Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY0243

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2006
Datum publicatie
04-07-2006
Zaaknummer
1698/2005 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klagers hebben kennelijk een onjuist beeld van de rol en de taak van de notaris. De notaris had de taak om in een akte neer te leggen wat partijen overeen waren gekomen. Indien blijkt dat partijen verschillende opvattingen hebben over de inhoud van de akte, dient de notaris behulpzaam te zijn bij het vinden van overeenstemming, maar hij kan dit niet forceren noch een beslissing nemen over de vraag wie van de erfgenamen gelijk heeft. De taak om een beslissing te nemen als de erfgenamen het onderling niet eens kunnen worden, is namelijk voorbehouden aan de civiele rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2006, 123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 29 juni 2006 in de zaak onder rekestnummer 1698/2006 NOT,

[A]

[B]

beiden woonachtig te [plaats],

APPELLANTEN,

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1.Van de zijde van appellanten, verder te noemen klaagsters, is bij een op 1 november 2005 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Zutphen, verder te noemen de kamer, van 13 oktober 2005, waarbij de klacht van klaagsters tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 30 november 2005 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingediend.

1.3. Van de zijde van klaagsters is op 10 maart 2006 een brief ter griffie ingekomen en op 3 april 2006 hebben zij nog een brief met bijlagen ingediend.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 april 2006. Klaagsters zijn, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, niet verschenen. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagsters

4.1. Klaagsters verwijten de notaris in de eerste plaats dat hij heeft geweigerd de wijzigingen van de vaststelling van de erfdelen - zoals door klaagsters voorgesteld - te verwerken in een nieuw concept. Dienaangaande heeft de notaris klaagsters gesuggereerd water in de wijn te doen. Toen bleek dat klaagsters hiertoe niet bereid waren, heeft de notaris snel het dossier gesloten. Klaagsters kwalificeren dit handelen van de notaris als oplichting. In dat verband weigert de notaris klaagsters een bedrag van € 6.388,-- te vergoeden.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt dan wel zijn medewerking heeft verleend aan het opmaken van een valse akte. Aangezien de boekhouder, R.L. [C], verder te noemen: [C], de verklaring inzake het kwijtschelden van de rente over de lening van [T] sr. aan [T] jr., niet heeft opgemaakt en de notaris weigert te zeggen wie wél de verklaring heeft opgesteld, maakt de notaris zich schuldig aan valsheid in geschrifte, aldus klaagsters.

4.3. Ten slotte wordt de notaris verweten dat hij er voor had moeten zorgdragen dat zijn kantoorgenoot mr. [V], geen akte van kwijting zou hebben opgesteld voor een bij de notaris in bewaring gegeven schuldbekentenis.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist de stellingen van klaagster ten stelligste en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris heeft op basis van gegevens van de bewindvoerder een conceptakte opgesteld, waarop alle erfgenamen hun reactie konden geven. Klaagsters hebben de notaris laten weten niet akkoord te gaan met de in het concept opgenomen vermogensopstelling. De bewindvoerder, de heer [K], en [T] jr. bleken zich echter niet te kunnen vinden in de voorgestelde wijzigingen. De notaris heeft daarop door het voeren van enkele besprekingen en het versturen van enkele brieven getracht de verschillende erfgenamen tot elkaar te brengen. Over een aantal belangrijke punten in de vermogensopstelling bleek echter geen overeenstemming te bereiken. Omdat van tevoren bekend was dat niet alle erfgenamen met de inhoud van de akte zouden instemmen, was het zinloos om een nieuw concept op te stellen. Vervolgens heeft de notaris klaagsters gewezen op de mogelijkheid om een gerechtelijke vaststelling te vragen. In dat verband heeft hij aangeboden een proces-verbaal op te stellen waarin geconstateerd wordt dat geen overeenstemming is te bereiken, indien een erfgenaam hem daartoe de opdracht zou geven. Aangezien de notaris een dergelijke opdracht niet heeft ontvangen, heeft hij de erfgenamen bericht dat hij het dossier heeft gesloten.

