Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY3871

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2006
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
1770/05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg huwelijkse voorwaarden, facultatief verrekenbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/117 met annotatie van BER
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 22 juni 2006 in de zaak met rekestnummer [….] van:

[…],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

procureur: mr. M.R. de Boorder,

t e g e n

[…],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. A. van Hees.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 16 november 2005 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 17 augustus 2005 van de rechtbank te Utrecht, met kenmerk [….].

1.3. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 20 april 2006 ter terechtzitting behandeld.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1986 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Hun huwelijk is [in] 2004 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van […] 2004 in de registers van de burgerlijke stand. [In] 2002 zijn zij feitelijk uiteengegaan.

2.2. Artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden (hvw) luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“Aan het einde van ieder kalenderjaar kunnen de echtgenoten tezamen voegen datgene, wat ieder van hen in het afgelopen jaar uit het in dat jaar door ieder van hen genoten inkomen heeft overgelegd.

Het op deze wijze door gezamenlijke besparing verkregen bedrag zal door beide echtgenoten bij helfte worden verdeeld. Het recht op verdeling vervalt wanneer partijen binnen zes maanden na afloop van het betrokken jaar hieromtrent geen regeling hebben getroffen.”

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is onder meer voor recht verklaard dat partijen op basis van hun huwelijkse voorwaarden dienen over te gaan tot verrekening waarbij uitgegaan wordt van de peildatum 31 december 2001.

Deze beschikking is gegeven op het zelfstandig verzoek van de vrouw terzake van het verrekenbeding te gelasten dat (door de man) een boedelbeschrijving wordt opgemaakt ter zake van het te verrekenen vermogen dat hij onder zich heeft, de peildatum voor de verrekening vast te stellen op 25 januari 2002 subsidiair 3 maart 2003 en het bedrag, in beginsel de helft van het vermogen van de man, vast te stellen dat de man terzake van het verrekenbeding aan de vrouw zal moeten betalen, vermeerderd met de vertragingsrente vanaf de peildatum 3 maart 2003, dan wel de datum van indiening van haar verweerschrift, dan wel een zodanige datum als de rechtbank juist zou achten.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, - naar het hof begrijpt - het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen en voor recht te verklaren dat partijen niet op basis van hun huwelijksvoorwaarden en evenmin op basis van de wet c.q. het recht alsnog behoeven over te gaan tot verrekening, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3.3. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Kort gezegd verschillen partijen van mening over de uitleg van artikel 5 hvw. Zij zijn niet jaarlijks tot verrekening overgegaan en ieder der partijen beantwoordt de vraag of de plicht daartoe bestond anders.

Volgens de man was er geen sprake van een verplichting, maar van een bevoegdheid tot verrekening. Daar wijst het woord “kunnen” in artikel 5 op. Volgens hem wilden partijen destijds hun vermogens en de inkomsten daaruit strikt gescheiden houden, omdat de vrouw uit een vermogende familie kwam, maar wilden zij wel de gelegenheid hebben om eventueel tot vermogensverschuiving over te gaan zonder dat er fiscale problemen zouden ontstaan. Zij hebben uitdrukkelijk beoogd af te wijken van het Amsterdams verrekenbeding en om die reden een facultatief verrekenbeding toegepast, na daarover uitvoerig met de notaris, [X], te hebben gesproken. Een dergelijk beding was in die tijd en op dat notariskantoor zeer gebruikelijk.

4.2. De vrouw betwist dat partijen zich toentertijd uitvoerig hebben laten informeren door de notaris. De door de man in het geding gebrachte verklaring van [X] van 14 november 2005 is volgens haar innerlijk tegenstrijdig en ondersteunt de stelling van de man onvoldoende. Volgens haar moet niet naar de letterlijke tekst van de huwelijkse voorwaarden worden gekeken, maar naar de bedoeling van partijen. Die bedoeling was bespaarde inkomsten die een gevolg zijn van gezamenlijke inspanning bij helfte te verrekenen. Voor het gescheiden houden van door schenkingen of erfenissen verkregen familievermogen zijn immers geen huwelijkse voorwaarden nodig. De uitleg van de man van artikel 5 hvw is bovendien niet logisch, omdat de enkele weigering van een der partijen dan al bevrijdend zou werken, hetgeen de hvw tot een ‘dode letter’ zou maken. Dit alles klemt volgens de vrouw temeer, omdat de man tijdens het huwelijk een veel hoger inkomen had dan zij, zij bij aanvang van het huwelijk na gezamenlijk overleg is gestopt met werken en zij in het begin van het huwelijk niet of nauwelijks schenkingen van haar familie ontving, niet was uitgesloten dat in de loop van het huwelijk erfenissen en/of schenkingen van de kant van de familie van de man te verwachten waren.

