Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY3887

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
04/348 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De onderhavige surfzeilen moeten worden ingedeeld onder post 9506 21 00 van het GDT. Aan een zustermaatschappij van belanghebbende is evenwel in 1996 een BTI verstrekt voor een soortgelijk surfzeil, waarbij deze is ingedeeld onder post 3926 90 99 van het GDT. Belanghebbendes beroep op artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW slaagt, mede gelet op het door de inspecteur destijds gevoerde beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/348 DK

de dato 4 juli 2006

1. De procedure

1.1. Op 20 januari 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen, ingediend door J.C. Moree (Moree Gelderblom Advocaten te Rotterdam), namens de besloten vennootschap met beperkte aan-sprakelijkheid X te Z, belang-heb-bende, aangevuld bij brief van 23 februari 2004.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst / Douane Rotterdam (hierna: de inspecteur) van 11 december 2003, kenmerk ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op het aanslagbiljet van 24 december 2002, nr. ..., vermelde uitnodigingen tot betaling ten bedrage van in totaal € 15.375,98 aan douanerechten ongegrond is verklaard.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 232,-- geheven. Op 10 juni 2005 is een verweerschrift van de inspecteur ingekomen.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juli 2005. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak met kenmerk 04/0349 DK. Namens belanghebbende zijn verschenen J.C. Moree en A, alsmede namens de inspecteur B en C. Belanghebbende heeft een pleitnota met bijlage voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft kennis kunnen nemen van de bijlage en zich daarover kunnen uitlaten. De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota’s en bijlage worden tot de gedingstukken gerekend.

1.4. De Douanekamer heeft na evenvermelde zitting het vooronderzoek heropend. Op 13 juli 2005 heeft de griffier van de Douanekamer partijen verzocht een product te overleggen dat representatief is voor de in het geding zijnde goederen alsmede een beschrijving van deze goederen. Op 11 augustus 2005 is de reactie van de inspecteur ingekomen. Belanghebbende heeft op 24 augustus 2005 een schriftelijke reactie ingezonden, alsmede een surfzeil en een dvd.

1.5. De nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 30 mei 2006. Namens belanghebbende zijn verschenen J.C. Moree, D en E, alsmede namens de inspecteur F. Partijen hebben elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota’s worden tot de gedingstukken gerekend.

1.6. De Douanekamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst, heeft bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat en heeft de inspecteur verzocht nadere informatie te verstrekken. Bij brief van 12 juni 2006 heeft de inspecteur de Douanekamer geïnformeerd. Aan belanghebbende is de gelegenheid gegeven op deze brief te reageren, van welke gelegenheid zij op 16 juni 2006 gebruik heeft gemaakt. Partijen hebben in voormelde schriftelijke reacties tevens toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de jaren 2000 en 2001 - voor zover van belang - 18 aangiften voor het vrije verkeer gedaan van goederen omschreven als “andere werken van kunststof, zijnde zeilen”. Als geadresseerde staat op de aangiften vermeld “G B.V., H B.V., c.s. (…) ”. De goederen zijn aangegeven onder post 3926 90 99 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: GDT).

2.2. Bij de aangiften zijn certificaten van oorsprong gevoegd alsmede facturen. Op deze facturen en certificaten staan verschillende goederenomschrijvingen vermeld waaronder “plastic sail”, “sail”, al dan niet met typenummer of “wave”, al dan niet met typenummer. In een aantal gevallen staat op de facturen de post 9506 29 00 van het GDT vermeld, welke post met de hand is veranderd is 3926 20 00; soms staat de post 3926 90 99 van het GDT vermeld. De bijgevoegde facturen en de certificaten staan op naam van de besloten vennootschap H B.V.

2.3. Vijftien van de onder 2.1. vermelde aangiften zijn “wit” geselecteerd hetgeen inhoudt dat de aangiften globaal gecontroleerd zijn; de aangiftegegevens zijn uitsluitend vergeleken met de gegevens in de bij de aangifte behorende bescheiden. Drie van de aangiften zijn groen/oranje geselecteerd hetgeen inhoudt dat de verificatie van de aangiften is aangehouden. Ook deze aangiften zijn globaal gecontroleerd. De inspecteur heeft uiteindelijk in alle gevallen de aangiften gevolgd.

