Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AW2529

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
1735/05 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 13 april 2006 in de zaak onder rekestnummer 1735/05 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: drs. H.A. van Wijlen,

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 8 november 2005 van de zijde van appellante, verder te noemen klaagster, een verzoekschrift ingekomen, waarbij tijdig hoger beroep is ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Haarlem, verder te noemen de kamer, van 11 oktober 2005, waarbij klaagster in haar klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, niet ontvankelijk is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 9 december 2005.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 maart 2006. Klaagster, haar gemachtigde en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

1.4. Ter zitting heeft het hof de notaris gevraagd nadere informatie te verschaffen omtrent het tijdstip waarop de notaris de aanslag voor het recht van successie heeft geaccordeerd. Deze informatie is ter griffie van het hof ontvangen op 20 maart 2006 en vervolgens voorgelegd aan de gemachtigde van klaagster per brief van 27 maart 2006. Van de zijde van klaagster is niet gereageerd op deze nadere informatie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling omtrent de ontvankelijkheid van de klacht

4.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten, dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Het hof overweegt daarbij dat voor de aanvang van de termijn genoemd in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt, hierna: Wna, doorslaggevend is wanneer klaagster van het handelen of nalaten van de notaris kennis heeft genomen en niet wanneer zij tot de conclusie is gekomen dat dit handelen of nalaten onjuist is, wat daar verder van zij.

4.2. Het hof voegt hier aan toe dat uit de door de notaris na de mondelinge behandeling overgelegde informatie is gebleken dat de aanslag voor het recht van successie dateert van 6 augustus 1999 en dat het hof hieruit afleidt dat de notaris akkoord moet zijn gegaan met deze aanslag binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag, zijnde dit de termijn waarbinnen bezwaar tegen de aanslag kon worden gemaakt. Nu de klacht is ingediend op 20 mei 2005 is sedert het accorderen van de aanslag door de notaris de termijn zoals vermeld in eerdergenoemd artikel 99 lid 12 Wna ook ruimschoots verstreken.

4.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

4.4. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.D.R.M. Boumans en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 13 april 2006 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-

NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT HAARLEM

Beschikking d.d. 11 oktober 2005 van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen in het arrondissement Haarlem, nader ook “de Kamer”, in de zaak onder nummer K 11.05 van:

[naam],

wonende te [plaats],

nader ook: klaagster.

gemachtigde: drs. H.A. van Wijlen.

---tegen---

mr [X],

notaris te [plaats],

nader ook: de notaris.

1. Verloop van de procedure.

Voor het verloop van de procedure verwijst de Kamer naar de navolgende aan de Kamer tot het nemen van een beslissing overgelegde bescheiden, waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt:

- de op 20 mei 2005 ter secretarie van de Kamer ingekomen brief met 12 bijlagen van de gemachtigde klaagster van 10 mei 2005;

- de brief van de notaris van 24 juni 2005 met vijf bijlagen, waarin het antwoord;

1.2 In de openbare vergadering van de Kamer van 30 augustus 2005 zijn de gemachtigde van klaagster en de notaris gehoord. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten.

Vervolgens heeft de voorzitter van de Kamer de behandeling gesloten en bepaald dat op 11 oktober 2005 een beschikking zal volgen.

2. Relevante vaststaande feiten.

Bij de beoordeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:

a. Klaagster heeft H.A. van Wijlen (hierna: Van Wijlen) schriftelijk gemachtigd om namens haar ten tijde van de mondelinge behandeling te verschijnen en verklaringen te doen.

b. Klaagster en haar drie zusters (hierna; [Y], [Z] en [Z]) zijn de kinderen van jonkheer R. [naam].

c. Er is sprake van een goede familierelatie. Klaagster had dagelijks telefonisch contact met haar vader, aldus Van Wijlen.

d. In 1988 is het Landgoed [B] dat al enkele honderden jaren in het bezit van de familie [naam] was, gedurende welke periode een verplichting tot instandhouding van het landgoed was ontwikkeld, op grond van de Natuurschoonwet 1928 ingebracht in “Landgoed [B] Natuurschoon B.V.” (hierna: [B] B.V.).

e. Onder meer in verband met het voortbestaan van het landgoed heeft jonkheer [naam] op of omstreeks juni 1996 diverse besprekingen gevoerd met de notaris met betrekking tot de inhoud van zijn testament.

f. Het testament is op 27 juni 1996 verleden ten overstaan van de notaris. Op dat tijdstip was jonkheer [naam] voor 50% aandeelhouder in de [B] B.V.

g. In zijn testament heeft jonkheer [naam] (hierna: de erflater) aan twee van zijn dochters ([Z] en [Y]), de aandelen in [B] B.V. gelegateerd en hen tevens tot executeur-testamentair benoemd.

h. In het testament is – voor zover hier van belang – het navolgende met betrekking tot de legaten bepaald: “(…) zulks tegen inbreng of verrekening van de waarde waarvoor deze aandelen worden betrokken in de heffing van successierecht in mijn nalatenschap”.

i. Op 19 november 1997 is de erflater overleden.

j. Op 1 december 1997 heeft op verzoek van de twee onder punt g. vermelde dochters in aanwezigheid van de notaris een boedelbespreking op Huize [B] plaatsgevonden. Bij deze bespreking waren klaagster en haar drie zusters aanwezig, alsmede twee accountants.

k. Tijdens de bespreking hebben klaagster en [Z] zonder voorwaarden te stellen berust in het testament voor zover het betrof de bepalingen met betrekking tot de legaten en de executeursbenoeming. [Z] en [Y] hebben te kennen gegeven zich te beraden over de aanvaarding van het legaat. Dit blijkt uit de brief van 6 februari 1998 van de notaris aan klaagster.

