Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AW2808

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-03-2006
Datum publicatie
21-04-2006
Zaaknummer
1958/05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erkenning staat in de weg aan gerechtelijke vaststelling vaderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 30 maart 2006 in de zaak met rekestnummer 1958/05 van:

[...],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

procureur: mr. M.M. van Straten,

t e g e n

[...],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de man genoemd.

1.2. De moeder is op 21 december 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 oktober 2005 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 305103 / FA RK 04-6860.

1.3. De ambtenaar van de burgerlijke stand te Nijmegen heeft per faxbericht en brief van 28 februari 2006, ter griffie van dit hof binnengekomen op respectievelijk 28 februari 2006 en 2 maart 2006, zijn standpunt weergeven en voorts meegedeeld niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

1.4. De zaak is op 2 maart 2006 ter terechtzitting behandeld.

1.5. De advocaat-generaal heeft, hoewel daartoe in staat gesteld, niet geconcludeerd en is evenmin ter terechtzitting verschenen.

2. De feiten

2.1. [In] 2001 is [het kind] uit de moeder geboren. Ten tijde van de geboorte was de moeder gehuwd met [de heer X]. Dit huwelijk is op 15 mei 2002 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 maart 2002 in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 10 april 2002 van de rechtbank te Arnhem is het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van [de heer X] ten aanzien van [het kind] gegrond verklaard. [Het kind] is bij akte van erkenning van 17 november 2003 door de man erkend. Partijen zijn op 2 maart 2004 gehuwd. [Het kind] verblijft sinds september 2003 bij familie van de moeder in de Dominicaanse Republiek.

2.2. De moeder en [het kind] zijn burgers van de Dominicaanse Republiek. De moeder is sedert 9 maart 1998 in Nederland woonachtig.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van de moeder te bepalen, dat de man de verwekker is van [het kind] en aldus het vaderschap van de man vast te stellen.

3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover mogelijk bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, haar inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De grieven van de moeder lenen zich, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, voor een gezamenlijke bespreking en komen in de kern neer op de vraag of een na de geboorte gedane erkenning van [het kind] door de man op grond van artikel 1: 203 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in de weg staat aan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van dezelfde man op grond van artikel 1: 207 BW.

4.2. De moeder stelt zich op het standpunt dat een eerdere erkenning door de man niet aan een gerechtelijke vaststelling vaderschap van de man in de weg staat. Zij stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wetgever de mogelijkheid van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap na erkenning welbewust niet heeft gewild, omdat het onduidelijk is of de wetgever de situatie waarbij het gaat om de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de erkenner zelf daarbij voor ogen heeft gehad. Zij stelt dat het belang van [het kind] voornamelijk gelegen is in de gevolgen voor haar nationaliteit. Nu [het kind] postnataal is erkend zou zij ingevolge artikel 6 lid 1 aanhef en sub c Rijkswet op het Nederlanderschap pas na een onafgebroken periode van drie jaar door de man te zijn verzorgd en opgevoed het Nederlanderschap verkrijgen, terwijl in geval van gerechtelijke vaststelling vaderschap [het kind] ingevolge artikel 4 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap het Nederlanderschap zou verkrijgen op de dag dat de uitspraak tot vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan. Daarbij is voorts –aldus nog steeds de moeder- van belang dat [het kind] sinds september 2003 in de Dominicaanse republiek verblijft en niet door haar ouders wordt verzorgd en opgevoed. Gelet op het voorgaande levert het niet toestaan van een gerechtelijke vaststelling vaderschap een ongerechtvaardigde inbreuk op het familie- en gezinsleven van partijen en [het kind] op, alsmede strijd met internationale bepalingen. Voorts stelt de moeder dat de gemeente Nijmegen de man en haar ten tijde van de erkenning onjuist heeft geïnformeerd over de verschillen tussen de erkenning en de gerechtelijke vaststelling vaderschap ten aanzien van het verkrijgen van het Nederlanderschap door [het kind].

4.3. De man en de bijzonder curator hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard het standpunt van de moeder te ondersteunen.

4.4. De gemeente Nijmegen stelt (schriftelijk) dat het verzoek dient te worden afgewezen. De gemeente wijst op het verschil tussen de afstammingsrechtelijke en nationaliteitsgevolgen. Zij benadrukt dat niet is vast te stellen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de ouders onvoldoende heeft gewezen op de verschillen tussen de erkenning en de gerechtelijke vaststelling vaderschap ten aanzien van het verkrijgen van het Nederlanderschap door [het kind].

4.5. Het hof beantwoordt de onder 4.1. genoemde vraag aldus, dat de eerdere postnatale erkenning van [het kind] door de man aan de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man in de weg staat. De erkenning van [het kind] door de man op 17 november 2003 brengt immers mee dat het vaderschap rechtens al vaststaat, zodat reeds om die reden het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling vaderschap moet stranden. De moeder heeft niet gesteld belang bij haar verzoek te hebben in de zin van het afstammingsrecht van Boek 1 BW. Daarnaast staat ook artikel 1: 207 aanhef en lid 2 sub a BW, inhoudende dat de vaststelling van het vaderschap niet kan geschieden indien een kind twee ouders heeft, aan toewijzing in de weg. Aan het bovenstaande doet niet af dat de gevolgen van de gerechtelijke vaststelling blijkens de Rijkswet op het Nederlanderschap voor wat betreft de nationaliteit afwijken van die van de erkenning in die zin dat langs eerstgenoemde weg het kind op korte termijn de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen, terwijl het anders moet wachten totdat drie jaren zijn verstreken waarin het verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend. Dit uit de nationaliteitswetgeving voortvloeiend verschil waarop de moeder zich beroept is niet relevant. De door partijen beoogde verkrijging van het Nederlanderschap door [het kind] is immers in het kader van het onderhavige verzoek geen rechtens te respecteren belang. Het beroep van de moeder op enkele verdragsrechtelijke bepalingen kan haar om dezelfde reden niet baten, nu het vaderschap van de man door diens erkenning rechtens vaststaat.

Voorts overweegt het hof ten overvloede dat daargelaten of het feitelijk juist is dat de gemeente Nijmegen te weinig informatie over het verschil tussen postnatale erkenning en gerechtelijke vaststelling vaderschap aan de ouders zou hebben verstrekt, dit voorgaande conclusie niet anders maakt.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.M.C. Tilleman, R.J.M. Smit en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van mr. M. Wolfrat als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2006 door de rolraadsheer.