2.4. Tot de stukken behoort een op 19 juni 1996 door de inspecteur aan de besloten vennootschap I B.V. afgegeven bindende tariefinlichting met het nummer NL-19960520-567-0119-0 (hierna: BTI). De aanvrager van de BTI is J. Deze BTI betreft de als volgt omschreven goederen:

“WINDSURFZEIL VAN DOORZICHTIG KUNSTSTOF EN TEXTIEL. HET ZEIL HEEFT EEN DRIEHOEKIGE VORM EN IS VOORZIEN VAN ZES KUNSTSTOF SPANLATTEN. DE HOOGTE LANGS DE MAST GEMETEN BEDRAAGT 390 CM. DE BREEDTE, OP HET BREEDSTE PUNT GEMETEN BEDRAAGT 150 CM. HET ZEIL WORDT GELEVERD IN EEN BIJBEHOREND FOEDRAAL VAN NYLON WEEFSEL.”

Als handelsbenaming wordt vermeld “.. RACING VX 4.0”. Deze goederen worden in de onderhavige BTI ingedeeld onder post 3926 90 99 van het GDT.

2.5. Eind 2001 hebben de douaneautoriteiten een controle achteraf als bedoeld in artikel 78 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) ingesteld bij de vennootschappen die tezamen de fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting “G B.V./ H B.V.” vormen. In het ter zake van het onderzoek opgemaakte rapport staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Naam G B.V. (met de daartoe behorende werkmaatschappijen)

(…)

1.4. Concernstructuur

- De onderneming wordt gedreven in de vorm van een Besloten Vennootschap (B.V.).

- De aandelen zijn in het bezit van K B.V.

- De bij de G. behorende werkmaatschappijen zijn 100% dochterondernemingen van K B.V. (…)

(…)

Windsurfbordzeilen

De in de controleperiode ingevoerde windsurfbordzeilen zijn veelal aangegeven met goederencode 3926 9099 90 als andere werken van kunststof, zijnde zeilen. Tijdens het onderzoek is met gebruikmaking van:

- de administratie van G;

- ter plaatse bekeken windsurfbordzeilen;

- handelscatalogi;

- BTI NL19960520-567-0119-0;

- HBI 2 en 3 ;

- en verder ons ten dienste staande gegevens het volgende bevonden.

1e De afgegeven BTI heeft betrekking op windsurfbordzeilen ... Racing VX 4.0. Dit type windsurfzeil was volgens informatie van G tijdens de controleperiode niet meer in de handel. Deze BTI kan niet dienen voor andere types windsurfbordzeilen.

2e Een windsurfbordzeil is een deel / toebehoren van een windsurfboard. Volgens aantekening 3 op hoofdstuk 95 moeten deze zeilen daarom worden ingedeeld met goederencode 9506 2100 00.

Aantekening 2v op hoofdstuk 39 sluit artikelen van hoofdstuk 95 uit.”

2.6. Naar aanleiding van de onder 2.5. vermelde controle heeft de inspecteur de goederen ingedeeld onder postonderverdeling 9506 21 00 van het GDT. In verband met de gewijzigde indeling en de daardoor verschuldigde douanerechten - 2,7% in plaats van 0% - heeft de inspecteur op 24 december 2002 de onder 1.1. genoemde uitnodigingen tot betaling uitgereikt voor een bedrag van € 15.375,98. Op het aanslagbiljet inzake deze uitnodigingen tot betalingen staat voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Reden

In opdracht van I B.V. (G) zijn in de periode 2000 tot medio 2002 diverse aangiften ten invoer tot verbruik gedaan voor surfzeilen. Na een administratieve controle bij de importeur en een aanvullende controle bij uw bedrijf is vastgesteld dat deze zeilen ten onrechte zijn aangegeven als andere werken van kunststof met goederencode 3926 9099 90.”