4.3. Het hof stelt voorop dat het bij huwelijkse voorwaarden aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (HR 28 november 2003, NJ 2004, 116).

4.4. Met de man is het hof allereerst van oordeel dat de tekst van artikel 5 hvw (met name door de woorden "kunnen" en "regeling" in de eerste respectievelijk de laatste regel van het artikel, als onder 2.2 geciteerd) het standpunt van de man ondersteunt dat partijen destijds hebben beoogd een facultatief verrekenbeding overeen te komen, dat wil zeggen dat tussen hen geen verplichting tot jaarlijkse verrekening zou bestaan, maar (slechts) de mogelijkheid daartoe in het geval zij dat beiden wensten. Daar komt het volgende bij.

4.5. In zijn (als productie 26 bij het beroepschrift) overgelegde brief van 14 november 2005 schrijft [X], de notaris die bij het passeren van de akte werd waargenomen door [Y], het volgende (het hof heeft daarbij spellingsfouten gecorrigeerd):

“U legde mij over een kopie van de huwelijksvoorwaarden tussen [de man] en [de vrouw] verleden in mijn protocol [in] 1986. U vroeg mij een toelichting op de achtergrond van de tekst van art. 5. (...) De door mij veelvuldig gebruikte tekst in huwelijksvoorwaarden zoals deze ook is toegepast in de onderhavige huwelijksvoorwaarden wijkt af van het bekende “Amsterdams verrekenbeding”. In de tachtiger jaren van de vorige eeuw werd duidelijk dat het Amsterdams verrekenbeding grote problemen opleverde bij toepassing in de praktijk over de vraag wat “besparing” betekent en welke bron van besparing in aanmerking moet worden genomen. Teneinde duidelijkheid te scheppen voor partijen is door mij veelal een facultatief verrekenbeding toegepast zoals ook in artikel 5 van de onderhavige huwelijksvoorwaarden. Ik vertelde partijen dat de fiscale faciliteit in de huwelijksvoorwaarden is opgenomen zodat beperkte vermogensoverheveling zonder betaling van schenkingsrecht kan plaatsvinden, maar dat partijen elkaar nooit konden dwingen tot verrekening van onduidelijke bedragen. Bij het passeren gebruikte ik meer of minder dezelfde bewoording bij de uitleg van de te tekenen tekst. De onderhavige akte is verleden voor [Y] als mijn plaatsvervanger. Over zijn belering bij het passeren kan ik dus geen informatie verstrekken. Hij was echter zeer lang aan kantoor verbonden en zeer goed op de hoogte waarom deze tekst van artikel 5 in het algemeen zo werd toegepast. (...)”

Met deze brief is voldoende aannemelijk geworden dat het destijds ten kantore van [X] gebruikelijk was dat een facultatief verrekenbeding, als door de man gesteld, werd overeengekomen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de advocaat van de man ter terechtzitting in hoger beroep heeft geciteerd uit een brief van prof. [Z], die - kort gezegd - inhoudt dat de door [X] gebruikte formulering indertijd veelvuldig om fiscale redenen werd gebruikt en dat hier om een facultatief verrekenbeding gaat.

4.6. Verder heeft de man in zijn schriftelijke reactie ("verweerschrift") op het verweerschrift in hoger beroep van de vrouw, sub 7, gesteld dat [Y] heeft medegedeeld dat het zijn gebruik is om cliënten altijd de huwelijksvoorwaarden toe te lichten en artikelsgewijs met hen door te nemen en dat hij er dan ook van uitgaat dat hij partijen [in] 1986 (de datum van het verlijden van de akte; hof) heeft geïnformeerd over de inhoud van de huwelijksvoorwaarden. Hetgeen de vrouw in reactie daarop tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht (pleitnota, sub 8) kan te dezen niet als voldoende gemotiveerde betwisting van de inhoud van die mededeling gelden. Het hof gaat er dan ook van uit dat [Y] partijen artikel 5 heeft uitgelegd en wel – gelet op voormelde brief van [X] – als facultatief verrekenbeding.

