Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AX9104

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
05/00200
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Legesaanslag (2002) van het stadsdeel Amsterdam-Centrum opgelegd door kennelijk niet bevoegde ambtenaar.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 231, geldigheid: 2006-04-21
Gemeentewet 229, geldigheid: 2006-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1185
Belastingblad 2006/1086
V-N 2007/16.31

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X BV te Amsterdam, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het hoofd sector Bouwen en Wonen van het stadsdeel Amsterdam-Centrum, verweerder, gedagtekend 17 november 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde legesaanslag terzake van de vergunningaanvraag voor de splitsing van het pand A-straat 1 te Amsterdam, met dagtekening 30 december 2002.

Het beroep is behandeld ter zittingen van 2 december 2005 en 7 april 2006.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- vernietigt de aanslag,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 161 en wijst het stadsdeel Amsterdam-Centrum aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen,

- gelast het stadsdeel Amsterdam-Centrum het betaalde griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Aan belanghebbende is een legesaanslag opgelegd met de dagtekening 30 december 2002 (hierna: de aanslag). De kennisgeving waarop de aanslag is gedrukt vermeldt in het hoofd ‘stadsdeel Amsterdam-Centrum’. De bijgevoegde acceptgiro vermeldt als adressant eveneens stadsdeel Amsterdam-Centrum. De verschuldigde leges is na aftrek van een restitutie van 25 percent vastgesteld op € 2.681.

2. Verweerder heeft bij zijn verweerschrift de Verordening op de heffing en invordering van leges 2002, vastgesteld bij besluit van 12 december 2001, nr. 956, van de Gemeenteraad van Amsterdam (hierna: Legesverordening 2002), alsmede het Benoemings- en aanwijzingsbesluit van het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel, gedagtekend 16 december 2003 (hierna: Aanwijzingsbesluit) overgelegd.

3. Ter zitting van 2 december 2005 is verweerder door het Hof erop gewezen dat uit de gedingstukken niet is op te maken op welk(e) besluit(en) van het stadsdeel de aanslag is gebaseerd. In het proces-verbaal van de zitting dat bij brief van de griffier van 7 december 2005 aan verweerder is toegezonden is hierover het volgende vermeld:

“Ik verkeer in de veronderstelling dat er een legesverordening van het [stadsdeel] bestaat. Ook is het evenwel mogelijk dat de verordening destijds nog gemeentebreed was. Ik zal dat uitzoeken en laten weten op grond van welke verordening het stadsdeel bevoegd was de onderhavige aanslag op te leggen. Tevens zal ik u een aanwijzingsbesluit toezenden dat geldend was ten tijde van de dagtekening van de onderhavige aanslag. Ik zal het Hof de gevraagde inlichtingen en stukken doen toekomen vóór 30 december 2005.”

4. Bij brief aan het Hof van 13 december 2005 schrijft het Hoofd Financiële Administratie van het stadsdeel, onder meer het volgende:

“Naar aanleiding van uw verzoek (…) doe ik u hierbij het Benoemings- en Aanwijzingsbesluit 2002 in drievoud toekomen.

Ten aanzien van de Legesverordening op grond waarvan de legesaanslag is opgelegd, bericht ik u als volgt. De verordening die ten tijde van de datum waarop de aanvraag is ingediend van toepassing is, is de [Legesverordening 2002]. Deze verordening is gemeentebreed. De gemeente is in 2002 opgesplitst in meerdere stadsdelen. Vanaf 2003 kent het stadsdeel Centrum een eigen Legesverordening.”

Het bij deze brief overgelegde benoemings- en aanwijzingsbesluit betreft een besluit van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam van 21 december 2001.

5. Ter nadere zitting van 7 april 2006 is aan verweerder voorgehouden dat ook de bij brief van het stadsdeel van 13 december 2005 overgelegde stukken geen inzicht bieden in de vraag op welke besluiten van het stadsdeel de aanslag is gebaseerd. Ter nadere zitting heeft verweerder deze vraag niet beantwoord.

6. Uit de tot de stukken behorende kopie van de aanslag leidt het Hof af dat deze is opgelegd door een functionaris van het stadsdeel. Verweerder heeft geen stukken overgelegd waaruit is op te maken dat een functionaris van het stadsdeel bevoegd was tot het opleggen van die aanslag. Evenmin zijn stukken overgelegd waaruit is op te maken dat door of vanwege het stadsdeel enig besluit is genomen tot het in 2002 heffen van leges. Gelet hierop concludeert het Hof dat de aanslag kennelijk zonder een daartoe strekkende bevoegdheid is opgelegd.

7. Het Hof komt niet toe aan de behandeling van de overige beroepsgronden.

Proceskostenvergoeding

Het Hof acht termen aanwezig voor het veroordelen van verweerder in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof de proceskostenvergoeding vast op 1 [voor proceshandelingen] x € 322 x 0,5 [voor het gewicht van de zaak] = € 161.

De uitspraak is gedaan op 21 april 2006 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. O. Jansen als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.