2.7. Tot de stukken behoort een verklaring van A, directeur van de besloten vennootschap G B.V., naar aanleiding van het resultaat van de onder 2.5. vermelde controle. In deze verklaring is onder meer het volgende vermeld:

“In punt 3.1.2. van het controlerapport komen de door ons ingevoerde windsurfzeilen aan de orde. met verbijstering heb ik kennis genomen van het standpunt van de Douane met betrekking tot de door hen eerder verstrekte BTI (…) De douane stelt dat de BTI alleen betrekking heeft op windsurfzeil .. Racing VX 4.0. Laatstgenoemde veronderstelling is mijns inziens onjuist. Vanwege de omstandigheid dat de ons ingevoerde zeilen niet van geweven stoffen zijn, was er ten tijde van de aanvrage van de BTI bij ons onduidelijkheid over welke goederencode te gebruiken. We zijn derhalve in contact getreden met de douane en hebben op verzoek een zeil opgestuurd dat beschouwd kon worden als representatief voor de gehele range van de door ons verhandelde zeilen van bedoeld type. Dat de douane in de BTI de typeomschrijving van het door hen beoordeelde zeil vermelde leek ons logisch omdat immers aangegeven dient te zijn welk zeil onderzocht is, teneinde dat er later nog duidelijkheid over zou bestaan dat de beoordeling door de douane inderdaad een zeil van het bedoelde type heeft betroffen. Alle sindsdien door ons ingevoerde zeilen waren van een zelfde samenstelling en constructie als voornoemde ... Racing VX 4.0. Wij zien dan ook geen enkele aanleiding voor de door de douane voorgestelde correctie.”

2.8. Tot de stukken behoort voorts een verklaring van D, medewerker van de besloten vennootschap I B.V., inzake het materiaal waar de ingevoerde surfzeilen uit bestaan. In deze verklaring is onder meer het volgende vermeld:

“De .. VX Racing is exact hetzelfde qua materiaal opbouw als alle andere zeilen uit de .. collecties van af 1988 en verder. De VX 4.0 is niet anders opgebouwd dan alle andere .. zeilen die we sindsdien hebben verhandeld.”

2.9. Nadat belanghebbende op 20 januari 2003 bezwaar had ingediend tegen de onder 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling, heeft de inspecteur bij uitspraak van 11 december 2003 het bezwaar afgewezen.

2.10 Belanghebbende heeft aan de Douanekamer een monster overgelegd van het surfzeil type .., type VX uit 2000 en 2001. Dit zeil bestaat uit doorzichtig kunststof, een masthouder van textiel en zeven lathouders van textiel. Het doorzichtige kunststof is aan alle zijden aan het textiel vastgenaaid.

2.11. Tot de stukken behoort een verklaring van L, medewerker van belanghebbende, gedagtekend 7 juli 2005, waarin het volgende staat vermeld:

“De destijds afgegeven BTI voor de surfzeilen was voor ons een leidraad om de zendingen volgens die instructie in te klaren. (…) Op het moment dat wij een zending binnen kregen (…) waar surfzeilen bij zaten, keken wij altijd naar de omschrijving op de bijgevoegde factuur. Meestal stond er vermeld : zeilen (9506…) dit statistiek nummer wijzigde wij dan met de pen naar 3926… ter verduidelijking naar de douane toe, want dit stond immers vermeld in de BTI. Een enkele keer werden wij door de douane benaderd met de vraag waarom wij dit zo op de aangifte vermeldde, als antwoord stuurde wij dan een kopie van de BTI over de fax naar de douane, een enkele keer hebben wij een kopie afgegeven op verzoek van de douane. Wij zijn daarna nooit gebeld met de mededeling dat eea niet correct was, na zo’n gesprekje met de douane werd de zending altijd vrijgegeven. Voor ons dus geen enkele reden om aan te nemen dat er iets niet klopte.”

3. Het geschil

3.1. In geschil is of de uitnodigingen tot betaling terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de vaststelling van de onderhavige douaneschuld.

3.2. De relevante posten en onderverdelingen van het GDT luiden als volgt:

Post 3926 90 99

3926 Andere artikelen van kunststof en artikelen van andere stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914:

(...)

3926 90 -andere:

(...)

-- andere

--- andere

(...)

