Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV9260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
04/02244
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzingszaak van de Hoge Raad. Huweoijksvoorwaarden. In de gegeven omstandigheden zou toepassing van de huwelijksvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbaar resultaat leiden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 114
Burgerlijk Wetboek Boek 1 132
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
KWEP 2006/15
JPF 2006/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer 04/02244

19 januari 2006 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

ARREST

in de zaak van:

[...],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE in principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in voorwaardelijk incidenteel appel,

procureur: mr. J. van der Steenhoven

t e g e n

[...],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in principaal appel,

APPELLANT in voorwaardelijk incidenteel appel,

procureur: mr. B.J.C. Pleiter

Het geding in hoger beroep

Partijen zullen in dit arrest “de vrouw” respectievelijk “de man” worden genoemd.

1.1. In deze zaak heeft de Hoge Raad bij arrest van 18 juni 2004 met zaaknummer C03/021HR in incidenteel beroep een arrest van het gerechtshof te Den Haag van 25 september 2002 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen. De inhoud van voornoemd arrest van de Hoge Raad wordt hier als ingelast beschouwd. Voor het verloop van de procedure tot het arrest van de Hoge Raad verwijst het hof naar en neemt over hetgeen de Hoge Raad dienaangaande heeft overwogen in rechtsoverweging 1 en 2.

1.2. Voor een goed begrip van het geschil na verwijzing memoreert het hof voor zover thans van belang het volgende. De vrouw heeft na vermeerdering van eis in eerste aanleg voor de rechtbank ‘s-Gravenhage een vordering tegen de man ingesteld onder rolnummer 97/3019 tot betaling van een bedrag van f 26.838,- vermeerderd met een samengetelde rente daarover van 5% vanaf de dag van de verkoop van het woonhuis [A] (1 december 1976) tot de dag der dagvaarding en vanaf die dag vermeerderd met de wettelijke rente, kosten rechtens. Zijnerzijds heeft de man tegen de vrouw bij dezelfde rechtbank onder rolnummer 97/3047 een vordering ingesteld tot betaling na eiswijziging van een bedrag van f 66.978,72 op grond van een tussen partijen bestaande lening, afgifte van diverse inboedelgoederen en betaling door de vrouw aan de man van een bedrag van f 10.000,- ten titel van overbedeling, betaling door de vrouw van een bedrag van f 12.500,- zijnde de helft van de opbrengst van een door de vrouw verkochte garage, betaling door de vrouw van een bedrag van f 7.850,- zijnde de helft van de opbrengst van door de vrouw verkochte effecten, betaling door de vrouw van een bedrag van f 20.000,- zijnde de opbrengst van een stuk grond en toedeling aan de vrouw van de op de echtelijke woning rustende hypotheek en veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van f 40.000,- uit hoofde van restitutie van eigenaarslasten, danwel betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag. De man heeft zich bij zijn vordering beroepen op de tussen partijen bestaande huwelijksvoorwaarden, subsidiair heeft hij verdeling gevorderd van de aan partijen toebehorende goederen als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd. De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken op verzoek van partijen gevoegd behandeld. Zowel bij tussenvonnis van 17 maart 1998 als bij tussenvonnis van 3 maart 1999 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. De tweede comparitie was erop gericht een schikking te beproeven op basis van een afrekening alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren gebleven. Bij eindvonnis van 29 september 1999 heeft de rechtbank in beide zaken een eindvonnis gewezen en de boedel verdeeld aldus dat ieder behield hetgeen hij of zij op dat moment onder zich had en daarnaast de vrouw in overeenstemming met hetgeen eerder was overwogen onder 4.2. van het tussenvonnis van 3 maart 1999, op basis van een afrekening alsof partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd, veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van f 113.008,93, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

De vrouw is van het tussenvonnis van 3 maart 1999 en het eindvonnis van 29 september 1999 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage met het verzoek de vonnissen te vernietigen en de man te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van f 26.838,-, alsmede de vorderingen van de man af te wijzen. De man heeft bij memorie van antwoord tevens houdende akte tot wijziging van eis tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel verweer gevoerd en het hof verzocht de goederen van partijen te verdelen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd en subsidiair zijn vorderingen 1 tot en met 6, zoals deze in eerste aanleg waren gewijzigd, herhaald. Het voorwaardelijk incidenteel appel betrof de waarde van een muntenverzameling. Nadat het hof het verzet van de vrouw tegen de wijziging van eis ongegrond had verklaard, heeft het hof bij arrest van 25 september 2002 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn incidenteel hoger beroep en in principaal hoger beroep de vonnissen van de rechtbank vernietigd. Het hof heeft de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van respectievelijk f 66.978,72 uit hoofde van de lening, f 3.000,- voor de garage, f 7.850,- uit opbrengst effecten, alsmede tot afgifte van de door de man gevorderde inboedelgoederen, onder afwijzing van hetgeen meer of anders gevorderd is.