5.3. De notaris heeft bovendien ten stelligste ontkend dat hij een valse onderhandse verklaring heeft opgesteld over het kwijtschelden van rente over de lening van [T] sr. aan [T] jr., dan wel zijn medewerking daaraan heeft verleend. [T] jr. heeft de notaris een kopie van de verklaring toegestuurd. De notaris heeft de overige erfgenamen hiervan in kennis gesteld. De notaris heeft verklaard niet te weten wie de verklaring heeft opgesteld. Indertijd heeft [T] jr. hem - daarnaar gevraagd - meegedeeld dat [C] deze verklaring zou hebben opgesteld.

5.4. Ten aanzien van het klachtonderdeel met betrekking tot de kwijting ten behoeve van een in bewaring gegeven schuldbekentenis, heeft de notaris betoogd dat [T] sr. en jr. zich op 20 juni 2003 tot zijn kantoorgenoot mr. [V] hadden gewend met het verzoek de schuldbekentenis terug te geven, aangezien de lening geheel was afgelost. Hierbij werd een betalingsbewijs overhandigd. De akte van bewaargeving verzette zich niet tegen teruggave.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.3. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.D.R.M. Boumans en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 29 juni 2006 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN DE KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ZUTPHEN

Klachtnummer: 05/2005

Beslissing inzake de klacht van:

1. [A],

wonende te [plaats], en

2. [T],

wonende te [plaats], en

3. [D],

wonende te [plaats],

klagers,

tegen

mr. [X],

notaris te [plaats].

Partijen worden in deze beslissing mede aangeduid als klagers en de notaris.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de klacht van 2 mei 2005 met bijlagen;

- de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht aan klagers van 17 mei 2005;

- de aanvullende brief van klagers van 20 mei 2005 met bijlagen;

- de aanvullende brief van klagers van 8 juni 2005 met bijlagen;

- de reactie van de notaris van 20 juni 2005 met bijlagen;

- de brief van de secretaris van de Kamer aan klagers van 21 juni 2005;

- de repliek van klagers van 30 juni 2005;

- de dupliek van de notaris van 12 juli 2005;

- het proces-verbaal van de openbare vergadering van de Kamer van 25 augustus 2005.

2. Vaststaande feiten

De navolgende feiten worden als vaststaand aangenomen:

2.1 Op 10 september 2002 is mevrouw [T] te [plaats] overleden. Erflaatster was gehuwd met de heer [T] sr. Uit dit huwelijk zijn geboren en in leven drie dochters en één zoon. Klaagsters sub 1 en 2 zijn dochters van erflaatster en klager sub 3 is de echtgenoot van klaagster sub 1.

2.2 Erflaatster had een testament opgemaakt ten behoeve van de langstlevende echtgenoot. In het testament zijn haar echtgenoot en haar kinderen met plaatsvervulling volgens de wet als haar erfgenamen benoemd. De nalatenschap betrof met name banksaldi en vorderingen op drie van haar kinderen en een ander familielid.

2.3 Na het overlijden van erflaatster zijn op verzoek van twee dochters en de zoon [T] jr. onderhandse schuldbekentenissen, die bij [T] sr. werden bewaard, in bewaring gegeven bij de notaris. De notaris heeft hiervan op 21 oktober 2002 een akte van bewaring opgesteld. Op 20 juni 2003 heeft de kantoorgenoot van de notaris, mr. drs. [V], de schuldbekentenis van [T] jr. aan [T] sr., gedateerd 16 december 1977, teruggegeven en een akte van kwijting opgesteld.

2.4 De heer [K] is op 19 november 2003 door de Kantonrechter te Apeldoorn benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van [T] sr. De notaris heeft met de aanvraag van de bewindvoering geen bemoeienis gehad.

2.5 De toenmalige advocaat van klaagsters sub 1 en 2, mr. P. Buikes, heeft de notaris verzocht om een akte van vaststelling erfdelen op te stellen. De notaris heeft op basis van de door de bewindvoerder verstrekte gegevens een concept opgesteld, dat hij bij brief van 7 april 2004 naar de betrokkenen heeft gezonden. Hij heeft daarbij een onderhands document, gedateerd 3 april 1998 en ondertekend door [T] sr. meegezonden. Hierin is vermeld dat [T] jr. onder bepaalde voorwaarden niet langer rente verschuldigd was over de door zijn vader aan hem op 16 december 1977 verstrekte lening.

