Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AX9101

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
21-06-2006
Zaaknummer
04/01574
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na een boekenonderzoek wordt een naheffingsaanslag opgelegd en abusievelijk nogmaals een gelijke naheffingsaanslag over dezelfde feiten. Vervolgens vernietigt de inspecteur beide naheffingsaanslagen en legt tot slot wederom een naheffingsaanslag op. Het Hof oordeelt dat belanghebbende zich niet met succes kan beroepen op het vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-1179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de inspecteur te P, gedagtekend 11 maart 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1998 tot en met 2000 van f 28.952, met een boete van f 7.238.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de Derde Enkelvoudige Belastingkamer van 28 september 2005 en ter openbare zitting van de Derde Enkelvoudige Belastingkamer van 24 mei 2006.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- vernietigt de boete en laat de naheffingsaanslag voor het overige in stand,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 966 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen,

- gelast de Staat het betaalde griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende drijft in Z een onderneming die zich bezig houdt met de verkoop van vliegtickets. De inspecteur heeft op 9 november 2000 een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende – rapport met dagtekening 7 januari 2002 – waarbij onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting is gecontroleerd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“(...) (het) grootste deel van de inkopen in de controleperiode contant betaald.

(...)

2.4 Bewaarplicht administratie

De administratie over 1996 tot en met 1998 is niet bewaard gebleven. Volgens de verklaring van de heer A is de administratie over deze periode door zijn ex-vriendin na een ruzie weggegooid.

(…)

7 Loonbelasting

7.1 Aansluiting loonadministratie – financiële administratie

In 1999 en 2000 stemmen de aangegeven loonbelasting/premie volksverzekeringen niet overeen met de bedragen die op het loon zijn ingehouden. Over 1999 f 7.525 en over 2000 is f 5.125 te weinig afgedragen.

Correctie: 1999 meer loonbelasting f 7.525

Correctie: 2000 meer loonbelasting f 5.125

7.2 Loon in natura

De personeelsleden kunnen volgens de verklaring tickets met korting kopen. Van de verstrekking is geen aantekening gehouden. Wij zijn overeengekomen dat de waarde voor de loonbelasting van de verkrijging van de tickets wordt gesteld op een netto bedrag van f 600 per ticket. Het betreft twee tickets per jaar. (…)

(Dit) geeft de volgende correctie aan meer te betalen loonheffing:

(…)

1998 f 765 (…)

1999 f 798 (…)

2000 f 841 (…)

7.3 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Afdrachtverminderingen)

In 1999 en 2000 is afdrachtvermindering lage lonen en langdurig werklozen in mindering gebracht op de af te dragen loonbelasting. Deze vermindering heeft inhoudingsplichtige bepaald door steeds hetzelfde bedrag op de aangifte in mindering te brengen. Wij hebben de afdrachtvermindering herrekend aan de hand van de door de inhoudingsplichtige verstrekte gegevens en komen tot de conclusie dat over 1999 en 2000 te veel afdrachtvermindering is geclaimd.

Dit geeft de volgende correctie:

1999 minder afdrachtvermindering f 8.076

2000 minder afdrachtvermindering f 5.822”

2. In het beroepschrift is op materiële gronden tegen de naheffingsaanslag geen verweer gevoerd. Nu evenwel belanghebbende in een nader stuk, gedagtekend 21 september 2005, heeft verwezen naar een brief van 12 maart 2002 van A en deze brief is te beschouwen als een aanzet voor een verweer op materiële gronden, zonder dat deze uit die brief op zichzelf voldoende duidelijk zijn, heeft het Hof daarin bij brief van de griffier van 30 september 2005 aanleiding gevonden belanghebbende zijn standpunt (in materiële zin) nader te laten onderbouwen.

3. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij brief van diens gemachtigde van 30 november 2005. Hierin schrijft deze gemachtigde – samengevat – niet met een nadere onderbouwing te kunnen komen, omdat het daarvoor van belang zijnde gedeelte van de administratie niet (meer) voorhanden is. Belanghebbende stelt in dat verband dat hij ervan uitging dat A de desbetreffende bescheiden in juli 2002 heeft vernietigd, omdat hij ervan uitging dat de zaak was afgedaan.

4. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, ofschoon hij daartoe na de zitting van 28 september 2005 nog in de gelegenheid is gesteld, nagelaten zijn standpunt in materiële zin voldoende te onderbouwen. Daarvoor kan het ontbreken van administratieve bescheiden niet als excuus dienen, reeds omdat belanghebbende die bescheiden gedurende zeven jaar diende te bewaren, nog daargelaten de vraag of A terecht kon menen dat de zaak in 2002 was afgedaan.

5.1. Met betrekking tot de formeelrechtelijke grieven van belanghebbende oordeelt het Hof als volgt.

5.2. Op grond van de uitkomst van het boekenonderzoek is met dagtekening 26 maart 2002 een naheffingsaanslag opgelegd met nummer 1234.56.789.A.01.0500. Vervolgens heeft de inspecteur – op grond van hetzelfde feitencomplex – nogmaals en abusievelijk een naheffingsaanslag opgelegd met dagtekening 24 april 2002 en met nummer 1234.56.789.A.01.0501.

