Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AX8850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
19-06-2006
Zaaknummer
1055/05 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij staat zich te afficheren door middel van het gebruik van zijn titel als gerechtsdeurwaarder of wel het gebruik van het woord beëdigd in samenhang met het woord taxateur, terwijl zijn werkzaamheden in geen enkele relatie staan tot het verrichten van ambtshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 15 juni 2006 in de zaak onder rekestnummer 1055/05 GDW van:

FEDERATIE VAN TAXATEURS, MAKELAARS EN VEILINGHOUDERS IN ROERENDE ZAKEN,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANT,

gemachtigde: mr. P.H. Ariëns Kappers

t e g e n

[...],

gerechtsdeurwaarder te [...],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. F.W. van Vloten.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 8 juli 2005 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij namens klager tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 7 juni 2005, waarbij de klacht van appellant tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel aan de gerechtsdeurwaarder.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 22 september 2005 een verweerschrift – met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 april 2006. Namens klager is de gemachtigde van klager verschenen vergezeld van mr. W. van Biemen. De gerechtsdeurwaarder en zijn gemachtigde zijn eveneens verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van een pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de bestreden beslissing van de kamer en zal deze beslissing derhalve vernietigen.

5. Het standpunt van klager

5.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij ten onrechte de titel van beëdigd taxateur r/z voert in advertenties in dag/weekbladen ter zake van de aankondiging van de verkoop van schilderijen, terwijl hij geen beëdigd taxateur is in de zin van de Wet op de kamers van koophandel 1997.

5.2. Bovendien wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij misbruik maakt van zijn titel en functie van gerechtsdeurwaarder doordat hij uit zijn eigen collectie en uit de collectie van zijn zoon schilderijen te koop aanbiedt, terwijl hij het naar buiten toe doet voorkomen alsof hij daarbij als onafhankelijk gerechtsdeurwaarder betrokken was.

5.3.Ten slotte wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat hij taxatierapporten uitgeeft in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder en op briefpapier voorzien van een voorgedrukt deurwaarderszegel.

6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

6.1. De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt.

6.2. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat de handelingen die hem worden verweten betrekking hebben op gedragingen die door de wetgever als nevenactiviteiten zijn toegestaan.

6.3. De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens naar voren gebracht dat hij door het voeren van zijn titel bij aankondiging van verkopingen niet verwijtbaar handelt, aangezien hij de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder heeft en de aanstaand koper aldus weet dat hij een bepaalde standaard van de verkoper mag verwachten.

6.4. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder onder de aandacht gebracht dat de toevoeging van beëdigd zijn, zijns inziens een vorm van versiering is, omdat reeds uit de eed zoals voorzien in artikel 9 van de Gerechtsdeurwaarderswet, verder te noemen de Gdw, volgt dat hij de eed heeft afgelegd.

6.5. Ten slotte heeft de gerechtsdeurwaarder aangegeven dat hij het verenigbaar met zijn ambt acht dat hij een schriftelijke verklaring kan opmaken met betrekking tot door hem waargenomen feiten van stoffelijke aard.

7. De ontvankelijkheid van de klacht betreffende het voeren van de titel van beëdigd taxateur r/z

Voor zover klager klaagt over het voeren van de titel beëdigd taxateur is het hof van oordeel dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de klacht niet ziet op enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder, zoals bepaald in de Gdw. Het staat de gerechtsdeurwaarder vrij zich taxateur te noemen, nu de wettelijke bescherming van de titel beëdigd taxateur met ingang van 1 januari 2000 is komen te vervallen. Klager kan dan ook niet worden ontvangen in zijn klacht met betrekking tot dit onderdeel.

8. De beoordeling voor zover thans aan de orde

8.1. Het hof is van oordeel dat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij staat zich te afficheren door middel van het gebruik van zijn titel als gerechtsdeurwaarder of wel het gebruik van het woord beëdigd in samenhang met het woord taxateur, terwijl zijn werkzaamheden in geen enkele relatie staan tot het verrichten van ambtshandelingen. Het betreft hier immers de particuliere verkoop van schilderijen. Ook staat het de gerechtsdeurwaarder niet vrij in dezen gebruik te maken van papier met een voorgedrukt deurwaarderszegel, nu dit gebruik hier eveneens niet enige ambtshandeling betreft. Door zich al dus te presenteren wekt de gerechtsdeurwaarder bij belanghebbenden de indruk dat er met betrekking tot de te verkopen objecten enige relatie bestaat met de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder. Dit is misleidend. Dit klachtonderdeel zal het hof gegrond verklaren.

