Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AW3060

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
24-04-2006
Zaaknummer
04/1806 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van het CDW is voor een deel van de uitnodigingen tot betaling te laat ingediend. Er zijn geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is van overmacht of toeval in de zin van artikel 236, tweede lid, van het CDW. Het verzoek had voor die periode niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit geldt eveneens indien het verzoek zou worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 239 van het CDW. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

in de zaak nr. 04/1806 DK

de dato 4 april 2006

1. De procedure

1.1. Op 12 mei 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingediend door A en B, belastingadviseurs, namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X te Z, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P (hierna: de inspecteur) van 31 maart 2004, nummer ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 9 juli 2003, nummer ...., werd afgewezen. Het beroepschrift is bij brief van 14 juli 2004 nader gemotiveerd.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 273 geheven. De inspecteur heeft het beroepschrift bij verweerschrift bestreden. Op verzoek van de griffier heeft belanghebbende bij brief van 20 januari 2006 een afschrift overgelegd van haar brief van 28 maart 2002 gericht aan de belastingdienst/Douanepost Alphen aan den Rijn.

1.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van de Douanekamer van 14 maart 2006, gehouden te Amsterdam. Namens belanghebbende is verschenen C. Namens de inspecteur is verschenen D. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan de Douanekamer. De inspecteur heeft voorts overgelegd een print uit het geautomatiseerd systeem van een brief van 2 maart 1999 gericht aan belanghebbende. Belanghebbende heeft kennis kunnen nemen van deze brief en zich daarover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent voormelde pleitnota’s alsmede de brief van 2 maart 1999 tot de stukken van het geding.

1.4. Op verzoek van de Douanekamer heeft de gemachtigde van belanghebbende op 17 maart 2006 een schriftelijke machtiging toegezonden.

2. De vaststaande feiten

2.1. In 1996 is door vertegenwoordigers van een aantal lidstaten van de Europese Unie en van de Europese Commissie (hierna de Commissie) in Bangladesh een onderzoek uitgevoerd naar de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, voor textielproducten. Daarbij is komen vast te staan dat een groot aantal certificaten ten onrechte door de douaneautoriteiten van Bangladesh is afgegeven. Op 1 oktober 1997 hebben voornoemde autoriteiten meegedeeld dat een groot aantal, nader gespecificeerde certificaten was ingetrokken.

2.2. Naar aanleiding van een verzoek van Nederland heeft de Commissie op 23 juli 2001, inzake de dossiers REM 21/00, REM 22/00, REM 23/00 en REM 24/00, een beschikking (hierna: de Beschikking) genomen, waarbij wordt vastgesteld dat op grond van artikel 239 van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) kwijtschelding van rechten bij invoer in enkele gevallen gerechtvaardigd is en waarbij het Koninkrijk der Nederlanden wordt gemachtigd in feitelijk en juridisch vergelijkbare gevallen tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten over te gaan. De Commissie overwoog onder meer:

“(36) Uit het voorafgaande volgt dat de autoriteiten van Bangladesh reeds een aantal jaren bekend waren, of redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn, met het grote aandeel van garens uit derde landen in de vervaardiging van artikelen van brei- en haakwerk die naar de Europese Gemeenschap werden uitgevoerd in het kader van de preferentiële regeling die van toepassing is op producten van oorsprong uit landen waarvoor het stelsel van algemene preferenties geldt. Het feit dat zij certificaten formulier A afgaven voor dergelijke producten, terwijl zij wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten, dat die producten niet voldeden aan de oorsprongs-voorwaarden voor de toekenning van de preferentiële tariefbehandeling, moet daarom worden beschouwd als een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 239 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

(37) De bijzondere aard van deze situatie wordt nog verstrekt door het feit dat de bevoegde autoriteiten van Bangladesh voor de producten in kwestie een zeer groot aantal certificaten formulier A hebben afgegeven, waarvan vervolgens een zeer groot deel door diezelfde autoriteiten na controle achteraf is ingetrokken. Van slechts een zeer beperkt aantal certificaten is bij controle achteraf gebleken dat zij terecht waren afgegeven.

(38) Tot de bijzondere aard van de situatie in onderhavig geval draagt ook het feit bij dat de bevoegde autoriteiten van Bangladesh voor een groot aantal door hen afgegeven certificaten formulier A niet in staat zijn geweest een controle achteraf uit te voeren.

