Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY3391

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2006
Datum publicatie
26-07-2006
Zaaknummer
04/02234
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Gerechtshof. Een behoorlijke procesorde brengt mee dat de omstandigheid dat belanghebbende zekerheidshalve bij twee verschillende gerechtshoven beroep heeft ingesteld er niet toe mag leiden dat belanghebbende hierdoor, terwijl zij aan alle formele vereisten heeft voldaan, haar beroepsmogelijkheid bij het bevoegde gerechtshof zou hebben verspeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/52.6 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1411 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Elfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, Duitsland, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P (hierna: de inspecteur).

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie van het Gerechtshof te Amsterdam op 11 juni 2004 een beroepschrift ingekomen. Het beroep is aangevuld bij brieven van 21 december 2004 en 22 juni 2005. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van 6 mei 2004 betreffende de met dagtekening 17 december 2003 aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.

1.2. Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.963. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.963. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag.

1.3. De inspecteur heeft, ook na daartoe gerappelleerd te zijn, geen verweerschrift ingediend. De inspecteur heeft bij brief van 10 augustus 2005 een reactie op de oproep voor de zitting ingediend. Belanghebbende heeft bij brief van 30 augustus 2005 nadere stukken ingediend.

1.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 6 september 2005. Belanghebbende is verschenen, tot bijstand vergezeld van Y. Namens de inspecteur is verschenen A. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de inspecteur in de gelegenheid te stellen te reageren op de brief van belanghebbende van 21 december 2004 welke brief de inspecteur niet bekend was en waarvan hem alsnog ter zitting een kopie is verstrekt. Belanghebbende heeft met dagtekening 14 september 2005 en 17 september 2005 brieven aan het Hof gezonden. De griffier heeft kopieën van deze brieven doorgestuurd naar de inspecteur en hem in de gelegenheid gesteld op deze brieven te reageren. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 14 oktober 2005. Belanghebbende heeft daarop gerepliceerd bij brief van 31 oktober 2005. De griffier heeft een afschrift van deze brief aan de inspecteur doen toekomen. De inspecteur heeft gereageerd bij brieven van 7 april 2006 en 10 mei 2006. Partijen hebben beiden schriftelijk aangegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven.

1.5. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft op 25 juni 2003 per diskette aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.643. De inspecteur heeft de aanslag, gedagtekend 17 december 2003, in afwijking van de aangifte berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.963. Tevens is de ingehouden loonheffing met € 481 verhoogd tot € 3.360. Tot de stukken behoort geen brief waarin belanghebbende wordt bericht van het voornemen van de inspecteur af te wijken van de aangifte en de reden daarvan.

2.2. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 6 mei 2004, met als briefhoofd van de afzender “Belastingdienst (…) P”, heeft de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot een bedrag van € 18.963. In deze uitspraak op bezwaar staat vermeld dat de motivering van de beslissing belanghebbende reeds afzonderlijk is meegedeeld. Deze motivering behoort evenwel niet tot de stukken. Ter zitting van 6 september 2005 is tussen partijen komen vast te staan dat deze motivering niet is verstuurd naar belanghebbende. Ter zitting van 6 september 2005 is eveneens komen vast te staan dat de vermindering van € 1.000 is opgebouwd uit € 500 aan buitengewone uitgaven en € 500 aan onderhoudsverplichtingen. Met betrekking tot de mogelijkheid in beroep te gaan staat in de uitspraak op bezwaar het volgende vermeld:

“Tegen deze uitspraak kunt u in beroep gaan. Vóór 17 juni 2004 moet uw beroepschrift ingediend zijn bij het gerechtshof. Vermeld altijd de reden en om welke uitspraak het gaat. Voeg een kopie van deze uitspraak toe. Als u in beroep gaat, bent u griffierecht verschuldigd/ U ontvangt hiervoor een rekening.

Bij welk gerechtshof u een beroepschrift moet indienen, is afhankelijk van de provincie waarin u woont. Woont u buiten Nederland, dan is het afhankelijk van de provincie waar uw belastingkantoor is gevestigd.