3926 90 99 ---- andere

Post 6306 31 00 en post 6306 39 00

6306 Dekkleden en zonneschermen voor winkelpuien en dergelijke; tenten; zeilen voor schepen, zeilplanken, zeilwagens en zeilsleden; kampeerartikelen:

(…)

- zeilen voor schepen, zeilplanken, zeilwagens en zeilsleden:

6306 31 00 -- van synthetische vezels

6306 39 00 -- van andere textielstoffen

Post 9506 21 00

9506 Artikelen en materieel voor lichaamsoefening, voor gymnastiek, voor atletiek, voor andere sporten (tafeltennis daaronder begrepen) of voor openluchtspelen, niet genoemd of begrepen onder andere posten van dit hoofdstuk; zwembaden en speelbadjes:

(...)

- waterski’s, surfplanken, zeilplanken en ander materieel voor de watersport:

9506 21 00 -- zeilplanken.

Voorts zijn voor de indeling van belang aantekening 2, letter v, op hoofdstuk 39 en aantekening 3 op Hoofdstuk 95, Toelichting. Deze teksten luiden als volgt:

HOOFDSTUK 39

KUNSTSTOF EN WERKEN DAARVAN

Aantekeningen

2. Dit hoofdstuk omvat niet:

(…)

v) artikelen bedoeld bij hoofdstuk 95 (bijvoorbeeld speelgoed, spellen, sportartikelen);

en

HOOFDSTUK 95

SPEELGOED, SPELLEN, ARTIKELEN VOOR ONTSPANNING EN SPORTARTIKELEN; DELEN EN TOEBEHOREN DAARVAN

Aantekeningen

(…)

3. Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, worden delen en toebehoren waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de artikelen bedoeld bij dit hoofdstuk, ingedeeld als deze artikelen.

Voorts is voor de indeling van belang de GS-Toelichting bij post 95.06 waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:

Van deze post zijn uitgezonderd:

(…)

f. zeilen voor schepen, zeilplanken of zeilwagens (post 63.06);

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende beroept zich voor de indeling van de surfzeilen op de BTI. Deze BTI is destijds aangevraagd omdat het niet duidelijk was onder welke post de goederen moesten worden aangegeven. Voordat de BTI was afgegeven werden de zeilen aangegeven onder post 9506 21 00 van het GDT. Daarna werd conform de indeling van de BTI aangegeven onder tariefpost 3926 90 99 van GDT. Kennelijk werd er destijds door de douane niet vanuit gegaan dat de zeilen waren te beschouwen als onderdeel van een surfplank. De BTI is nooit ingetrokken. Dat er nieuwe ontwikkelingen zijn met betrekking tot de gebruikte materialen voor surfzeilen is niet relevant.

4.2. Belanghebbende stelt voorts volkomen te goeder trouw te hebben gehandeld. De ambtenaren wijken af van een door henzelf verstrekte indeling. Belanghebbende is van mening dat het navorderen van douanerechten, nu zij deze rechten niet meer kan verhalen, onredelijk is.

4.3. Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 12 juli 2005 heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. De BTI is op naam gesteld van I B.V. In casu is H B.V. de materieel belanghebbende. Beide zijn dochters van K Holding B.V., en beide behoren tot dezelfde fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting.

De BTI is aangevraagd om onduidelijkheid te voorkomen. In het verleden is door de douane meerdere malen gevraagd naar de BTI en belanghebbende heeft deze telkens gefaxt naar de douane. Daarna werd de aangegeven indeling telkens akkoord bevonden. Het is wel erg makkelijk om nu te stellen dat er met betrekking tot de op de BTI vermelde indeling sprake is van een ambtelijke dwaling die geen gevolgen heeft voor de in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling. De aangegeven indeling is immers in het verleden diverse malen na met de douane gevoerde gesprekken gevolgd. Ter onderbouwing verwijst belanghebbende in dit verband naar de verklaring van L.