(39) Uit het voorgaande blijkt dat de omstandigheden in onderhavig geval zodanig zijn, dat een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 239 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 is ontstaan.

(40) Deze omstandigheden hebben van de zijde van belanghebbenden geen frauduleuze handelingen of klaarblijkelijke nalatigheid ingehouden.

(41) Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is gebleken dat bij de beoordeling van nalatigheid van importeurs in aanmerking moet worden genomen hoe lang de bevoegde autoriteiten hun handelwijze hebben voortgezet. In onderhavig geval hebben de bevoegde autoriteiten van Bangladesh gedurende ten minste de gehele periode waarop de onderzoeksmissie van 13 november tot en met 5 december 1996 betrekking had, dat wil zeggen ten minste drie jaar (eind 1993-1996), certificaten formulier A afgegeven voor goederen die niet aan de voorwaarden voor de afgifte van die certificaten voldeden.

(42) Uit de gegevens van het dossier blijkt niet dat de wijze waarop de belanghebbenden hun aankoopcontracten hebben gesloten en de desbetreffende invoer hebben verricht, in strijd was met de gebruikelijke handelspraktijk; derhalve moet worden verondersteld dat zij niet op klaarblijkelijke nalatige wijze hebben gehandeld.

(43) Ten slotte moet worden opgemerkt dat de importeurs op generlei wijze zijn ingelicht over de tekortkomingen van de autoriteiten van Bangladesh of zijn gewaarschuwd voor de potentiële risico's die zij bij de invoer van de textielproducten in kwestie uit Bangladesh liepen.

(44) Uit het voorgaande volgt dat de belanghebbenden te goeder trouw hebben gehandeld en dat hun geen frauduleuze of klaarblijkelijke nalatigheid kunnen worden verweten.

(45) Kwijtschelding van rechten bij invoer is in onderhavige gevallen daarom gerechtvaardigd.

( ... ) Artikel 2

Het Koninkrijk der Nederlanden wordt gemachtigd over te gaan tot terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer in gevallen die feitelijk en juridisch vergelijkbaar zijn met de gevallen waarop de verzoeken van het Koninkrijk der Nederlanden van 18 september 2000 (dossiers REM 21/00, REM 22/00, REM 23/00 en REM 24/00) betrekking hebben.”

2.3. Belanghebbende heeft in de periode februari 1997 tot en met december 1999 textielgoederen uitgeslagen uit haar douane-entrepot, type E, als bedoeld in artikel 504, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening CDW (zoals dat destijds luidde), en aangegeven voor het vrije verkeer. Bij deze aangiften heeft belanghebbende geen aanspraak gemaakt op de toepassing van een preferentiële tariefbehandeling, hoewel zij wel in bezit was van certificaten van oorsprong die door de douaneautoriteiten van Bangladesh voor deze goederen waren afgegeven. Deze certificaten zijn wel bij de douanepost Q ingediend. De verschuldigde douanerechten zijn voldaan.

2.4. Belanghebbende heeft tegen de bedragen, waarvoor ter zake van eerdere invoer van textielproducten op haar maandelijkse aangiften uitnodigingen tot betaling zijn vastgesteld, op 19 november 1996 en 13 december 1996 bezwaarschriften ingediend. Met dagtekening 4 februari 1997 is aan belanghebbende een vergunning toegekend om niet iedere keer bezwaarschriften te hoeven indienen “voor goederen waarvoor een maandaangifte wordt ingediend door of namens X van zendingen textiel waarbij als land van herkomst Bangladesh wordt aangegeven en waarvoor een certificaat Formulier A ter verkrijging van tariefpreferentie wordt overgelegd.” In deze vergunning wordt vervolgens aangegeven dat volstaan kan worden met het op de desbetreffende aangiften plaatsen van een aantekening (hierna: de protestclausule). Belanghebbende heeft op deze wijze bezwaar gemaakt tegen de uitnodigingen tot betaling inzake de invoer tot en met december 1998. Voor wat betreft de uitnodigingen tot betaling die zijn vastgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende in 1999 ingediende maandelijkse aangiften voor het vrije verkeer heeft zij evenmin bezwaarschriften ingediend.