5.3. Belanghebbende heeft bij brief van 28 mei 2002 bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslag met nummer 1234.56.789.A.01.0501. Vervolgens is deze belastingaanslag op 20 juni 2002 verminderd tot nihil.

5.4. Bovendien heeft de inspecteur echter op 21 juni 2002 ook de naheffingsaanslag met nummer 1234.56.789.A.01.0500 verminderd tot nihil.

5.3. Op 1 april 2003 wordt door de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat beide (voormelde) naheffingsaanslagen ‘abusievelijk’ zijn verminderd tot nihil. De inspecteur heeft aangekondigd dat opnieuw een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, overeenkomstig de uitkomst van het boekenonderzoek. Deze brief, gericht aan A, heeft belanghebbende evenwel niet bereikt. De aldus aangekondigde naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 25 april 2003 en nummer 1234.56.789.A.01.0502. Gelijktijdig met deze naheffingsaanslag is op de voet van artikel 67f van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna AWR) een bestuurlijke boete opgelegd ter grootte van 25% van de niet betaalde belasting. Tegen deze belastingaanslag en boete is tijdig een bezwaarschrift ingediend.

6.1. Belanghebbende heeft gesteld dat hij aan de gang van zaken rond de in 2002 opgelegde belastingaanslagen, welke beide zijn vernietigd, het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat er niet opnieuw een belastingaanslag zou worden opgelegd.

6.2. Bij de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel door belanghebbende stelt het Hof voorop dat de inspecteur op grond van artikel 20, eerste volzin, AWR over de bevoegdheid beschikt om een naheffingsaanslag op te leggen, ook indien reeds eerder over hetzelfde tijdvak een naheffingsaanslag is opgelegd en ongeacht de afwezigheid van een nieuw feit. Gelet hierop acht het Hof de inspecteur in beginsel bevoegd tot het opleggen van de in geschil zijnde naheffingsaanslag (met nummer 1234.56.789.A.01.0502).

6.3. Bij de beoordeling van de stelling van belanghebbende gaat het er naar het oordeel van het Hof om of hij redelijkerwijs heeft kunnen menen dat de gang van zaken in 2002 berustte op een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende bij diverse gelegenheden is geïnformeerd over het standpunt – in materiële zin – van de inspecteur. Het Hof wijst in dit verband op het aan belanghebbende toegezonden controlerapport, op een tot de stukken behorend verslag van een gesprek met belanghebbende op 16 januari 2001, alsmede op een tot de stukken behorende brief aan A van 19 november 2001. Daarnaast zijn er, afgezien van het vernietigen van de in 2002 opgelegde naheffings-aanslagen, geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die erop wijzen dat evenvermeld vernietigen op een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur berustte. Dit geldt ook voor de ter zitting van 24 mei 2006 namens belanghebbende afgelegde verklaring dat het vernietigen was gebaseerd op overleg met de inspecteur in het kader van een bezwaarschrift, nu deze verklaring door de inspecteur is betwist en belanghebbende daarvoor geen nader bewijs heeft geleverd.

6.4. De hiervoor onder 6.3 vermelde feiten en omstandigheden brengen het Hof tot het oordeel dat belanghebbende aan de verminderingen tot nihil van de belastingaanslagen in 2002 als vermeld onder 5.3 en 5.4 redelijkerwijs niet de indruk heeft mogen ontlenen dat dit handelen berustte op een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur. Mitsdien faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel. Bovendien heeft belanghebbende, de onder 6.3 vermelde feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, redelijkerwijs moeten begrijpen dat die verminderingen zo duidelijk in strijd zijn met een juiste toepassing van de wet, dat hij ook op deze grond redelijkerwijs niet op handhaving van dat standpunt heeft mogen rekenen.

7. Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het zorgvuldigheidsbeginsel, in welk verband hij wijst op de verkeerde adressering van brieven en op de lange duur die met de effectuering van de bevindingen uit het boekenonderzoek is gemoeid. Naar het oordeel van het Hof kunnen deze omstandigheden – wat daarvan overigens mag zijn – niet leiden tot een vernietiging van de in geschil zijnde belastingaanslag.

8. Nu de inspecteur ter zitting van 24 mei 2006 heeft verklaard dat de bestuurlijke boete kan komen te vervallen is het beroep in zoverre gegrond.

9. Het Hof acht termen aanwezig voor het veroordelen van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof de proceskostenvergoeding vast op 3 [voor proceshandelingen: beroepschrift, verschijnen zitting, schriftelijke inlichtingen en nadere zitting] x € 322 x 1 [voor het gewicht van de zaak] = € 966.

De uitspraak is gedaan op 7 juni 2006 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. O. Jansen als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.