l. Binnen een week nadat de boedelbespreking had plaatsgevonden heeft de echtgenoot van klaagster telefonisch contact opgenomen met Van Wijlen en hem medegedeeld dat klaagster ontsteld was over het feit dat zij onterfd was voor zover het het landgoed betrof.

m. Blijkens zijn brief van 1 april 1998 heeft de notaris aan klaagster medegedeeld dat [Y] en [Z] hebben verklaard het legaat van de aandelen in [B] B.V. te willen aanvaarden. In verband hiermee heeft de notaris het concept van de akte afgifte legaat bij zijn brief gevoegd.

n. In deze akte is het navolgende vermeld:”(…) al deze aandelen hierna te noemen: “de aandelen” en geschiede deze afgifte om niet, aangezien de verkrijging van deze aandelen is vrijgesteld van successierecht op grond van het bepaalde in artikel 7 van de Natuurschoonwet (…)”.

o. In haar brief van 18 april 1998 heeft klaagster aan de notaris het navolgende medegedeeld:”(…) Nu mijn beide jongste zusters hebben besloten het legaat van de aandelen van mijn vader in de [B] B.V. te aanvaarden, deel ik u mede dat ik niet aanwezig zal zijn bij de acte afgifte legaat.(…)”.

p. De akte houdende afgifte legaat is op 21 april 1998 verleden ten overstaan van de plaatsvervanger van de notaris.

q. De notaris heeft zich op verzoek van de beide executeurs voorts slechts beziggehouden met de afgifte van de gelegateerde [B] B.V. – aandelen, de tenaamstelling van de aandelen en de aangifte voor het recht van successie.

3. Inhoud van de klacht.

3.1 De klacht, houdt zakelijk weergegeven het volgende in:

a. Klaagster verwijt de notaris dat hij een testament heeft opgesteld, waarvan de inhoud van de bepaling met betrekking tot het legaat, niet in overeenstemming is met de inhoud van de akte houdende afgifte van dat legaat.

b. Klaagster is in verband met klachtonderdeel a. van mening dat de notaris de erflater tendentieus en onjuist heeft voorgelicht, aangezien de formulering van het testament niet in overeenstemming zou zijn met de wil/bedoeling van de erflater.

c. Klaagster verwijt de notaris voorts dat hij ten gevolge van de discrepantie tussen de tekst van het testament en de tekst van het legaat, de memorie van successie foutief heeft geredigeerd.

d. Tenslotte verwijt klaagster de notaris nog dat hij in verband met het gestelde onder c. onjuiste belastingaanslagen heeft geaccordeerd en dat hij toen hem was gebleken dat de aanslagen onjuist waren, persisteerde bij zijn aanvankelijk

ingenomen standpunt.

3.2 Tegen deze achtergrond verwijt klaagster de notaris onzorgvuldig handelen als bedoeld in artikel 98 van de Wet op het notarisambt.

4. Het standpunt van de notaris.

4.1 Met betrekking tot de verschillende onderdelen van de klacht heeft de notaris gesteld dat het klachtrecht terzake verjaard is. Hij verwijst daarbij naar artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt, waarin een termijn van drie jaren wordt vermeld binnen welke de klacht moet worden ingediend, nadat de klager/klaagster van het klachtwaardig handelen of nalaten van de notaris heeft kennis genomen.

5. De beoordeling.

5.1 Ter beoordeling is de vraag of de notaris zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de wet op het notarisambt gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van klaagster, dan wel of hij zich schuldig maakt aan enig handelen of nalaten dat een notaris niet betaamt, een en ander als bedoeld in artikel 98 van de wet op het notarisambt.

5.2 Met betrekking tot de onderdelen a. en b. van de klacht overweegt de Kamer het navolgende.

Krachtens artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

Het staat vast dat - binnen twaalf dagen na het overlijden van de erflater - op 1 december 1997 het testament van de erflater openbaar is gemaakt en uitgebreid is besproken door de notaris met de erven onder wie klaagster in aanwezigheid van nog twee accountants. Klaagster heeft bij die gelegenheid onvoorwaardelijk berust in het testament.

Voorts staat vast dat de echtgenoot van klaagster korte tijd na deze boedelbespreking contact heeft opgenomen met Van Wijlen, waarbij hij zich namens klaagster in negatieve zin heeft uitgelaten over het feit dat aan [Y] en [Z] de aandelen van de NSW B.V. waren gelegateerd en dat deze beide zusters waren benoemd tot executeur-testamentair. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat klaagster op het moment dat het testament werd besproken, zich bewust was van de inhoud en de strekking van het testament. In dit verband is voorts van belang dat het legaat op 21 april 1998, derhalve binnen een jaar na het overlijden van de erflater, is afgegeven en dat klaagster de beschikking had over alle bescheiden die betrekking hadden op (het verlijden van) de akte houdende afgifte van het legaat, zoals onder meer blijkt uit haar brief van 18 april 1998 aan de notaris.

Aangezien sindsdien meer dan drie jaren zijn verstreken, kan klaagster niet in deze klachtonderdelen worden ontvangen.

5.3 Nu het verweer van de notaris voor de klachtonderdelen a. en b. doel heeft getroffen geldt dit – gelet op de samenhang tussen de verschillende klachtonderdelen – tevens voor de klachtonderdelen c. en d. Derhalve kan klaagster evenmin worden ontvangen in deze onderdelen van de klacht.

5.4 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en Kandidaat-Notarissen te Haarlem:

- verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar klacht.

Deze beschikking is op 11oktober 2005 gegeven door mr A.C. Monster, voorzitter, mrs A.E. Patijn, C. Wisse, N. Vanderveen en C.M. Lambregtse, leden in tegenwoordigheid van de secretaris mr Y.H. L’Hoir.