2.5. Tot de stukken behoren twee identieke brieven van belanghebbende, gedagtekend 10 februari 1999 respectievelijk 10 maart 1999, aan het Douane district P waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld:

“Aangezien per 1 Januari 1999 een nieuwe regeling van toepassing is met betrekking tot de import van textielgoederen ex Banladesh en Laos sturen wij U geen bezwaarschrift meer. (…)Om verwarring te voorkomen hebben wij met betrekking tot het femac over de maand Januari slechts gebruik gemaakt van een preferentie regeling op textielgoederen gemaakt in Bangladesh en of Laos, indien de betreffende formulieren form a na 1 Januari 1999 aan de Douane zijn aangeboden.

Gaarne vernemen wij schriftelijk van u hoe wij de nieuwe preferentie regeling met betrekking tot textielgoederen ex Banlades en Laos moeten toepassen.”

2.6. Tot de stukken behoort een brief van het Douane district P, gedagtekend 2 maart 1999, aan belanghebbende waarin het volgende staat vermeld: “Hierbij deel ik u mede dat met ingang van 1 augustus 1997 dan wel 15 oktober 1997 onder bepaalde voorwaarden afwijkende oorsprongsbepalingen van toepassing zijn bij invoer van textielproducten uit respectievelijk Laos, Nepal, Bangla Desh en Cambodja. Zie hiervoor ook mijn brief + bijlagen van 10 december 1998. Uit het vorenstaande blijkt dat per 1 januari 1999 geen gebruik meer kan worden gemaakt van deze regelingen en dat de gebruikelijke voorschriften inzake herkomst en oorsprong weer van toepassing zijn. Praktisch betekent dit dat - met ingang van 1 januari 1999 - op het moment van uitslag wordt getoetst of aan de voorwaarden wordt voldaan om in aanmerking te komen voor een algemene preferentie of een contingent. Certificaten voorzien van derogatiebepalingen kunnen met ingang van 1 januari 1999 niet meer worden geaccepteerd.”

2.7. Op 5 november 2002 heeft belanghebbende op grond van artikel 236 van het CDW een verzoek om terugbetaling ingediend voor het totale bedrag dat aan douanerechten is voldaan in de periode februari 1997 tot en met december 1998 en januari tot en met december 1999 bij de uitslag van textielproducten uit Bangladesh. Belanghebbende becijfert het bedrag waar het verzoek betrekking op heeft op € 563.565,95. Bij brief van 14 februari 2003 vult belanghebbende dit verzoek aan en becijfert het bedrag waar het verzoek betrekking op heeft dan op in totaal € 609.530,15.

2.8. De inspecteur heeft het onder 2.7. vermelde verzoek bij zijn beschikking van 9 juli 2003, kenmerk ..., “gedeeltelijk afgewezen”. Voor wat betreft de douanerechten afgedragen op uitnodigingen tot betaling met betrekking tot de periode februari 1997 tot en met 31 december 1998 en de periode november 1999 tot en met december 1999 wordt terugbetaling verleend en voor wat betreft de douanerechten afgedragen over de periode januari 1999 tot en met oktober 1999 is het verzoek afgewezen. In de toelichting bij deze beschikking staat: “ (...)Het verzoek om teruggaaf heeft betrekking op de perioden februari 1997 tot en met december 1998 en januari 1999 tot en met december 1999. Over deze perioden is invoerrecht afgedragen zonder aanspraak te maken op het preferentiële tarief terwijl belanghebbende wel in bezit was van de vereiste certificaten van oorsprong Form A. Aangezien over de periode februari 1997 tot en met 31 december 1998 door belanghebbende per maandaangifte een beroep is gedaan op de door de douane afgegeven doorlopende protestclausulevergunning, kan over deze periode over het teveel betaalde invoerrecht teruggaaf worden verleend. De eerder genoemde protestclausulevergunning is niet van toepassing op de periode na 1 januari 1999. Voor de periode januari 1999 tot en met oktober 1999 is eerder genoemd verzoek om teruggaaf te laat ingediend. Daarom kan er over deze periode geen teruggaaf worden verleend. Aangezien het verzoek om teruggaaf voor de periode november en december 1999 wel tijdig is ingediend, kan over deze periode wel teruggaaf worden verleend. Derhalve kan er teruggaaf worden verleend over de periode februari 1997 tot en met december 1998 en november en december 1999 voor een bedrag van € 516.658,00. (zie bijgevoegd overzicht).”