2.6 In reactie op het concept hebben klaagsters sub 1 en 2 de notaris laten weten niet akkoord te gaan met de vermogensopstelling. Op 12 mei 2004 heeft de notaris een onderhoud gehad met de heer [T] jr. en de bewindvoerder de heer [K] over de reactie van klagers op het concept. De bespreking heeft geleid tot aanpassingen op enkele punten.

2.7 Op 25 augustus 2004 heeft bij de notaris een bespreking plaatsgevonden over de conceptakte met klagers, de andere zuster mevrouw [H] en hun advocaat. Uit deze bespreking is gebleken dat klagers niet akkoord gingen met de aangepaste vermogensopstelling. Daarnaast erkenden zij niet het onderhandse document, gedateerd 3 april 1998.

2.8 De notaris heeft bij brief van 16 september 2004 mr. Buikes bericht dat hij nogmaals een gesprek had gevoerd met [T] jr. en de bewindvoerder en dat zij bij hun standpunt bleven dat de conceptakte een juiste weergave was van de feitelijke situatie. De notaris heeft vervolgens geconstateerd dat, gezien de grote meningsverschillen tussen de zusters enerzijds en vader en zoon anderzijds, een vaststelling van de erfdelen in onderling overleg niet mogelijk was. Hij heeft klagers erop gewezen dat een vaststelling door de rechter kan worden gevraagd en dat hij, als hij een opdracht daartoe ontvangt, ten behoeve van deze procedure een notarieel proces-verbaal zal opstellen. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de heren [K] en [T] jr. een dergelijke opdracht niet hadden gegeven.

2.9 In zijn schrijven van 21 maart 2005 heeft de notaris klaagster sub 1 nogmaals bericht dat hij geen akte van vaststelling erfdelen kan opmaken omdat de partijen het onderling niet eens kunnen worden. Hij heeft meegedeeld dat hij het dossier heeft gesloten en hij heeft nogmaals gewezen op de mogelijkheid om een gerechtelijke vaststelling te vragen.

3. De klacht, de gronden waarop deze berust en het verweer

3.1 De klacht valt uiteen in drie onderdelen.

Klachtonderdeel 1: weigering conceptakte aan te passen.

De notaris heeft geweigerd de door klagers aangedragen wijzigingen in de conceptakte van vaststelling erfdelen in een nieuw concept te verwerken. De notaris is echter verplicht om de erfdelen van klaagsters 1 en 2 correct in de vermogensopstelling op te nemen. In plaats van de correcties op te nemen in een nieuw concept doet hij klagers de suggestie om water bij de wijn te doen. Als blijkt dat klagers daar niet toe bereid zijn, sluit hij vervolgens snel het dossier. Hieruit blijkt dat hij heeft geprobeerd de zaak op te lichten.

Verder heeft de notaris geweigerd om klagers in dit verband een bedrag van ? 6.388,= te vergoeden.

Klachtonderdeel 2: verantwoordelijkheid voor een valse verklaring.

De notaris heeft klagers een brief van 3 april 1998 overhandigd die een valse verklaring bevatte. De heer [T] sr. heeft daarin verklaard dat de rente over de aan zijn zoon [T] jr. verstrekte lening tot en met 1997 is voldaan en dat hij verder geen rente meer verschuldigd zal zijn onder een aantal daarin genoemde voorwaarden. Het betreft hier valsheid in geschrifte die door de notaris dan wel onder zijn verantwoordelijkheid is gepleegd. De notaris heeft klagers meegedeeld dat de heer [C] deze verklaring naar waarheid heeft opgesteld. De heer [C] heeft tot eind 1997 de boekhouding verzorgd voor de heer [T] sr. De heer [C] heeft echter inmiddels schriftelijk verklaard dat de verklaring d.d. 3 april 1998 niet door hem is opgemaakt. Nu vaststaat dat de heer [C] de verklaring niet heeft opgemaakt en de notaris niet wil zeggen wie de verklaring wel heeft opgesteld, is het duidelijk dat de notaris zelf valsheid in geschrifte heeft gepleegd.

Klachtonderdeel 3: ten onrechte kwijting geven voor een in bewaring gegeven schuldbekentenis.