4.4. Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 30 mei 2006 heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. Het overgelegde monster is gelijk aan de in 2000 en 2001 ingevoerde zeilen. Een exact identiek zeil is niet meer beschikbaar. De afmetingen van de ingevoerde zeilen verschillen weliswaar - zowel qua afmeting van het zeil als qua afmeting en aantal van de benodigde latten - van het typenummer waar de BTI betrekking op heeft, maar het soort zeil is wat materiaal en samenstelling betreft helemaal gelijk. Het overgelegde monster is dus representatief voor de ingevoerde zeilen. De BTI is afgegeven aan IB.V., een zustermaatschappij van H B.V.. Beide vennootschappen behoren tot de fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting “fiscale eenheid G B.V. c.s.”. Beide vennootschappen hielden zich binnen deze fiscale eenheid bezig met de invoer van surfzeilen. De importeur in deze zaak was H Benelux B.V. Beide vennootschappen hebben gehandeld conform de aan I B.V. verstrekte BTI. Ook ingeval van invoer in opdracht van H B.V. werd de BTI regelmatig aan de douane overgelegd, waarna in overleg de aangifte - conform de BTI - werd gevolgd.

Het verzoek om een vergoeding voor de reiskosten vervalt. Er wordt slechts verzocht om de forfaitaire vergoeding van de proceskosten als geregeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De indeling van de goederen als zodanig is niet in geschil. De goederen worden nu aangegeven onder post 9506 21 00 van het GDT. Het geschil betreft slechts de vraag het vertrouwensbeginsel, met name gelet op de afgegeven BTI en het overleg met de douane, aan de navordering in de weg staat.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Op grond van aantekening 3 op Hoofdstuk 95 worden delen of toebehoren waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de artikelen bedoeld bij dit hoofdstuk ingedeeld als deze artikelen. Op grond van indelingsregel 1 en 6 moeten de zeilen worden ingedeeld onder post 9506 21 00 van het GDT.

5.2. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat de BTI van 1996 vertrouwen heeft gewekt dat de surfzeilen onder tariefpost 3926 konden worden ingedeeld geldt ten eerste dat de BTI is afgegeven aan I B.V. en dat de goederen zijn bestemd voor H B.V. Dat betekent dat belanghebbende geen beroep kan doen op deze BTI. Daarenboven heeft de BTI geen betrekking heeft op de ingevoerde goederen. Ook om die reden kan belanghebbende geen rechten ontlenen aan de BTI.

5.3. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel geldt dat alleen de uitsluitingsgronden van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW gelden. Dienaangaande geldt dat er geen sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf.

5.4. Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 12 juli 2005 heeft de inspecteur daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. Eigenlijk had de BTI aan I B.V. niet afgegeven mogen worden. Er is sprake van een dwaling. Een zustermaatschappij kan zich echter niet op deze BTI beroepen. Deze is immers geen rechthebbende. Soms wordt echter wel naar de BTI gekeken en wordt deze gevolgd. In casu geldt echter dat de BTI niet juist is. Voorts geldt dat belanghebbende de BTI ook niet vermeldt in de aangifte. Drie van de achttien aangiften zijn groen/oranje geselecteerd, vijftien aangiften zijn wit geselecteerd. Geen van de aangiften is meer dan globaal gecontroleerd.

5.5. Tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 30 mei 2006 heeft de inspecteur daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. Het overgelegde monster is soortgelijk aan de ingevoerde goederen maar niet identiek. Het monster is derhalve representatief voor de ingevoerde goederen. Met betrekking tot de BTI is sprake van een ambtelijke dwaling. Cruciaal in deze procedure is dat belanghebbende niet de rechthebbende is van deze BTI. Indien belanghebbende echter de BTI van de zustermaatschappij bij de litigieuze aangiften zou hebben overgelegd dan zou de indeling vermeld in de BTI zijn gevolgd. Dat is beleid van de douane en als zodanig is dit ook neergelegd in het Handboek Douane. Belanghebbende heeft echter bij de onderhavige 18 aangiften de BTI niet overgelegd. Was dat wel het geval geweest, dan was de indeling uit de BTI gevolgd. Mogelijk heeft zij dat wel gedaan bij andere aangiften ten invoer en is de indeling van de BTI dientengevolge, in overleg, gevolgd. Dat is gelet op het door de douane gevoerde beleid goed mogelijk, maar op dit moment niet na te gaan.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige surfzeilen moeten worden ingedeeld onder post 9506 21 00 van het GDT. De Douanekamer volgt partijen hierin nu dit standpunt geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en wordt gedragen door de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden.