2.9. Tot de stukken behoort een beschikking van de Douane R, gedagtekend 1 april 2003, kenmerk ..., op een verzoek om terugbetaling van E waarin voor zover hier van belang het volgende staat vermeld: “In het verzoek om terugbetaling geeft u onder andere aan dat de gefailleerde vennootschap F B.V. in maart 1997 22 bezwaarschriften heeft ingediend voor goederen met oorsprong Bangladesh. (…)Het gestelde dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 23 juli 2001 een positieve beschikking heeft afgegeven op de door Nederland ingediende verzoeken tot kwijtschelding van artikel 239 is juist. Bij de bestudering van deze beschikking ben ik tot de conclusie gekomen dat hier sprake is van feitelijke en juridische gevallen daar de 22 bezwaarschriften zien op T-shirts van breiwerk van katoen die zijn ingevoerd op 28 februari 1997 uit Bangladesh. In punt 2 van deze beschikking worden dezelfde goederen genoemd, met als land van oorsprong Bangladesh. Uit punt 41 van deze beschikking blijkt dat de periode die door de commissie gecontroleerd is, loopt van eind 1993 tot eind 1998. De T-shirts zijn in 1997 ingevoerd, zodat het aannemelijk is dat formulieren A die ter controle naar Bangladesh gestuurd zijn op deze periode betrekking hadden. (…) Bovenstaande geeft mij aanleiding uw verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 (…) toe te wijzen.”

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de verzoeken om terugbetaling van douanerechten, geheven bij uitnodigingen tot betaling over de periode januari 1999 tot en met oktober 1999, op goede gronden heeft afgewezen.

3.2. Tussen partijen is niet in geschil dat met het verzoek om teruggaaf een bedrag van € 92.872,62 is gemoeid.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De termijn van drie jaren, genoemd in artikel 236 van het CDW, kan worden verlengd indien belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de termijn heeft kunnen indienen. Volgens paragraaf 31.00.00 van het Handboek Douane, deel 7, kan de inspecteur, indien belanghebbende aantoont dat er sprake is van een uitzonderingsgeval, toestaan dat de termijn wordt overschreden. In deze zaak zou een nieuwe regeling van toepassing worden op de invoer van textielproducten van oorsprong uit Bangladesh. Hierover is overleg gevoerd met ambtenaren van de Douane P. Teneinde verwarring te voorkomen heeft belanghebbende bij de maandaangiften over de periode januari 1999 tot en met december 1999 geen melding meer gemaakt van de protestclausule. Bij deze aangiften zijn wel de certificaten van oorsprong, formulieren A, ingediend. Belanghebbende zou een schriftelijke bevestiging ontvangen over het tijdstip waarop deze nieuwe regeling in werking zou treden. Deze heeft zij echter nimmer ontvangen. De Nederlandse douane is ten dele verantwoordelijk voor het ontstaan van deze situatie. Het voorgaande dient te worden aangemerkt als een uitzonderingsgeval, op grond waarvan de termijnoverschrijding dient te worden gepardonneerd.

4.2. Subsidiair wordt verdedigd dat de met toepassing van de door de Commissie verstrekte machtiging teruggaaf van douanerechten moet worden verleend. Alle rechtsgeldige bezwaarschriften en verzoeken om teruggaaf zouden volgens de douane worden afgehandeld op de voet van artikel 239 van het CDW. Op grond van artikel 239, lid 2, van het CDW kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de termijn voor het indienen van een verzoek wordt overschreden. Ook hiervoor geldt dat de hiervoor onder 4.1. vermelde “nieuwe regeling” moet worden aangemerkt als een uitzonderingsgeval dat termijnoverschrijding rechtvaardigt. Daarnaast wordt verwezen naar de bij de stukken gevoegde beslissing van de Douane te R van 1 april 2003, kenmerk ..., waarbij tot terugbetaling van douanerechten is overgegaan, terwijl de termijn voor het indienen van een verzoek op grond van artikel 239 van het CDW ruim was overschreden. Het betreft producten van belanghebbende die door F B.V. namens belanghebbende ten invoer zijn aangegeven. Belanghebbendes verzoek op grond van artikel 236 van het CDW dient derhalve te worden aangemerkt als een verzoek op grond van artikel 239 van het CDW. De termijnoverschrijding moet gelet op het voorgaande worden gepardonneerd, zodat in overeenstemming met de machtiging van de Commissie tot teruggaaf kan worden overgegaan.

4.3. Teneinde verwarring te voorkomen heeft belanghebbende bij de aangiften de protestclausule niet meer toegepast. De certificaten van invoer, die betrekking hadden op de zending, zijn bij het doen van de aangiften ten invoer aan de douane overgelegd. Belanghebbende is in casu te goeder trouw geweest, haar kan zeker geen frauduleus of klaarblijkelijk nalaten worden verweten. De machtiging van de Commissie is op deze situatie van toepassing.

