagster er over dat de notaris zich ten onrechte heeft neergelegd bij de weigering van de erven A om rekening en verantwoording af te leggen en onvoldoende waarde heeft toegekend aan het rapport van de accountant en dat bovendien onder zijn verantwoordelijkheid bankafschriften zijn zoek geraakt.

4.3. Ook verwijt klaagster de notaris dat hij zijn werkzaamheden voortijdig heeft beëindigd. Klaagster verzoekt het hof dan ook te bepalen dat de notaris zijn werkzaamheden weer opneemt en voortzet.

4.4. Ten slotte wordt de notaris verweten dat hij een ondeugdelijke declaratiementaliteit voorstaat.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris heeft betoogd dat het niet aan hem te wijten is dat de nalatenschap na tien jaar nog niet is afgewikkeld. Aangezien de communicatie tussen de erven A en de erven B verstoord is, zijn zij niet op een lijn te krijgen. Hij heeft geen enkel machtsmiddel om de erven te dwingen tot overeenstemming met betrekking tot de nalatenschap te komen. In dat verband heeft de notaris verwezen naar zijn correspondentie met de erven waarin hij hen wijst op de mogelijkheid van een gerechtelijke vaststellingsprocedure.

5.3. Ook brengt de notaris naar voren dat hij bij brief van 15 september 2005 een nieuw verdelingsvoorstel heeft gedaan en - teneinde uit de impasse te geraken - zijn declaratie heeft gehalveerd.

5.4. Ten slotte heeft de notaris verklaard dat door hem pas weer werkzaamheden worden verricht als zijn nota is betaald.

6. De beoordeling

6.1. In hoger beroep maakt klaagster bezwaar tegen het oordeel van de kamer dat zij terzake van klachten voor zover deze zijn gebaseerd op handelen of nalaten van de notaris vóór 29 juli 2002 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu klaagster haar klachten heeft ingediend bij de kamer op 28 juli 2005.

Klaagster is van mening dat de termijn van drie jaar bedoeld in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt, hierna: Wna, niet al te strikt dient te worden toegepast, aangezien dit niet de bedoeling is van deze wettelijke bepaling, gelet op de wetgeschiedenis en de onderhavige casuïstiek. Het hof volgt klaagster niet in haar mening.

Artikel 99 lid 12 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis als volgt verwoord:

“(..)De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. (...)”

(Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12)

6.2. Het hof is voorts van oordeel dat het handelen van de notaris in de periode van na 29 juli 2002 geen schoonheidsprijs verdient. Weliswaar heeft de notaris geen machtsmiddel in handen om de erven te dwingen overeenstemming te bereiken ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap, dit laat echter onverlet dat de notaris voortvarender had kunnen optreden. Hoewel klaagster duidelijk naar voren heeft gebracht om welke problemen het ging, is de notaris op het merendeel van deze problemen niet ingegaan. Het had op de weg van de notaris gelegen in een eerder stadium aan te sturen op afsluiting van de zaak. Het hof acht dit klachtonderdeel gegrond en zal de beslissing van de kamer op dit punt vernietigen. Het hof is tevens van oordeel dat – nu dit klachtonderdeel gegrond is bevonden – een maatregel passend en geboden is. Het hof zal aan de notaris de maatregel van waarschuwing opleggen.

6.3. Voor zover het klachtonderdeel zoals genoemd onder rubriek 4.3. ziet op de hoogte van de declaratie(s) van de notaris is het hof van oordeel dat ingevolge artikel 55, tweede lid Wna een dergelijk geschil door de meest gerede partij aan de voorzitter van het bestuur van de desbetreffende ring van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie kan worden voorgelegd. De ringvoorzitter toetst volledig. Tegen de beslissing van de voorzitter staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State. Het hof kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, een dergelijk geschil slechts marginaal toetsen.

Het hof komt na marginale toetsing tot het oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die tot het oordeel nopen dat de notaris in redelijkheid niet tot zijn declaratie(s) had kunnen komen. Het hof acht dit klachtonderdeel ongegrond.