6.2. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat navordering niet mogelijk is omdat zij geheel te goeder trouw, conform de in 1996 aan I B.V. afgegeven BTI, heeft gehandeld, geldt het volgende. Ingevolge artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) wordt niet tot boeking achteraf overgegaan ingeval het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Uit onder meer het arrest Deutsche Fernsprecher GmbH (H.v.J. 26 juni 1990, Jur. blz. 2535, zaaknummer C-64/89) blijkt dat voor de beoordeling of een vergissing door de betrokken ondernemer al dan niet kon worden ontdekt alle omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen.

6.3. Vaststaat dat de douaneautoriteiten in 1996 een BTI hebben verstrekt aan I B.V., een zustermaatschappij van belanghebbendes opdrachtgever, waarbij een zeil, soortgelijk aan de zeilen waarop de uitnodigingen tot betaling betrekking hebben, is ingedeeld onder post 3926 90 99 van het GDT. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat de indeling als vermeld in de BTI moet worden gezien als een ambtelijke dwaling van de douane. Belanghebbende heeft voorts gemotiveerd en ondersteund door de onder 2.11 weergegeven verklaring, aan welke verklaring de Douanekamer geen reden heeft te twijfelen, gesteld dat in het verleden bij de invoer van zeilen als de onderhavige - in opdracht van H B.V. - meerdere malen op verzoek van de douane de BTI uit 1996 is overgelegd, dit naar aanleiding van een met de pen in de bij de aangiften voor het vrije verkeer overgelegde facturen aangebrachte wijziging van de tariefpost, waarna de douane immer de aangifte volgde. De Douanekamer acht deze stelling aannemelijk. De Douanekamer neemt hierbij in overweging dat de inspecteur ter zitting van 29 mei 2006 heeft aangegeven dat de douane, in ieder geval ten tijde van de aangiften waarop de uitnodigingen tot betaling betrekking hebben, het beleid voerde om in gevallen waarin bij de aangifte voor het vrije verkeer een BTI wordt overgelegd van soortgelijke goederen, de indeling van deze BTI, hoewel afgegeven aan een derde, te volgen. De inspecteur heeft desgevraagd voorts erkend dat, zoals belanghebbende stelt, het mogelijk is dat in het verleden soortgelijke zeilen als de onderhavige zijn aangegeven onder post 3926 90 99 van het GDT en dat deze indeling door de douane is gevolgd na overleg en na overlegging van eerder vermelde BTI. De inspecteur benadrukt in dit verband echter dat er geen BTI is overgelegd met betrekking tot de litigieuze 18 aangiften ten invoer. Ingeval belanghebbende dit wel zou hebben gedaan, desnoods achteraf bij de verificatie van de aangiften, zouden de desbetreffende aangiften zijn gevolgd en zou correctie niet aan de orde zijn, aldus de inspecteur ter zitting van 30 mei 2006.

6.4. De Douanekamer is, gelet op de onder 6.3. vermelde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, van oordeel dat sprake is van een vergissing van de bevoegde douaneautoriteiten zelf die belanghebbende redelijkerwijze niet kon ontdekken, een en ander als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW. De Douanekamer neemt voor wat betreft de vraag of belanghebbende de vergissing redelijkerwijze niet kon ontdekken met name in overweging dat de douane de aangegeven tariefpost in het verleden meerdere malen heeft gevolgd na overlegging van evenvermelde BTI van de zustermaatschappij van belanghebbendes opdrachtgever en na overleg met belanghebbende ter zake. Belanghebbende hoefde onder die omstandigheden naar het oordeel van de Douanekamer niet te twijfelen aan de juistheid van de aangegeven indeling. Nu niet in geschil is dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en overigens aan alle voorschriften en bepalingen inzake de aangifte heeft voldaan, dient op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW boeking achteraf van een douaneschuld achterwege te blijven. De uitnodiging tot betaling is derhalve ten onrechte gedaan.

7. De proceskosten

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is vindt de Douanekamer aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding. De Douanekamer stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht op 3,5 (punten voor proceshandelingen) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 1690,50.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de uitnodigingen tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1690,50 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 232,-- aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 4 juli 2006 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. M.E. van Hilten en mr. E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.