4.4. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan het volgende toegevoegd. Gememoreerd wordt de geschiedenis van de afgifte van de certificaten van oorsprong in Bangladesh en het ter zake door de Commissie ingestelde onderzoek. Gerefereerd wordt aan de door de Commissie afgegeven Beschikking; in R werd, gelet op de Beschikking van de Commissie, teruggaaf verleend ondanks termijnoverschrijding. Ook voor deze zaak geldt dat gelet op deze beschikking teruggaaf dient te worden verleend. Na overleg met de douane in 1999 is in verband met de invoering van de nieuwe regeling voor textielproducten uit Bangladesh geen gebruik meer gemaakt van de protestclausule om verwarring te voorkomen. Er is elke maand in 1999 een brief, gelijk aan de brief die tot de stukken behoort van 10 februari 1999, gestuurd aan de douane om te weten te komen hoe de nieuwe preferentieregeling dient te worden toegepast. Er was sprake van een chaotische situatie. Belanghebbende wist niet waar zij aan toe was en wilde geen risico’s nemen. Gelet op deze gang van zaken dient de termijn van artikel 236 van het CDW te worden verlengd. Verder geldt dat een verzoek als het onderhavige moet worden afgehandeld als een verzoek in de zin van artikel 239 van het CDW, en ook dan geldt dat de hiervoor weergegeven gang van zaken meebrengt dat sprake is van een uitzonderingsgeval op grond waarvan de termijn dient te worden verlengd. Tot slot geldt dat gelet op de handelwijze van de douane R aan het verzoek van belanghebbende tegemoet dient te worden gekomen.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Gelet op de in artikel 236 van het CDW genoemde termijn is terecht geen terugbetaling verleend van de rechten bij invoer welke zijn afgedragen op aangiften ten invoer in de periode gelegen vóór 5 november 1999. Er is geen sprake van een situatie die overschrijding van de termijn waarbinnen het verzoek moet zijn gedaan rechtvaardigt. De douane heeft met name geen toezegging gedaan of afspraak gemaakt met belanghebbende dat zij geen bezwaarschriften meer hoefde in te dienen. Belanghebbende heeft op eigen initiatief geen bezwaarschriften meer ingediend.

5.2. Bovendien is er geen sprake van een strikt juridisch en feitelijk vergelijkbaar geval als bedoeld in de Beschikking van de Commissie. Ten eerste ziet de Beschikking op een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW, terwijl in de onderhavige zaak een verzoek op grond van artikel 236 van het CDW is gedaan. Ten tweede moet belanghebbende, anders dan in de zaak voor de Commissie, op de hoogte zijn geweest van de twijfel ten aanzien van de door de autoriteiten van Bangladesh afgegeven certificaten. De Beschikking heeft betrekking op aangiften gedaan in 1995 en 1996. De importeurs waren niet op de hoogte van de problemen met de afgifte van de certificaten van oorsprong. Belanghebbende vraagt rechten terug die betrekking hebben op invoeraangiften in 1999. Toen was het resultaat van het onderzoek van de Commissie al geruime tijd bekend. Belanghebbende heeft de certificaten van oorsprong bij de aangiften bewust niet overgelegd. Derhalve kan niet worden gesteld dat de machtiging van de Commissie zich uitstrekt over het door belanghebbende ingediende verzoek om terugbetaling.

5.3. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel dient te worden afgewezen. Ten eerste omdat binnen het gemeenschapsrecht geen plaats is voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Ten tweede is nationaal bepaald dat alle rechtsgeldig ingediende bezwaarschriften en verzoeken om terugbetaling op de voet van artikel 239 van het CDW worden afgehandeld. Het betreft uitsluitend de nog lopende procedures, ook indien deze waren gebaseerd op artikel 236 of op artikel 220 van het CDW. Belanghebbenden die nog buiten deze termijnen een beroep willen doen op de beschikking van de Commissie zijn van deze behandeling uitgesloten.

5.4. De door belanghebbende genoemde omstandigheden vormen noch een uitzonderingsgeval op grond waarvan de termijnoverschrijding op grond van artikel 239 van het CDW kan worden gepardonneerd noch een bijzondere omstandigheid die tot terugbetaling op grond van dit artikel kan leiden.

