Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AW0980

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
23-001589-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak in zaak Helderse taximoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001589-04

datum uitspraak: 11 april 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 23 maart 2004 in de strafzaak onder parketnummer 14-010329-03 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 2 en 9 maart 2004 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 september 2005, 5, 25 en 26 oktober 2005, 6, 10 en 28 maart 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 december 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane aanpassing tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering aanpassing tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair) en onder 4 (primair en subsidiair) is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ter zake van de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Ter terechtzitting is zeer uitvoerig aan de orde geweest de betrouwbaarheid van de geuridentificatieproef in het algemeen en in deze zaak in het bijzonder.

De conclusie, die naar aanleiding daarvan getrokken dient te worden, is naar het oordeel van het hof geen andere dan die reeds in eerdere jurisprudentie is verwoord.

Resultaten van dergelijke proeven kunnen, met inachtneming van de nodige behoedzaamheid, als mede redegevend worden gebezigd tot het bewijs van feiten.

In de onderhavige zaak is naar het oordeel van het hof niet gebleken, dat de geuridentificatieproeven niet met de benodigde zorgvuldigheid zijn uitgevoerd.

Nu echter in de onderhavige zaak naast het positieve resultaat van de geuridentificatieproef voldoende betrouwbaar ander bewijs ontbreekt, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor handen om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te concluderen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

in de periode van 10 augustus 2002 tot en met 13 januari 2003 in Nederland, een of meer wapens van categorie III en/of categorie II [zijnde een of meer andere wapen(s) dan de gaspistolen (merk Kimar srl, type Mod. Lady K, kaliber 8 mm en/of merk Bruni, type Mod. 92, kaliber 8 mm k) zoals bedoeld in feit 3 onder parketnummer 14/010033-03] voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

op tijdstippen in de periode van 1 september 2002 tot 1 december 2002 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en heeft verstrekt en heeft vervoerd hoeveelheden heroïne en cocaïne;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

op 24 december 2002 in de gemeente Den Helder met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een fotocamera met bijbehorende tas toebehorende aan [benadeelde ].

Hetgeen onder 2, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en/of

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;

ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 5 bewezengeachte:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank te Alkmaar heeft de verdachte ter zake van de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4 primair en 5 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte eveneens ter zake van de feiten 1 subsidiair, 2, 3, 4 primair en 5 zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich gedurende enige maanden samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan -kort gezegd- handel in heroïne en cocaïne. Het hof acht dit handelen kwalijk. Heroïne en cocaïne zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Verdachte heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en is slechts uit geweest op de financiering van zijn eigen drugsgebruik.

Voorts heeft verdachte een of meer wapens van categorie II en/of III voorhanden gehad.

Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens kan leiden tot maatschappelijk onaanvaardbare escalaties van conflicten en gevaarzettende situaties.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning.

Dit is een ergerlijk feit, dat schade veroorzaakt en in het algemeen bij de benadeelde gevoelens van onrust en onveiligheid oproept/veroorzaakt.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 september 2005 is verdachte eerder voor soortgelijke delicten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet, de artikelen 47, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (primair, subsidiair en meer subsidiair) en onder 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 5 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de 5e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.E. de Vries, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2006.

Mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.