8.2. Het hof kan de gerechtsdeurwaarder niet volgen in zijn betoog dat uit het enkele feit dat hij destijds door de kantonrechter beëdigd zou zijn, rechtstreeks voortvloeit dat de gerechtsdeurwaarder beëdigd is als taxateur. Die beëdiging heeft immers slechts betrekking op zaken, waarin de gerechtsdeurwaarder door de kantonrechter te Almelo is of zal worden aangewezen. Daarvan is in de onderhavige gevallen geen sprake.

8.3. De door de gerechtsdeurwaarder bij de aanvaarding van zijn ambt afgelegde eed ziet er op dat hij zich behoort te gedragen zoals het een gerechtsdeurwaarder in zijn ambt betaamt. Weliswaar strekt de werking van die eed zich volgens de minister van justitie ook uit over de niet-ambtelijke werkzaamheden van de gerechtsdeurwaarder, maar - zoals hiervoor onder 8.1 is overwogen – in dit geval gaat het om het verkopen van particulier bezit, waarop de eed uiteraard niet van toepassing kan zijn. De klacht is dan ook terecht door klager voorgesteld. Dit klachtonderdeel zal het hof ook gegrond verklaren.

8.4. Met betrekking tot het opmaken van de taxatierapporten door de gerechtsdeurwaarder oordeelt het hof dat dit opmaken de nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 20 derde lid onder e van de Gdw te buiten gaat. Dit artikel ziet op het opmaken van een schriftelijke verklaring van door de gerechtsdeurwaarder persoonlijk waargenomen feiten van stoffelijke aard. Het betreft hier een zuiver materiële waarneming, waarvan het proces-verbaal bij een eventueel te voeren procedure kan worden ingebracht opdat een gedetailleerde bewijsopdracht kan worden vermeden, aldus de memorie van antwoord 2002-2003 nr. 109. De relatie met taxatierapporten waarvan in de onderhavige procedure sprake is, kan niet worden gelegd. Ook dit klachtonderdeel zal gegrond worden verklaard.

8.5. Anders dan de kamer acht het hof het handelen van de gerechtsdeurwaarder dermate laakbaar dat een maatregel op zijn plaats is. Het hof is van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

8.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

8.7. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

9. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing behoudens de daarin vervatte feiten en opnieuw rechtdoende:

- verklaart klager niet ontvankelijk met betrekking tot klachtonderdeel 5.1.;

- verklaart de overige klachtonderdelen gegrond;

- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 15 juni 2006 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 7 juni 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de klacht met zaaknummer 198.2004 van:

FEDERATIE VAN TAXATEURS, MAKELAARS EN VEILINGHOUDERS IN ROERENDE ZAKEN,

gevestigd te Amsterdam,

klaagster,

gemachtigde mr. P.H. Ariëns Kappers, algemeen secretaris,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde mr. [ ], advocaat te [ ],

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 28 juni 2004 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 14 september 2004 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift tegen de klacht ingediend.

De klacht is behandeld ter zitting van 19 april 2005 alwaar de gemachtigde van klaagster en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is nader bepaald op 7 juni 2005.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) Klaagster is de belangenvereniging van taxateurs, makelaars en veilinghouders in roerende zaken in Nederland.

b) De gerechtsdeurwaarder is gerechtsdeurwaarder te [ ] en verricht ambtelijke niet-ambtelijke werkzaamheden.

c) In het [ ] is op 31 oktober 2003 een advertentie verschenen met onder meer de navolgende tekst:”In het oude gemeentehuis te [ ] zal op vrijdag 31 oktober van 18.30 uur, zaterdag 1 en zondag 2 november a.s telkens van 11.00-17.00 uur een belangrijke en grote collectie schilderijen onderhands worden verkocht door (.....) en beëdigd taxateur r/z [ ], waarbij vele werken uit de Romantische, Haagsche en Impressionistische School van o.m. de navolgende meesters:..... Alle schilderijen worden verkocht met certificaat van echtheid en kosteloos taxatierapport.....”