(…)

Uw belastingkantoor

Belastingdienst P”

2.3. Ter zitting van 6 september 2005 is tussen partijen komen vast te staan dat de correctie van het belastbaar inkomen van € 4.320 en de correctie van de ingehouden loonheffing van € 481 betrekking heeft op een door belanghebbende in 2002 van het UWV ontvangen bedrag, dat door belanghebbende niet was vermeld in haar aangifte omdat zij ervan uitging dat dit bedrag niet tot haar belastbaar inkomen behoorde omdat zij dit bedrag nog dient terug te betalen.

2.4. Ter zitting van 6 september 2005 is voorts komen vast te staan dat belanghebbende op 25 juni 2004 is verhuisd van Q naar Duitsland.

2.5. Belanghebbende heeft op 11 juni 2004 beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft belanghebbende op 30 juni 2004 een nota griffierecht verzonden welke nota belanghebbende op 27 juli 2004 heeft voldaan. Belanghebbende heeft op 9 juni 2004 beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft belanghebbende op 26 juli 2004 een nota griffierecht verzonden, welke nota belanghebbende niet heeft voldaan.

2.6. Tot de stukken behoort een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 24 februari 2005 waarin het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Limburg van de rijksbelastingdienst op het bezwaarschrift betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het ter zake van het instellen van het beroep verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de griffier belanghebbende op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen.

2.7. In het beroepschrift voert belanghebbende aan dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een aftrekpost reiskosten, ziektekosten en studiekosten. De aftrekpost ziektekosten specificeert belanghebbende in de brief van 21 december 2004 als volgt:

AGIS ziektekosten € 485

apotheekkosten € 23

werkgeversdeel ZFW € 672

werknemersdeel ZFW € 197

chronisch ziekenaftrek € 730

totaal € 2.107

2.8. De inspecteur merkt met betrekking tot de door hiervoor onder 2.7. vermelde aftrekpost ziektekosten in zijn brief van 14 oktober 2005 het volgende op:

“Het totaal van deze kosten (€ 1.377) blijft beneden de drempel van 11,2% van het verzamelinkomen (...) Wat er derhalve zij van de opgevoerde punten, zij leiden niet tot een aftrekpost. (...) De uitgaven wegens chronische ziekte zijn tot en met 2003 geregeld in artikel 6.20, 1e lid Wet IB 2001. (...) Overigens geldt als voorwaarde voor deze aftrekpost dat bij de berekening van het verzamelinkomen van belanghebbende over de twee voorafgaande kalenderjaren (2000 en 2001) buitengewone uitgaven in aftrek zijn gekomen. Alleen al in 2001 was dit niet het geval.”

2.9. Belanghebbende specificeert in de brief van 31 oktober 2005 de aftrekpost ziektekosten als volgt:

AGIS ziektekosten € 485

apotheekkosten € 23

werkgeversdeel ZFW € 672

werknemersdeel ZFW € 197

chronisch ziekenaftrek € 730

UWV-GAK premie werkgeversdeel € 742,68

Werknemersdeel € 201,68

totaal € 3.151

Belanghebbende merkt voorts in vorenvermelde brief op dat de berekening op het aanslagbiljet evident niet klopt. Op het bijgevoegde afschrift van het aanslagbiljet staat het volgende vermeld:

“Berekening van het te betalen bedrag

Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen € 4 800

Ingehouden loonheffing ” af € 3 360

Eerdere voorlopige aanslag(en) af € 399

In rekening gebrachte heffingsrente bij € 48

€ 1 887”

Belanghebbende merkt op dat een en ander resulteert in een te betalen bedrag van € 1.089.

2.10. Tot de stukken behoort een “Mededeling Verrekening of terugbetaling” gedagtekend 3 september 2003 waarin de Belastingdienst aan belanghebbende meedeelt dat de negatieve aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2002 ten bedrage van € 408 is verrekend met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001.

2.11. Tot de stukken behoort voorts een jaaroverzicht van het UWV/GAK waarop voor zover hier van belang staat vermeld:

“Werkgeversdeel ZFW € 742,68

Werknemersdeel ZFW € 201,20”

2.12. Bij brief van 7 april 2006 deelt de inspecteur het Hof mee dat hij geen bezwaar heeft tegen het achterwege laten van een tweede (nadere zitting). Voorts staat in de brief onder meer het volgende vermeld:

“Met uw brief zendt u mee een brief van belanghebbende aan het Gerechtshof Amsterdam gedateerd 31 oktober 2005 en ingekomen bij het Gerechtshof Amsterdam op 14 november 2005 (...)