5.5. Ter zitting heeft de inspecteur het volgende verklaard.

De Beschikking van de Commissie ziet op de periode tot 1997. De onderhavige zaak heeft betrekking op 1999. Toen was inmiddels een nieuwe regeling - beter gezegd de gewone regeling - van toepassing. Er is dus absoluut sprake van een andere situatie. Het klopt dat er overleg heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de douane maar er zijn geen afspraken gemaakt. Met betrekking tot de brieven van belanghebbende van 10 februari 1999 en 10 maart 1999 geldt dat belanghebbende bij brief van 2 maart 1999 op de hoogte is gesteld van de inhoud van de nieuwe regeling. Op dit moment kan niet meer worden nagaan of belanghebbende iedere maand een brief heeft gestuurd gelijk aan die van 10 februari 1999 maar dat is goed mogelijk. Dat doet echter niet aan af aan mijn stelling. Belanghebbende heeft er zelf voor gekozen geen bezwaarschriften in te dienen en is voorts op de hoogte gesteld van de inhoud van de nieuwe regeling. Belanghebbende heeft bovendien een eigen verantwoordelijkheid hierin en dient de regels te kennen. Bij de behandelend ambtenaar die destijds betrokken was bij deze zaak, is nog navraag gedaan of er afspraken zijn gemaakt, doch deze ontkent dat.

Ook indien belanghebbende wel de protestclausule zou hebben ingevuld op de aangiften in 1999, dan is nog niet gezegd dat zij recht zou hebben op teruggaaf. Weliswaar heeft zij teruggaaf gekregen van rechten die betrekking hebben op invoeraangiften in november 1999 en december 1999 maar het is de vraag of dat wel terecht is gebeurd. Uiteraard wordt op die teruggaaf niet teruggekomen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het door belanghebbende op 5 november 2002 ingediende verzoek om terugbetaling, voor zover dat hier in geschil is, betrekking heeft op douanerechten die aan belanghebbende zijn meegedeeld bij uitnodigingen tot betaling met betrekking tot de maanden januari 1999 tot en met oktober 1999, welke rechten belanghebbende ook in deze periode heeft betaald. Tussen partijen is evenmin in geschil dat belanghebbende op de in deze maanden ingediende aangiften noch de zogeheten protestclausule als bedoeld in 2.4. heeft vermeld noch dat zij op enigerlei andere wijze bezwaar heeft gemaakt tegen deze uitnodigingen tot betaling. De inspecteur heeft bij beschikking met dagtekening juli 2003 het verzoek om terugbetaling, voor zover dit betrekking heeft op de bij uitnodigingen tot betaling welke gedurende evenvermelde periode zijn vastgesteld, wegens termijnoverschrijding afgewezen.

6.2. Op grond van artikel 236, tweede lid, van het CDW, wordt terugbetaling van rechten bij invoer verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de datum waarop deze rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. Ingevolge de tweede alinea van bedoelde bepaling wordt deze termijn verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen een termijn van drie jaren heeft kunnen indienen.

6.3. Voor de uitnodigingen tot betaling die zijn vastgesteld in de periode januari 1999 tot en met oktober 1999 is de in artikel 236, tweede lid, van het CDW, bedoelde termijn van drie jaren ten tijde van de indiening van het verzoek op

5 november 2002, verstreken. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de te late indiening van het verzoek om terugbetaling aan overmacht of toeval te wijten is en dat derhalve de termijn waarbinnen een verzoek om teruggaaf rechtsgeldig kan worden gedaan, dient te worden verlengd. De Douanekamer volgt belanghebbende hierin niet. Naar het oordeel van de Douanekamer heeft belanghebbende niet het bewijs geleverd dat zij ten gevolge van overmacht of toeval niet in staat is geweest om tijdig een verzoek om terugbetaling in te dienen. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij met de douane afspraken heeft gemaakt inzake in 1999 in te dienen bezwaarschriften, al dan niet met gebruikmaking van een protestclausule. De door belanghebbende overgelegde brieven gedagtekend 10 februari 1999 en 10 maart 1999 leiden niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de Douanekamer blijkt uit deze brieven veeleer van een zelfstandig door belanghebbende genomen beslissing om geen bezwaarschriften meer in te dienen. De Douanekamer heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de door de inspecteur ter zitting overgelegde brief met dagtekening 2 maart 1999 – waarvan belanghebbende niet heeft betwist dat zij deze heeft ontvangen - blijkt dat de douane belanghebbende informatie heeft verstrekt over de in 1999 geldende regels, doch dat daaruit op geen enkele wijze blijkt dat belanghebbende in redelijkheid mocht aannemen dat een afspraak tussen de douane en belanghebbende inzake in te dienen bezwaarschriften tot stand was gekomen. De Douanekamer is van oordeel dat belanghebbende geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van als overmacht of toeval aan te duiden omstandigheden die belanghebbende ervan hebben weerhouden om binnen de in artikel 236, tweede lid, van het CDW bedoelde driejaarstermijn een verzoek om terugbetaling in te dienen.