d) In de [ ] is op 30 oktober 2003 een advertentie verschenen met onder meer de navolgende tekst: ”Van vrijdag 31 oktober t/m zondag 2 november a.a. zal in het voormalige gemeentehuis te [ ] worden overgegaan tot de vrijwillige en onderhandse verkoop van een belangrijke en zeer gevarieerde collectie van meer dan 150 schilderijen en aquarellen uit divers bezit, uit de Romantische, Haagsche en Impressionistische School (.....) van o.m. de navolgende meesters:..... *Alle schilderijen worden verkocht met certificaat van echtheid en kosteloos taxatierapport..... [ ] gerechtsdeurwaarder/taxateur r/z.....”

e) Tot de overgelegde stukken behoort een door de gerechtsdeurwaarder op 27 december 2000 opgemaakt taxatierapport met onder meer de navolgende tekst:"Ondergetekende -.....- deurwaarder bij de Kantongerechten te ..... en ....., ter standplaats ....., wonende te ..... en aldaar kantoorhoudende aan de ....., verklaart bij dezen op de eed bij de aanvaarding zijner bediening te hebben afgelegd, te hebben getaxeerd een aquarel, zoals afgebeeld op de aan ommezijde dezes gewaarmerkte foto, zijnde een origineel werk van de meester:..... De getaxeerde waarde van deze aquarel ten behoeve van een particuliere verzekering ex art. 275 Wetboek van Koophandel bedraagt....." Het taxatierapport is opgesteld op briefpapier van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder en voorzien van een voorgedrukt deurwaarderszegel.

2. De klacht

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder samengevat:.

1. dat hij ten onrechte de titel van beëdigd taxateur r/z voert in publieke annonces ter zake van de aankondiging van de verkoop van schilderijen;

2. dat hij de titel en functie van gerechtsdeurwaarder misbruikt ten behoeve van privé-verkopen van hemzelf en zijn zoon van schilderijen die afkomstig zijn uit eigen collectie.

Klaagster voert daartoe samengevat aan dat de gerechtsdeurwaarder zich ten onrechte van de titel beëdigd taxateur r/z bedient, daar hij niet beëdigd taxateur is in de zin van de wet op de Kamers van Koophandel van zowel 1963 als 1997 aangezien hij niet is geëxamineerd op het vakgebied van schilderijen en/of roerende zaken.

Door de vermelding van de titel beëdigd taxateur wordt de indruk gewekt dat het gaat om de verkoop van schilderijen van derden terwijl het in werkelijkheid gaat om privé-handel van de gerechtsdeurwaarder alsmede van diens zoon. Door gebruikmaking van de gewraakte titels vermengt de gerechtsdeurwaarder zijn privé-handel met zijn ambt.

Voorts maakt de gerechtsdeurwaarder taxatierapporten op met vermelding van de titel “deurwaarder”. Het is klaagster gebleken dat ook de taxatierapporten van de eigen handelsverkoop van de gerechtsdeurwaarder of diens zoon door hem worden afgegeven met vermelding van zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder en op briefpapier voorzien van een voorgedrukt deurwaarderszegel.

Klaagster is samengevat van mening dat op grond van het voorgaande het publiek wordt misleid en de tuchtrechtelijke norm wordt geschonden.

3. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klachten gemotiveerd bestreden.

Hij heeft allereerst aangevoerd dat de verweten gedragingen zien op door de wetgever toegestane nevenactiviteiten, zodat er geen sprake is van het verrichten van verboden ambtshandelingen.

Voorts heeft hij aangevoerd dat artikel 20 van de Gerechtsdeurwaarderswet het veilinghoudersbedrijf verenigbaar verklaart met het ambt van gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder acht het gebruik van zijn titel bij de aankondiging van de verkopingen niet verwijtbaar omdat hij die hoedanigheid heeft en de aspirant-koper dan weet welke standaard, welk ethos hij van de verkoper mag verwachten.

De toevoeging "beëdigd" acht de gerechtsdeurwaarder niet meer dan een opsmuk en overbodig, omdat uit zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder noodzakelijkerwijs volgt dat hij de eed als voorzien in artikel 9 van de Gerechtsdeurwaarderswet heeft afgelegd. .