6.4. Het hof wijst af het verzoek van klaagster te bepalen dat de notaris ten onrechte voortijdig zijn werkzaamheden heeft beëindigd en dat de notaris zich per omgaande beschikbaar dient te houden teneinde zijn werkzaamheden weer aan te vangen, reeds omdat daarvoor in de onderhavige tuchtprocedure geen plaats is.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.6. Het vorenoverwogene leidt daarom tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing voor zover het betreft hetgeen in rubriek 5.5. is overwogen en in zoverre, opnieuw rechtdoende:

- verklaart dit klachtonderdeel gegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 20 juli 2006 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ALMELO

Klachtzaak: 10 05 Wna

UITSPRAAK

inzake: [X],

wonende te [plaats],

klaagster;

tegen: mr. [Z],

notaris te [plaats],

hierna te noemen de notaris.

1 Verloop van de procedure

1.1 Op 28 juli 2005 heeft klaagster een klacht (met bijlagen) ingediend bij de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Almelo, hierna te noemen de Kamer.

De notaris heeft zich verweerd bij schrijven van 15 september 2005. Vervolgens heeft klaagster bij brief van 26 oktober 2005 gerepliceerd. Door de notaris is niet meer gedupliceerd. Bij schrijven van 26 oktober 2005 heeft klaagster een aanvullende klacht tegen de notaris geformuleerd.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 2 februari 2006 behandeld. Klaagster is in persoon verschenen tezamen met haar echtgenoot. De notaris is eveneens in persoon verschenen.

2 Toetsingskader

2.2 In deze klachtzaak dient te worden beoordeeld of de notaris heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de Wet op het notarisambt (Wna).

3 Feiten

3.1 Op basis van de door klaagster en de notaris overgelegde stukken gaat de Kamer uit van de volgende feiten. Klaagster heeft zeven zusters en één broer. De vader van klaagster is in 1990 overleden. Nadien hebben twee van de zusters van klaagster, tezamen met haar broer, de financiële zaken van moeder behartigd. Het beheer door deze twee zusters en de broer van klaagster, hierna te noemen erven A, heeft klaagster aanleiding gegeven een verzoek tot onderbewindstelling van moeder in te dienen. Dit verzoek is afgewezen. Na het overlijden van moeder, hierna erflaatster, op 4 september 1994, hebben erven A de afhandeling van de nalatenschap in handen gegeven van notariskantoor Kienhuis te Oldenzaal. Klaagster en haar overige vijf zusters, hierna erven B, waren het daar niet mee eens en om die reden is de afwikkeling in handen gegeven van notariskantoor [Z] te [plaats]. Het dossier is tot en met 1999 voornamelijk behandeld door de destijds ten kantore van de notaris werkzaam zijnde kandidaat-notaris mr. [A]. Nadien is het dossier behandeld door de notaris. In een brief van 17 maart 1995 komt de notaris tot een verdeling en een voorstel. De erven B hebben vervolgens besloten tot een accountantsonderzoek naar het financiële beheer van de zaken van erflaatster door de erven A. Op basis van de beschikbare gegevens concluderen de erven B dat sprake is van een onverklaarbaar tekort in de nalatenschap van tenminste fl 17000,=. In een brief van 28 januari 2000 geven de erven B de kandidaat-notaris mr. [A] toestemming het accountants-rapport naar de erven A te sturen. In daarna gevoerde correspondentie blijven de erven B aandringen op een sluitende verklaring voor het naar hun mening bestaande tekort.

In een brief van 29 augustus 2002 komt de notaris tot een inventarisatie van hetgeen de erven over en weer hebben aangegeven in het kader van de bestaande geschillen. Ook wordt de omvang van de nalatenschap weergegeven en wordt het nodige omtrent de verdeling opgemerkt.

Van de in de loop der jaren gevoerde correspondentie zijn door klaagster afschriften aan de Kamer overgelegd.