Mijn standpunt heeft tot gevolg dat het Gerechtshof Amsterdam naar mijn mening zolang de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in stand blijft in deze geen rechtsgeldige uitspraak kan doen. Strikt formeel gezien had naar mijn mening de zitting van 6 september 2005, nu het Gerechtshof Amsterdam op de hoogte was van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, niet door mogen gaan.”

2.13. Bij brief van 10 mei 2006 deelt de inspecteur het Hof onder meer het volgende mee:

“Met dagtekening 9 september 2003 is een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 vastgesteld (…) leidende tot een terug te ontvangen bedrag van € 408 (€ 399 aanslag en € 9 heffingsrente). (Deze € 408 is verrekend met een openstaande bedrag van 2001.) In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende schrijft op de handgeschreven pagina met rechtsboven het nummer III moet de € 399 niet worden afgetrokken maar (omdat het een teruggaaf betreft) worden opgeteld. De uitkomst is dus € 1.488 + 399 = € 1.887.

(…)

Belanghebbende maakt iedere keer een andere telling van de ziektekosten. (…) In de brief gedateerd 31 oktober 2005 op de handgeschreven pagina met rechtsboven de letter b staat een opstelling van de ziektekosten van € 3.151. Betreffende deze laatste opstelling merk ik het volgende op.

- De door belanghebbende in haar brief genoemde bedragen tellen op tot € 3.051,36 in plaats van € 3.151.

- Agis € 485. Mij is niet geheel duidelijk welke premie hiermee wordt bedoeld.

- Onduidelijk is hoe belanghebbende aan de bedragen € 672 en € 197 komt. Bij welke werkgevers horen deze bedragen?

(…)

Bij de uitspraak op het bezwaarschrift is ten onrechte, ter bekorting van de bezwaarschriftprocedure, een persoongebonden aftrek van € 1.000 verleend. Zo er al recht bestaat op een aftrek van wegens ziektekosten, dan wordt dit ruim gecompenseerd door de ten onrechte verleende persoonsgebonden aftrek van € 1.000. Het belastbaar inkomen is niet te hoog vastgesteld.”

3. Geschil

Het geschil betreft uiteindelijk nog het antwoord op de volgende vragen:

i: Is het Gerechtshof te Amsterdam bevoegd kennis te nemen van het geschil en uitspraak te doen?

ii: Heeft belanghebbende recht op aftrek van buitengewone uitgaven in de zin van artikel 6.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001, destijds geldende tekst (hierna: de Wet), hetgeen belanghebbende verdedigt en de inspecteur betwist. Zo het gelijk aan belanghebbende is beroept de inspecteur zich op de omstandigheid dat in de bezwaarfase het belastbaar inkomen reeds ten onrechte is verminderd met € 1.000 welk bedrag is opgebouwd uit € 500 aan buitengewone uitgaven en € 500 aan onderhoudsverplichtingen.

iii: Klopt de berekening van de aanslag?

iv: Heeft belanghebbende ook indien het beroep ongegrond is recht op een tegemoetkoming in de proceskosten?

Uiteindelijk is niet meer in geschil dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van reiskosten en studiekosten. Ook is komen vast te staan dat uiteindelijk niet meer in geschil is dat de inspecteur terecht het bedrag van € 4.320 ontvangen van het UWV heeft bijgeteld bij het belastbaar inkomen uit werk en woning en de ingehouden loonheffing heeft gecorrigeerd met een bedrag van € 481.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde op de zitting van 6 september 2006.

5. Beoordeling van het geschil

Vooraf ten aanzien van de bevoegdheid van het Gerechtshof te Amsterdam

5.1. Belanghebbende heeft tijdig bij zowel het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch als bij het Gerechtshof te Amsterdam beroep ingesteld, omdat, aldus heeft belanghebbende ter zitting verklaard, zij niet zeker wist welk gerechtshof bevoegd was, vanwege haar verhuizing naar Duitsland. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij na het indienen van het beroepschrift telefonisch inlichtingen heeft ingewonnen bij zowel de eenheid van de belastingdienst voor buitenlanders als bij het Gerechtshof te Amsterdam en zij heeft verklaard uit die inlichtingen te hebben begrepen dat het Gerechtshof te Amsterdam bevoegd was. Zij heeft om die reden het griffierecht bij het Gerechtshof te Amsterdam betaald en het griffierecht bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch niet betaald. Het Hof heeft geen reden aan deze verklaring van belanghebbende te twijfelen.