4.7. Dat de man ten tijde van het opstellen van de hvw geen (substantieel) vermogen had en de vrouw uitzicht had op schenkingen en erfenissen, maakt naar het oordeel van het hof ook aannemelijk dat het in de bedoeling van partijen lag hun vermogens strikt gescheiden te houden en geen verplichting tot verrekenen in de hvw op te nemen. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat huwelijkse voorwaarden voor het “privé houden” van haar familievermogen niet noodzakelijk waren. De schenker respectievelijk erflater kan immers ten aanzien van de schenking respectievelijk in zijn testament laten vastleggen dat de schenking of nalatenschap niet in enige gemeenschap van goederen of onder de werking van een verrekenbeding valt. Dit moge zo zijn, de onderhavige huwelijksvoorwaarden stellen dit buiten kijf, ook als de schenker/erflater de uitsluitingsclausule niet mocht hebben gemaakt. Bovendien is door art. 5 van de hvw duidelijk dat ook de inkomsten uit dergelijk vermogen niet behoeven te worden verdeeld.

4.8. De vrouw heeft voorts gesteld dat het niet de bedoeling van partijen kan zijn geweest een facultatief verrekenbeding op te stellen, omdat zij vóór aanvang van het huwelijk al hadden besloten dat de vrouw zou stoppen met werken; haar diploma als fysiotherapeute werd in de regio in Duitsland waar de man een baan aangeboden had gekregen, niet erkend. Bovendien hadden partijen een kinderwens. Partijen hadden dus, zo stelt de vrouw, een traditioneel huwelijk en daarbij past een verrekenbeding als door haar gesteld.

De man heeft deze stelling van de vrouw betwist. Het is - volgens hem - de eigen keuze van de vrouw geweest te stoppen met werken. Overigens is eerst een jaar na aanvang van het huwelijk gebleken dat de vrouw haar werkzaamheden in de regio waar partijen woonden niet kon uitvoeren. De man verkeerde in de veronderstelling dat de vrouw haar werkzaamheden (gedeeltelijk) weer zou oppakken, hetgeen ook is gebeurd in [Duitse plaats], maar ook in Nederland.

Nu de man betwist dat bij aanvang van het huwelijk voor partijen duidelijk was dat zij een traditioneel huwelijk zouden voeren waarbij de man de kostwinner was en de vrouw zorgdroeg voor het huishouden, en de vrouw van haar onderhavige stelling geen bewijs heeft aangeboden, kan er niet van worden uitgegaan dat ten tijde van het passeren van de hvw reeds duidelijk was dat partijen een traditioneel huwelijk zouden hebben. Aan het enkele gegeven dat partijen, achteraf bezien, feitelijk een traditioneel huwelijk hebben gehad, kan niet de conclusie worden verbonden dat partijen bij het opstellen van de hvw een dergelijk huwelijk voor ogen hebben gehad.

4.9. Uit het feit dat partijen een gezamenlijke betaalrekening en een spaarrekening hadden, leidt de vrouw af dat het kennelijk de bedoeling van partijen was dat van deze rekeningen, nadat de kosten van de huishouding ten laste van het saldo waren voldaan, voor beide partijen in gelijke mate een bedrag resteerde en dat het dus niet de bedoeling van partijen was hun vermogen en de inkomsten daaruit strikt gescheiden te houden.

Het enkele feit dat partijen gezamenlijke bankrekeningen hadden is naar het oordeel van het hof echter onvoldoende om te oordelen dat partijen de bedoeling hadden hun vermogens niet (langer) strikt gescheiden te houden.

4.10. Voornoemde omstandigheden leiden het hof tot de conclusie dat de uitleg die de man aan artikel 5 hvw geeft de juiste uitleg is en dat het bij het sluiten van de hvw de bedoeling van partijen was een facultatief verreken-beding op te stellen. Hieraan doet niet af dat een van beide partijen het dus in zijn macht had verrekening tegen te houden. Tegenover het door de man gestelde heeft de vrouw onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, laat staan aangeboden te bewijzen, die tot het oordeel nopen dat de uitleg anders zou moeten zijn.

4.11. Van een voorwaardelijk verrekenbeding, als door de vrouw in eerste aanleg gesteld (pleitnota d.d. 27 juni 2005, sub 12) is geen sprake, terwijl het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW toepassing mist, omdat in casu van een verrekenplicht geen sprake is.

4.12. Ten slotte leiden de door de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep (sub 36-38) gestelde feiten en omstandigheden, indien al juist, niet tot het oordeel dat de toepassing van artikel 5 hvw, als door het hof uitgelegd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.13. Er is onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zoals door de man is verzocht. Deze kosten zullen worden gecompenseerd, omdat partijen gewezen echtelieden zijn.

4.14. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek tot verrekening van de vrouw af;

verklaart voor recht dat partijen niet op basis van hun huwelijkse voorwaarden hoeven over te gaan tot verrekening.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.M. Smit, J.A.M. de Wit en J.J.M. Bruinsma in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2006 door de rolraadsheer.