4 Standpunten

4.1 De klacht komt op het volgende neer. Klaagster geeft zeer uitvoerig aan welke correspondentie er gevoerd is sedert 1995. Klaagster stelt zich daarbij op het standpunt dat door de notaris of de personen die onder zijn verantwoordelijkheid werken niet voldoende of niet adequaat is gereageerd op het standpunt van de erven B dat door de erven A nog steeds geen verklaring is gegeven voor het tekort van Fl 17.000,= in de nalatenschap. Naar de mening van klaagster heeft de notaris zich ten onrechte neergelegd bij de mededelingen van de erven A en daarbij aangegeven dat de geschilpunten voldoende duidelijk zijn besproken. Klaagster stelt zich verder op het standpunt dat de notaris niet of onvoldoende reageert op de vele door haar aangedragen vragen en opmerkingen. Ook heeft de notaris zich ten onrechte neergelegd bij de weigering van de erven A om rekening en verantwoording af te leggen. Daarbij heeft de notaris volgens klaagster onvoldoende waarde toegekend aan het rapport van de accountant. Ook zijn onder verantwoordelijkheid van de notaris bankafschriften zoekgeraakt. Bij dit alles heeft klaagster diverse opmerkingen gemaakt over de declaratie van de notaris en de tussentijdse conceptdeclaratie.

4.2 De notaris stelt zich op het standpunt dat door hem correct is gehandeld in opdracht van de erven A en de erven B. De notaris geeft aan dat het feit dat de nalatenschap na tien jaar nog niet is afgehandeld hem niet kan worden verweten. De notaris wijst er op dat hij geen enkel machtsmiddel heeft om de erven te dwingen. Naar de mening van de notaris dienen erven die het niet eens kunnen worden over de omvang van de nalatenschap dit voor te leggen aan de rechter. De notaris heeft de erven daar schriftelijk op gewezen. Ook geeft de notaris aan dat oud-notaris [B] is geraadpleegd en dat deze samen met hem een gesprek heeft gehad met de erven A. Ook zijn de erven B uitgenodigd om een afspraak te maken, maar daar is geen gebruik van gemaakt. Voor het overige wijst de notaris op zijn brief van 15 september 2005 waarin hij opnieuw een verdeling voorstelt en zijn einddeclaratie halveert.

4.3 In een brief van 13 oktober 2005 heeft de notaris klaagster meegedeeld dat, nu men niet wenst in te gaan op het afwikkelingsvoorstel, door hem als notaris niets meer gedaan kan worden. De notaris geeft verder aan dat alvorens door hem weer werkzaamheden zullen worden verricht, de nota volledig zal moeten zijn betaald. Ook zal voor eventuele verdere werkzaamheden eerst een voorschot worden gevraagd.

5 Overwegingen

5.1 Ingevolge artikel 98, eerste lid, Wna zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

5.2 In artikel 99, twaalfde lid, Wna is bepaald dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

5.3 Gelet op hetgeen door en namens klaagster op schrift en ter zitting is aangevoerd is de Kamer van oordeel dat de klacht betrekking heeft op het handelen van de notaris en niet het handelen van de, destijds nog, kandidaat-notaris mr. [A] betreft.

5.4 De onderhavige klacht is bij brief van 28 juli 2005 bij de Kamer binnengekomen op 29 juli 2005. Nu de Wet op het notarisambt bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennis genomen, is de klacht slechts ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op handelingen of gestelde handelingen van de notaris die liggen na 29 juli 2002.

5.5 Met de betrekking tot de klacht over het handelen van de notaris sedert 29 juli 2002 overweegt de Kamer het volgende.

In de basis stond voor klaagster niet zozeer het handelen van de notaris ter discussie, maar is vooral het standpunt ingenomen dat duidelijkheid moest worden verkregen omtrent omvang en besteding van de gelden van erflaatster in de periode voor haar overlijden. Met name heeft klaagster voorgestaan dat de erven A die duidelijkheid zouden verstrekken. Sedertdien en derhalve ook sedert juli 2002 is sprake van daaruit voorvloeiende meningsverschillen met de notaris over de wijze waarop de door klaagster gevraagde duidelijkheid kan worden verkregen. Met name zou de notaris volgens klaagster een meer actieve rol moeten innemen en bovendien zijn vele door haar opgeworpen vragen niet beantwoord.