Notaris mr. [V], kantoorgenoot van de notaris, heeft ten onrechte de schuldbekentenis van [T] jr. aan zijn vader [T] sr. teruggegeven en een akte van kwijting opgesteld. [T] jr. had namelijk nog niet de rente over alle jaren betaald. Bovendien had mr. [V] de akte van kwijting niet mogen afgeven voordat ieders erfdeel was vastgesteld. Klagers achten de notaris hiervoor verantwoordelijk, omdat hij zich anders achter het handelen van zijn kantoorgenoot zou kunnen verschuilen. De notaris had ervoor moeten zorgen dat zijn kantoorgenoot geen kwijting kon geven voor een bij de notaris in bewaring gegeven schuldbekentenis.

3.2 De verweren van de notaris komen in het navolgende, voor zover nodig, aan de orde.

4. De beoordeling van de klacht

De heer [D] als klager

De echtgenoot van klaagster sub 1, de heer [D] is geen belanghebbende in die zin, dat hij geen erfgenaam in deze nalatenschap is. De heer [D] is echter zodanig actief betrokken geweest bij het gewraakte doen en laten van de notaris dat hij wel zelf als belanghebbende kan worden aangemerkt en mitsdien als klager in de klacht kan worden ontvangen.

Klachtonderdeel 1: weigering conceptakte aan te passen

4.1 De notaris heeft het volgende als verweer aangevoerd. Hij heeft op basis van gegevens van de bewindvoerder een conceptakte opgesteld, waar alle erfgenamen op konden reageren. Klaagsters sub 1 en 2 hebben de notaris laten weten niet akkoord te gaan met de in het concept opgenomen vermogensopstelling. De bewindvoerder, de heer [K], en [T] jr. bleken zich echter niet te kunnen vinden in de voorgestelde wijzigingen. De notaris heeft daarop in enige besprekingen en brieven getracht de verschillende erfgenamen tot elkaar te brengen. Over een aantal wezenlijke punten in de vermogensopstelling was echter geen overeenstemming te bereiken. Het was zinloos om een nieuwe conceptakte op te stellen, omdat van tevoren bekend was dat niet alle erfgenamen met de inhoud ervan zouden instemmen. Hij heeft vervolgens partijen gewezen op de mogelijkheid om een gerechtelijke vaststelling te vragen. Hij heeft in dat verband aangeboden een notarieel proces-verbaal op te stellen waarin geconstateerd wordt dat geen overeenstemming is te bereiken, indien een erfgenaam hem daartoe de opdracht zou geven. Aangezien hij een dergelijke opdracht niet heeft ontvangen, heeft hij de erfgenamen bericht dat hij het dossier heeft gesloten.

4.2 De Kamer is van oordeel dat de notaris hiermee juist heeft gehandeld. Hij is voortvarend opgetreden en heeft in voldoende mate getracht partijen tot elkaar te brengen. Nadat hem was gebleken dat partijen niet tot overeenstemming konden komen, heeft hij hun toereikend uitgelegd waar zijn taak ophield en wat hun mogelijkheden waren om alsnog tot een vaststelling van erfdelen te komen. Met zijn opmerking dat klagers wellicht wat water bij de wijn moesten doen, heeft hij getracht klagers een suggestie aan de hand te doen om uit de impasse te komen. Dit is geen onjuiste opmerking. Als beide partijen bereid zijn ieder op een aantal punten wat in te leveren, is dat immers een manier om alsnog tot overeenstemming te komen. Indien partijen daartoe niet bereid zijn, kunnen zij alleen uit de impasse komen door de zaak aan de rechter voor te leggen. Klagers hebben kennelijk een onjuist beeld van de rol en de taak van de notaris. De notaris had de taak om in een akte neer te leggen wat partijen overeen waren gekomen. Indien blijkt dat partijen verschillende opvattingen hebben over de inhoud van de akte, dient de notaris behulpzaam te zijn bij het vinden van overeenstemming, maar hij kan dit niet forceren noch een beslissing nemen over de vraag wie van de erfgenamen gelijk heeft. De taak om een beslissing te nemen als de erfgenamen het onderling niet eens kunnen worden, is namelijk voorbehouden aan de civiele rechter. Indien de notaris tegen de wensen van de andere erfgenamen in een akte had gepasseerd met daarin de volgens klagers juiste vermogensopstelling, hadden de andere erfgenamen hem met recht partijdigheid kunnen verwijten.