Beoogd is slechts het accent te leggen op de eerlijke en nauwgezette uitvoering van zijn taak. Met de gewraakte toevoeging heeft hij niets anders willen zeggen, dan dat hij op een zodanige wijze tewerk gaat.

Tot slot heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat artikel 20 tweede lid onder e van de Gerechtsdeurwaarderswet uitdrukkelijk verenigbaar met zijn ambt verklaart het opmaken van een schriftelijke verklaring betreffende de door de gerechtsdeurwaarder waargenomen feiten van stoffelijke aard. Iets anders dan dat is het taxatierapport niet.

4. Beoordeling van de klacht

4.1 Bij de beoordeling van de klacht stelt de Kamer voorop dat het de gerechtsdeurwaarder vrij staat zich bezig te houden met verkoop van schilderijen. Dat het hier verkoop betreft uit eigen collectie maakt dat niet anders. Het staat de gerechtsdeurwaarder eveneens vrij om zich taxateur te noemen. Vast staat immers dat de wettelijke bescherming van de titel van beëdigd makelaar of taxateur met ingang van 1 januari 2000 is komen te vervallen. Een ieder mag zich derhalve taxateur noemen en dus ook de gerechtsdeurwaarder. Van verboden ambtshandelingen ten behoeve van zichzelf en van zijn bloed- of aanverwanten is evenmin gebleken. Het betreft hier het verrichten van door de wet toegestane nevenwerkzaamheden.

4.2 Naar het oordeel van de Kamer staat het de gerechtsdeurwaarder echter niet vrij daarbij gebruik te maken van de titel van gerechtsdeurwaarder of de toevoeging van het woord "beëdigd" aan "taxateur", al dan niet in combinatie met het gebruik van een voorgedrukt deurwaarderszegel.

Onweersproken staat vast dat het hier slechts gaat om verkoop van schilderijen behorende tot de handelsvoorraad van zijn zoon. Het verkopen van dergelijke schilderijen staat in geen enkele relatie tot zijn beroepsuitoefening van gerechtsdeurwaarder zodat er geen goede reden is om het zijn van gerechtsdeurwaarder al dan niet in samenhang met het gebruik van het deurwaarderszegel te vermelden in advertenties, uitnodigingen of taxatierapporten.

De Kamer is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder door dat wel te doen heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 12 van de Verordening beroeps- en gedragsregels. Door de presentatie van de gerechtsdeurwaarder kan immers bij belanghebbenden ten onrechte de indruk ontstaan dat de verkoopactiviteiten in enigerlei verband staan met de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder.

Hetgeen door de gerechtsdeurwaarder is aangevoerd omtrent de door hem afgelegde eed gaat eraan voorbij dat deze eed -voorzover hier van toepassing- erop ziet dat de gerechtsdeur-waarder zich zal gedragen naar de wetten en voorschriften die op zijn ambt van toepassing zijn en dat hij zijn taak als gerechtsdeurwaarder eerlijk en nauwgezet zal uitvoeren. Dit heeft derhalve geen enkele relatie tot werkzaamheden als taxateur.

Hetgeen door de gerechtsdeurwaarder is aangevoerd omtrent het opmaken van schriftelijke verklaringen betreffende door hem waargenomen feiten van stoffelijke aard gaat eraan voorbij dat deze bepaling er blijkens de memorie van antwoord 2001-2002 nr. 109 uitsluitend toe strekt dat het hem als nevenactiviteit is toegestaan door hemzelf waargenomen materiele feiten in een proces-verbaal van constatering vast te leggen. Het gaat hier om feiten die evident zijn. Naar het oordeel van de Kamer kan een taxatierapport als hiervoor vermeld onder 1 sub e niet als zodanig worden beschouwd.

5. Op grond van het voorgaande acht de Kamer de klachten dan ook gegrond. Het opleggen van een maatregel acht de Kamer niet op zijn plaats. De Kamer overweegt daartoe dat de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld in de periode vanaf medio 1988 tot medio 2003 zonder dat daartegen is opgetreden en dat de gerechtsdeurwaarder in afwachting van de uitspraak op de klacht de gewraakte toevoegingen achterwege heeft gelaten. Beslist wordt derhalve als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klachten gegrond;

? laat het opleggen van een maatregel achterwege.

Aldus gegeven door mr. S.G Ellerbroek, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. A.C.J.J.M. Seuren, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2005 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.