5.2. Zowel de aanslag als de uitspraak waartegen het beroep zich richt zijn vastgesteld c.q. gedaan door de inspecteur van de Belastingdienst/P. Tussen partijen is niet in geschil, aldus is ter zitting gebleken, dat belanghebbende op 25 juni 2004 is verhuisd naar Duitsland en dat zij tot die datum in Q woonde. Ingevolge artikel 27 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2004, hierna: Awr), juncto artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het gerechtshof binnen het rechtsgebied waarvan de indiener zijn woonplaats in Nederland heeft, bevoegd. Nu niet in geschil is dat belanghebbende ten tijde van het instellen van het beroep ( 11 juni 2004) haar woonplaats in Q had is het Gerechtshof te Amsterdam bevoegd. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat ook indien belanghebbende al op 11 juni 2004 zou zijn verhuisd naar Duitsland het Gerechtshof te Amsterdam bevoegd zou zijn gelet op de tweede volzin van artikel 8:7, tweede lid, laatste volzin, van de Awb, omdat de litigieuze uitspraak is gedaan door de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam.

5.3. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat nu het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 25 februari 2005 uitspraak heeft gedaan en hierbij belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, en deze uitspraak onherroepelijk vaststaat, het Gerechtshof te Amsterdam niet (meer) bevoegd is uitspraak te doen. Dat het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch mogelijk onbevoegd uitspraak heeft gedaan en dat belanghebbende daardoor geen rechtsingang meer heeft doet daar niet aan af, aldus de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting meegedeeld dat hij ook om deze reden er van heeft afgezien een verweerschrift in te dienen.

5.4. Het Hof deelt de opvatting van de inspecteur niet. Vaststaat dat belanghebbende tijdig beroep heeft ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Voorts staat vast dat belanghebbende tijdig het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Zoals hiervoor overwogen is het Gerechtshof te Amsterdam het bevoegde gerechtshof. Dit brengt mee dat naar ’s Hofs oordeel dit Hof bevoegd is belanghebbendes beroep te behandelen. De enkele omstandigheid dat het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 24 februari 2005, uitspraak heeft gedaan inzake een uitspraak op bezwaar van een inspecteur, door dat gerechtshof aangeduid als de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Limburg van de rijksbelastingdienst, doet hier niet aan af. In dit verband merkt het Hof op dat niet gebleken is en ook niet aannemelijk is dat evenvermelde functionaris een dergelijke uitspraak heeft gedaan. Het Hof is overigens van oordeel dat een behoorlijke procesorde meebrengt dat de omstandigheid dat belanghebbende zekerheidshalve bij twee verschillende gerechtshoven beroep heeft ingesteld er niet toe mag leiden dat belanghebbende hierdoor, terwijl zij aan alle formele vereisten heeft voldaan, haar beroepsmogelijkheid bij het bevoegde gerechtshof zou hebben verspeeld.

Vooraf ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar

5.5. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende, hoewel mogelijk niet binnen een termijn van zes weken na dagtekening van de aanslag ingediend, terecht ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld door ziekte niet tijdig te hebben kunnen reageren en de inspecteur heeft verklaard dat dit meebrengt dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is, nog daargelaten dat door allerlei verhuizingen vermoedelijk de aanslag ook niet naar het juiste adres is gezonden. Het Hof volgt partijen hierin.

Ten aanzien van het eigenlijke geschil

5.6. Ter zitting van 6 september 2005 is komen vast te staan dat uitsluitend nog in geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van buitengewone uitgaven. Ingevolge artikel 6.24, eerste lid, onderdeel b, van de Wet worden, voor zover hier van belang, buitengewone uitgaven in aanmerking genomen voorzover zij samen meer bedragen dan 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoongebonden aftrek. Deze drempel bedraagt in casu 11,2% van € 19.963 is € 2.236.