De Kamer heeft op haar beurt de taak om het handelen van de notaris te beoordelen. In het onderhavige geval heeft de notaris geheel terecht niet één van de strijdende partijen in het gelijk gesteld, doch verwezen naar de civiele rechter voor een gerechtelijke vaststelling van de erfdelen. De Kamer kan en mag evenmin als de notaris een oordeel geven over de vraag wie van de erfgenamen gelijk heeft en hoe dus de vermogensopstelling eruit zou moeten zien.

Overigens is in het geheel niet komen vast te staan dat de notaris heeft getracht klagers op te lichten.

Voorts is het de Kamer niet duidelijk geworden op welke vergoeding klagers doelen. De notaris heeft in zijn verweer verklaard dat hij geen boedelgelden onder zich heeft gehad. Voor zover klagers een schadevergoeding wensen voor het handelen dan wel nalaten van de notaris, dienen zij zich ook in dat geval tot de civiele rechter te wenden.

Het eerste klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 2: verantwoordelijkheid voor een valse verklaring

4.3 De notaris heeft ten stelligste ontkend dat hij een valse onderhandse verklaring heeft opgesteld over het kwijtschelden van rente over de lening van [T] sr. aan [T] jr., dan wel zijn medewerking daaraan heeft verleend. [T] jr. heeft de notaris een kopie van de verklaring toegestuurd. De notaris heeft de overige erfgenamen hiervan in kennis gesteld. De notaris heeft verklaard niet te weten wie de verklaring heeft opgesteld. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht hier nog aan toegevoegd dat [T] jr. hem indertijd desgevraagd heeft meegedeeld dat de heer [C] deze verklaring zou hebben opgesteld.

De Kamer ziet geen aanleiding aan dit verweer te twijfelen. Nu het geenszins is komen vast te staan dat de notaris een valse verklaring heeft opgesteld, dan wel zijn medewerking daaraan heeft verleend, is ook dit klachtonderdeel tevergeefs voorgesteld.

Klachtonderdeel 3: ten onrechte kwijting geven voor een in bewaring gegeven schuldbekentenis.

4.4 Het verwijt van klagers dat de notaris dan wel zijn kantoorgenoot notaris mr. [V] ten onrechte kwijting heeft gegeven voor een in bewaring gegeven schuldbekentenis van [T] jr. aan [T] sr. heeft de notaris gemotiveerd betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de heren [T] sr. en jr. zich op 20 juni 2003 tot zijn kantoorgenoot mr. [V] hadden gewend met het verzoek de schuldbekentenis terug te geven, aangezien de lening geheel was afgelost. Hierbij werd een betalingsbewijs overhandigd. De akte van bewaargeving verzette zich niet tegen teruggave.

De Kamer is met de notaris van oordeel dat zijn kantoorgenoot juist heeft gehandeld. Niets staat aan teruggave van een in bewaring gegeven schuldbekentenis in de weg als de schuldeiser, ten overstaan van de notaris en onder overlegging van een betalingsbewijs, verklaart dat de schuldenaar hem ter zake van de lening niets, dus ook geen rente, meer verschuldigd was. Het feit dat op dat moment nog niet ieders erfdeel was vastgesteld, doet hier niet aan af.

Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

4.5 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan verder buiten beschouwing worden gelaten, of omdat het in het voorgaande reeds is behandeld, of omdat het thans niet ter zake doet.

4.6 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

5. De beslissing

De Kamer:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D. Vergunst, voorzitter, dhr. E. Bos, mr W.M. Eijkelestam en mr. G.J.J. Stevelink, leden, mr. J.W.J.M. Schurink, plaatsvervangend lid, zulks in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2005.

secretaris voorzitter

Binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief, waarbij deze beslissing wordt toegezonden, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen de termijn van 30 dagen door het Gerechtshof te zijn ontvangen. Het adres van het Gerechtshof luidt: Gerechtshof te Amsterdam t.a.v. kamer 17A, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.