Naar het oordeel van de Kamer dient een notaris zonodig een bemiddelende rol in te nemen. Daar moet echter wel bij bedacht worden dat de notaris afhankelijk is van de wijze waarop de erven met elkaar communiceren en willen communiceren. Dit is geen keuze van de notaris en de gevolgen van de wijze van communiceren kunnen hem derhalve niet worden aangerekend. Bovendien is van meet af aan voor de notaris duidelijk geweest dat het gaat om een verschil van mening tussen de erven waarvan gezegd is dat de erven B dit aan de rechter kunnen voorleggen. Dat daar inmiddels al gedurende ruim tien jaar niet voor gekozen is, is geen keuze van de notaris. Ook kan hem niet worden verweten dat hij daar onvoldoende op heeft aangedrongen. Dit geldt ook voor het aandringen op het verstrekken van duidelijkheid door de erven A. Immers de erven B hebben reeds in 1996 een accountantsonderzoek in laten stellen. Daarin is door de toenmalige kandidaat-notaris bemiddeld. Niet duidelijk is waar wat dat betreft nog inbreng van de notaris nodig zou zijn. Daarbij is ook van belang dat al in de brief van 17 maart 1995 door de notaris een verdelingsvoorstel is gedaan. De daarin gemaakte keuzes worden in feite nog steeds door de notaris onderschreven en naar het oordeel van de Kamer kan niet gezegd worden dat het voorstel in de gegeven omstandigheden niet juist is. De Kamer is verder van oordeel dat de notaris al wel in een eerder stadium had kunnen aandringen op afwikkeling. De notaris had door meer of opnieuw duidelijkheid te geven over zijn positie en mogelijkheden de sturing in de afwikkeling meer in handen kunnen nemen. Dit zou niet hebben geleid tot het innemen van het door klaagster gewenste standpunt, maar wellicht wel tot een eerdere afsluiting. De Kamer acht dit echter in het geheel van de omstandigheden niet klachtwaardig. Bovendien heeft de notaris klaagster reeds in zijn brief van 30 december 2002 uitgenodigd om voorstellen en mogelijkheden te bespreken en is klaagster daar niet op in gegaan.

5.6 Voor zover klaagster heeft aangegeven dat de notaris ten onrechte tot het beëindigen van de werkzaamheden heeft besloten overweegt de Kamer het volgende.

Naar het oordeel van de Kamer mag een notaris niet licht besluiten tot het beëindigen van zijn werkzaamheden. In ieder geval zullen verschillen van inzicht niet snel een rechtvaardiging voor het beëindigen opleveren. Naar het oordeel van de Kamer moet het gaan om meer bijzondere omstandigheden die leiden tot de slotsom dat er geen vertrouwensbasis meer is. Naar het oordeel van de Kamer doet die situatie zich hier voor. Ondanks het aspect dat sprake is van meerdere erfgenamen en uiteindelijk ook sprake is van een vrij abrupte beëindiging van het werk heeft de notaris naar het oordeel van de Kamer niet onjuist gehandeld. De notaris mocht op basis van de brieven van klaagster aannemen dat de erven B geen enkel vertrouwen hebben in zijn professionele standpunt. Bovendien zijn in feite alle werkzaamheden verricht en is niet gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan de notaris niet tot zijn standpunt mocht komen.

5.7 Gelet op het voorgaande is de Kamer van oordeel dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard voor zover deze handelt over werkzaamheden of handelingen van de notaris welke zijn verricht voor 29 juli 2002. De klacht is voor het overige ongegrond.

6 BESLISSING

De kamer van toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarissen te Almelo,

- verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op het handelen van de notaris voor 29 juli 2002;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, voorzitter, mr. G. van Eerden, J.E. Huisman, mr. C.J. Wesseling en mr. E. Willems, leden en door de voorzitter in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman als secretaris in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2006.

Tegen deze beslissing van de kamer van toezicht kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Afschrift verzonden: 8 maart 2006