5.7. Belanghebbende heeft uiteindelijk bij de onder 2.9. vermelde brief van 31 oktober 2005 aangevoerd dat een bedrag van € 2.321 (Hof dit moet zijn € 2.320,88) te weten € 485+ € 23 + € 672 + € 197 + € 742,68 + € 201,68 (Hof moet zijn € 201,20) aan uitgaven wegens ziekte in aanmerking moet worden genomen, alsmede een bedrag van € 730 aan uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte in de zin van artikel 6.20 van de Wet zijnde in totaal € 3.050,88.

5.8. Met betrekking tot belanghebbendes stelling inzake de uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte geldt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich de situatie als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001 voordoet en dat, naar de inspecteur heeft meegedeeld en het Hof aannemelijk acht, ook in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het verzamelinkomen geen buitengewone uitgaven in aftrek zijn gekomen, zodat belanghebbendes stelling te dezer zake faalt.

5.9. Met betrekking tot de door belanghebbende gestelde bedragen aan uitgaven wegens ziekte geldt dat de inspecteur in zijn brief van 10 mei 2006 heeft aangegeven dat hem een aantal componenten waaruit het bedrag van € 2.321 is opgebouwd bestaat, te weten het bedrag Agis ad € 485 en de bedragen ad € 672 en € 197, niet duidelijk is.

Indien veronderstellenderwijs van het door belanghebbende gestelde bedrag van € 2.321 aan uitgaven wegens ziekte wordt uitgegaan geldt dat de drempel van € 2.236 met een bedrag van € 85 wordt overschreden, zodat maximaal een bedrag van € 85 aan buitengewone uitgaven in aanmerking kan worden genomen. De inspecteur heeft voor die situatie aangevoerd dat de aanslag zoals die is vastgesteld eerder te laag dan te hoog is, in verband met een in de bezwaarfase ten onrechte verleende aftrek voor buitengewone uitgaven van € 500, hetgeen belanghebbende ook niet heeft weersproken. Nu derhalve reeds rekening is gehouden met een hoger bedrag aan buitengewone uitgaven dan uit belanghebbendes stelling voortvloeit faalt belanghebbendes beroep te dezer zake, wat er verder ook zij van de door haar opgevoerde bedragen.

5.10. Met betrekking tot belanghebbendes stelling in haar brief van 31 oktober 2005 dat de berekening van de aanslag evident fout is en daarom, aldus begrijpt het Hof, dient te worden verminderd tot een bedrag van € 1.089 geldt dat deze stelling faalt. Het Hof acht aannemelijk de gemotiveerde stelling van de inspecteur, welke stelling ook wordt ondersteund door de door belanghebbende overgelegde, onder 2.10. vermelde, “Mededeling Verrekening of terugbetaling”, dat het bedrag van € 399 een voorlopige teruggaaf betreft. Dit brengt mee dat het bedrag van € 399 niet moet worden afgetrokken maar moet worden opgeteld bij de berekening van de verschuldigde belasting. De verschuldigde belasting is derhalve correct berekend. Dat op het aanslagbiljet, onder het kopje “Berekening van het te betalen bedrag” bij het bedrag van € 399 ten onrechte “af” staat vermeld doet hier niet aan af.

5.11. Indien en voor zover belanghebbende nog bedoelt te stellen dat de berekening van de ingehouden loonheffing niet klopt gelet op de “computeruitdraai belastingdienst” geldt dat deze stelling feitelijke grondslag mist en derhalve ook faalt.

Ook belanghebbendes overige in haar brief van 31 oktober 2005 alsnog ingenomen stellingen kunnen haar niet baten.

5.12. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard.

6. Proceskosten

6.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende niet althans onvoldoende weersproken heeft gesteld dat zij in de aanslagregelende fase niet op de hoogte is gesteld van de reden tot afwijking van de aangifte en dat vaststaat dat zij in de bezwaarfase geen motivering van de beslissing heeft gekregen. Belanghebbende heeft voorts onweersproken gesteld dat zij € 204 aan kosten heeft gemaakt bestaande uit reis- en verblijfkosten en kosten van een uittreksel uit een openbaar register, welke kosten het Hof aannemelijk acht. Het Hof stelt de aan belanghebbende te vergoeden proceskosten vast op € 204. Tevens dient de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht van € 37 te vergoeden.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond;

- gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 204 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 3 juli 2006 door mr E.M. Vrouwenvelder, lid van de Belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr C.M. Rentenaar-Groot als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.