Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AW2108

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
18-04-2006
Zaaknummer
1066/05 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of een beslag als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Daarvoor dient de beslagene zich tot de executierechter te wenden. Wel kan het zijn dat een beslag evident zo onrechtmatig is dat de gerechtsdeurwaarder die desondanks het beslag heeft gelegd daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 13 april 2006 in de zaak onder rekestnummer 1066/05 GDW van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V.,

gevestigd te [plaats], gemeente [naam],

vertegenwoordigd door haar directeur [Y],

2. [Y],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

APPELLANTEN,

gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel

t e g e n

[Z],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 14 juli 2005 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellanten, verder te noemen klagers, waarbij zij tijdig hoger beroep hebben ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 7 juni 2005, verzonden op 16 juni 2005, waarbij de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen op 8 augustus 2005.

1.3. Van de zijde van klagers is op 21 maart 2006 een aanvullende bijlage bij het verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 23 maart 2006. Klagers, hun gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klagers aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klagers

4.1. Klagers stellen dat de gerechtsdeurwaarder tot twee keer toe onrechtmatig beslag heeft gelegd. De eerste keer vond dit plaats op 18 juli 2003, toen beslag werd gelegd, althans volgens het exploot, op roerende zaken van [A] B.V., hierna: [A], terwijl deze roerende zaken eigendom van klager sub 1. waren. Ondanks waarschuwing vooraf heeft de gerechtsdeurwaarder dit beslag toch gelegd. Vervolgens was een kort geding nodig om het beslag opgeheven te krijgen.

4.2. Het tweede beslag werd gelegd op 5 november 2003. Dit beslag werd gelegd op een onroerende zaak, eigendom van klager sub 2., voor een niet opeisbare vordering, aangezien tegen het onderliggende arrest van het gerechtshof te

’s-Hertogenbosch cassatie was ingesteld. De gerechtsdeurwaarder is terstond, per fax van 6 november 2003 door de gemachtigde van klager sub 2. gewaarschuwd doch de gerechtsdeurwaarder heeft pas na 9 dagen het beslag opgeheven.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. Met betrekking tot het beslag van 18 juli 2003 stelt de gerechtsdeurwaarder dat zowel [A] als klager sub 1. ondernemingen zijn waarvan klager sub 2. directeur/grootaandeelhouder is. Bovendien houden beide ondernemingen kantoor in hetzelfde gebouw en maken gebruik van onder meer dezelfde meubels en apparatuur. Ter plaatse zijn de beide ondernemingen niet te onderscheiden. Aan deze beslaglegging is een poging tot beslaglegging, op 23 januari 2003, voorafgegaan. De betrokken toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder

[B], hierna: [B], sprak ter plaatse met klager sub 2. Deze gaf te kennen dat de inboedel niet van [A] was. Hierop vroeg [B] hem dit aan te tonen. Klager sub 2. zegde toe bewijsstukken te zullen faxen, waarna de beslaglegging werd uitgesteld. Aan deze toezegging van klager sub 2 is echter niet voldaan. Vervolgens is een betalingsregeling getroffen, die niet is nagekomen. Op 18 juli 2003 is vervolgens alsnog beslag gelegd. De aanwezige medewerker kon niet aangeven welke roerende zaken aan [A] toebehoorden, waarna beslag op de gehele inboedel is gelegd. De gemachtigde van klager sub 1. liet na de gevraagde bewijsstukken te sturen en volstond met een verwijzing naar de gedeponeerde jaarstukken bij de kamer van koophandel. Pas in het door hem aangespannen kort geding is klager sub 2. met bewijsstukken gekomen.

5.2. Met betrekking tot het beslag van 5 november 2003 stelt de gerechtsdeurwaarder dat dit beslag is gelegd op verzoek van de raadsvrouw van de beslaglegger en op grond van een rechtsgeldige titel. Dat er een cassatieprocedure liep was de gerechtsdeurwaarder niet bekend. Na bezwaar van de gemachtigde van klager sub 2 is het beslag op 14 november 2003 formeel doorgehaald. Dit heeft enkele dagen geduurd omdat daarover overleg moest plaatsvinden met de raadsvrouw van de beslaglegger.

6. De beoordeling

6.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht merkt het hof het volgende op. Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen of een beslag als onrechtmatig kan worden aangemerkt. De kamer heeft deze vraag van klagers daarom terecht niet beantwoord. Daarvoor dient de beslagene zich tot de executierechter te wenden. Wel kan het zijn dat een beslag evident zo onrechtmatig is dat de gerechtsdeurwaarder die desondanks het beslag heeft gelegd daarmee de normen van het tuchtrecht heeft overschreden. Daarvan is echter in het onderhavige geval geen sprake.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat klager sub 1. ten tijde van het gelegde beslag stond ingeschreven op het adres, waar het beslag op de roerende zaken werd gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft ter plaatse getracht telefonisch contact op te nemen met klager sub 2., directeur van klager sub 1. Klager sub 2. was ook directeur van [A], welke vennootschap eveneens op bedoeld adres was gevestigd. Tenslotte heeft de gerechtsdeurwaarder aan degene die in het desbetreffende kantoor aanwezig was verzocht om diens mededeling, dat niet alle roerende zaken eigendom van [A] waren, te staven. Daaraan kon de desbetreffende medewerker op dat moment niet voldoen.

Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het beslag evident onrechtmatig was. Door het beslag te leggen, heeft de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijke norm overschreden. De door klager in zijn pleitnota gemaakte vergelijking met drie eerdere uitspraken van de kamer gaat niet op. Het hof oordeelt dat het eerste onderdeel van de klacht ongegrond is.

6.2. Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten, dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.4. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing onder gedeeltelijke verbetering van de gronden.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L.J. Saarloos en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 13 april 2006 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 7 juni 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 372.2003 van:

1. [ ],

gevestigd te [ ], gemeente [ ],

2. [ ],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

klagers,

gemachtigde [ ],

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief van 17 december 2003 hebben klagers een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 20 februari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend tegen de klacht.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 26 april 2005, alwaar de gemachtigde van klagers en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 7 juni 2005.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken waarbij [ ] (hierna: [ ]) tot betaling is veroordeeld.

b) Klager sub.2 is directeur/groot aandeelhouder van zowel [ ] als klaagster sub.1. Beide vennootschappen zijn op hetzelfde adres gevestigd.

c) Op 18 juli 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder op dit adres ten laste van [ ] beslag gelegd op roerende zaken. Volgens klagers behoorden de in beslag genomen zaken toe klaagster sub. 1 en niet aan [ ].

d) Op die grond is het beslag op haar vordering bij vonnis in kort geding opgeheven.

e) Ter uitvoering van een tegen klager sub. 2 gewezen arrest heeft de gerechtsdeurwaarder op 5 november 2003 beslag gelegd op een aan klager sub. 2 in eigendom toebehorende onroerende zaak. Vóór de beslaglegging was door klager sub. 2 beroep in cassatie tegen het arrest ingesteld.

f) Op aandringen van klager sub. 2 heeft de gerechtsdeurwaarder het beslag opgeheven.

2. De klacht

Klagers verwijten de gerechtsdeurwaarder dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd dat aan hem pas na de beslaglegging van 18 juli 2003 stukken zijn getoond waaruit de eigendom van klaagster sub. 1 van de in beslag genomen zaken bleek. Verder is hij pas na de beslaglegging van 5 november 2003 op de hoogte gesteld van het ingestelde beroep in cassatie.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Alvorens tot beoordeling van de klacht over te gaan, overweegt de Kamer dat ingevolge het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet slechts gerechtsdeurwaarders (waarnemend gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders inbegrepen) aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Het gerechtsdeurwaarderskantoor [ ], tegen wie de klacht zich richt, kan daarom niet worden aangemerkt als beklaagde.

Ter zitting is gebleken dat de klacht geacht kan worden te zijn gericht tegen [ ], waarmee in de aanhef van deze beschikking al rekening is gehouden.

4.2. Ten aanzien van het op 18 juli 2003 gelegde beslag oordeelt de Kamer als volgt.

De lezingen van partijen omtrent de gang van zaken voorafgaande aan dit beslag lopen uiteen.

Voldoende aannemelijk is echter geworden dat de gerechtsdeurwaarder ten tijde van het leggen van het beslag er in redelijkheid niet aan behoefde te twijfelen dat de in beslag genomen goederen aan [ ] toebehoorden.

De enkele mededeling van klager sub. 2 of van personeelsleden van [ ] dat de in beslag te nemen zaken aan een ander toebehoorden behoeft in dit verband voor de gerechtsdeurwaarder geen reden te zijn van het leggen van beslag af te zien.

De onderzoeksplicht van de gerechtsdeurwaarder gaat niet zover dat hij voor het achterhalen van het eigendomsrecht van de in beslag genomen zaken de jaarstukken van klaagster sub. 1 dan wel van [ ] bij de Kamer van Koophandel diende op te vragen, nog afgezien van de vraag of deze jaarstukken hier opheldering over kunnen verschaffen.

Nu de rechtmatigheid van het beslag aan de burgerlijke rechter is voorgelegd en de gerechtsdeurwaarder meteen na het vonnis in kort geding het beslag heeft opgeheven is van handelen in strijd met de tuchtrechtelijke norm geen sprake.

4.3. Ten aanzien van het op 5 november 2003 gelegde beslag heeft klagers gemachtigde ter zitting verklaard dat hij niet kan aantonen dat de gerechtsdeurwaarder ten tijde van het leggen van het beslag op de hoogte was van de lopende cassatieprocedure. Voorts is door klagers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gerechtsdeurwaarder op de hoogte had kunnen zijn van deze procedure. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden dat de gerechtsdeurwaarder te lang heeft gewacht met het opheffen van het beslag nadat klagers gemachtigde op 6 november 2003 de gerechtsdeurwaarder op de hoogte had gesteld van de cassatieprocedure. Het is van algemene bekendheid dat voor het opheffen van een beslag op een onroerende zaak de nodige formaliteiten in acht moeten worden genomen waarmee enige tijd is gemoeid.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

- wijst de klacht als zijnde ongegrond af.

Aldus gegeven door mr. R.G. Kemmers, plaatsvervangend voorzitter, mr. H.C. Hoogeveen en N.J.M. Tijhuis, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juni 2005 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.