6.4. Met betrekking tot belanghebbendes subsidiaire stelling dat het verzoek om terugbetaling dient te worden beschouwd als een verzoek als bedoeld in artikel 239 van het CDW geldt het volgende. Op grond van artikel 239, tweede lid, van het CDW wordt terugbetaling van rechten bij invoer verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop deze rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. Ingevolge de tweede alinea van bedoelde bepaling kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat deze termijn in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen wordt overschreden.

6.5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in casu sprake is van een uitzonderingsgeval als bedoeld in artikel 239, tweede lid, tweede alinea, van het CDW. De daarbij door belanghebbende aangevoerde redenen zijn dezelfde als die zij heeft aangevoerd in het kader van haar beroep op overmacht en toeval in de zin van artikel 236, tweede lid, tweede alinea, van het CDW. Gelet op het onder 6.4. overwogene is het Hof van oordeel dat de inspecteur terecht heeft beslist dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld. Reeds om deze reden faalt belanghebbendes beroep in zoverre.

6.6. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel geldt dat zij tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt op grond waarvan kan worden gezegd dat de door belanghebbende overgelegde beschikking van 1 april 2003 betrekking heeft op een situatie die gelijksoortig is aan de onderhavige. Met name heeft belanghebbende tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat evenbedoelde beschikking betrekking heeft op een situatie waarin geen bezwaar is gemaakt en waarin buiten de termijn van drie jaren een verzoek om terugbetaling is ingediend, hetzij op de voet van artikel 236 van het CDW, hetzij op de voet van artikel 239 van het CDW. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel moet reeds daarom worden verworpen.

6.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat de inspecteur terecht heeft beslist dat de verzoeken met betrekking tot de uitnodigingen tot betaling gedurende de periode januari tot en met oktober 1999 niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn gedaan. Deze – in het verzoek van 5 november 2002 – vervatte verzoeken om terugbetaling zijn mitsdien niet-ontvankelijk. De inspecteur heeft evenwel belanghebbendes verzoek, voor zover hier in geschil, in verband met termijnoverschrijding afgewezen en niet niet-ontvankelijk verklaard. De Douanekamer zal daarom de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de op de uitnodigingen tot betaling die zijn uitgereikt in de periode januari 1999 tot en met oktober 1999 betrekking hebbende verzoeken om terugbetaling vernietigen en de verzoeken in zoverre alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep is mitsdien in zoverre gegrond.

7. De proceskosten

7.1. Belanghebbende heeft in bezwaar verzocht om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. In de omstandigheid dat de beschikking waarvan bezwaar moet worden vernietigd voor zover het betreft de verzoeken betreffende de periode januari 1999 tot en met oktober 1999, vindt de Douanekamer aanleiding belanghebbende op de voet van artikel 8:75 Awb een vergoeding van kosten in de bezwaarfase toe te kennen. Met inachtneming van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de Douanekamer het bedrag van deze vergoeding op 2 (punten per proceshandeling) x € 161 x 1,5 (gewicht van de zaak) ofwel € 483.

7.2. In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, vindt de Douanekamer aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de Douanekamer het bedrag van de proceskosten op 2 (punten per proceshandeling) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 966.

8. De beslissing

De Douanekamer

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak, alsmede de beschikking van 9 juli 2003 en verklaart de verzoeken om terugbetaling voor wat betreft de uitnodigingen tot betaling uitgereikt in januari 1999 tot en met oktober 1999 alsnog niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van bezwaar van belanghebbende, vastgesteld op € 483, en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten aan belanghebbende te voldoen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 966, en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat der Nederlanden het griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te voldoen.

Aldus gewezen in raadkamer op 4 april 2006 door mrs. J.W.M. Tijnagel, voorzitter,

M.E. van Hilten en E.M.Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.