De vrouw heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

1.3. Na verwijzing heeft de man de zaak bij dit hof aanhangig gemaakt bij exploot van dagvaarding van 10 december 2004 en heeft hij op 31 maart 2005 een memorie van grieven na verwijzing in het geding gebracht, met conclusie dat het hof het tussenvonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 3 maart 1999 zal bekrachtigen en het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 29 september 1999 zal vernietigen voor zover het betreft de waarde van de muntenverzameling welke in het bezit is van de man en te bepalen dat de waarde van deze muntenverzameling wordt gesteld op een bedrag van € 2.042,- (f 4.500,-) en primair de vrouw zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man een bedrag te betalen van € 55.646,58 (f 123.128,93), althans een bedrag door het hof op grond van het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2004 in goede justitie te bepalen dan wel te begroten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 1999 tot aan de dag der voldoening;

subsidiair vermeerderd met de wettelijke rente over € 51.281,22 (f 113.008,93) vanaf 13 oktober 1999 tot aan de dag der voldoening en de wettelijke rente over het bedrag van € 4.592,26 (f 10.120,-) vanaf de datum van de memorie van grieven na verwijzing dan wel vanaf de datum van het door het hof te wijzen arrest, kosten rechtens.

1.4. De vrouw heeft vervolgens op 21 juli 2005 een memorie van antwoord na verwijzing in het geding gebracht met producties, met conclusie, dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 29 september 1999 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

primair de man zal veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 12.178,55 (f 26.838,-) en de vorderingen van de man zal afwijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen arrest en onder compensatie van de proceskosten;

subsidiair de vrouw zal veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.403,27 (f 5.296,11) en de vordering van de man voor het overige af zal wijzen, onder compensatie van de proceskosten;

meer subsidiair de man zal veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 8.756,18 (f 19.296,08) en de vorderingen van de man zal afwijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen arrest onder compensatie van de proceskosten.

1.5. Ten slotte zijn de stukken van het geding in alle instanties, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2. Waar het hof van uit gaat

2.1. Wat betreft de feiten welke in deze fase van het geding als ten processe vaststaand dienen te worden beschouwd, verwijst het hof naar en neemt over hetgeen de Hoge Raad dienaangaande onder rechtsoverweging 3.1, onder verwijzing naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.20, heeft overwogen. Voor een goed begrip van het onderhavige arrest, memoreert het hof enige van de daar genoemde feiten en omstandigheden, voor zover thans relevant.

2.1.1. Partijen zijn op 28 november 1963 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Op 6 augustus 1976 hebben zij alsnog huwelijkse voorwaarden gemaakt, houdende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. De tot dan toe bestaande algehele gemeenschap van goederen is opgeheven en de gemeenschappelijke boedel is verdeeld. Partijen zijn feitelijk op 13 september 1996 uiteen gegaan en zijn gescheiden op 6 mei 1998 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 16 mei 1997 in de registers van de burgerlijke stand.

2.1.2. Artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt, kort samengevat, dat alle inkomsten door de echtgenoten verkregen uit arbeid, vlijt, vermogen en anderszins door hen zullen worden samengevoegd teneinde daaruit de kosten en schulden van de gemeenschappelijke huishouding te voldoen en dat het restant van de inkomsten bij helfte zal worden gedeeld en dat de echtgenoten deze kosten en schulden bij helfte zullen dragen indien en voorzover de inkomsten daartoe ontoereikend zijn.

Artikel 3 bepaalt dat de echtgenoten verplicht zijn elk jaar een staat van afrekening op te maken van de inkomsten en uitgaven als bedoeld in artikel 2 en daarbij te verrekenen wat door de ene echtgenoot aan de andere moet worden vergoed. Niet opmaking van deze staat is niet van invloed op de verplichting om het restant van de inkomsten bij helfte te delen of in de kosten en schulden uit het vermogen bij te dragen.

Artikel 7 bepaalt dat de goederen, waarvan niet blijkt aan wie van de echtgenoten zij toebehoren, eigendom zijn van de echtgenoten gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft.

2.1.3. Partijen zijn het erover eens dat de huwelijkse voorwaarden uitsluitend tot doel hadden het tot de dan toe gemeenschappelijke vermogen, waaronder de echtelijke woning, te vrijwaren voor uitwinning door mogelijke toekomstige zakelijke schuldeisers van de man.

2.1.4. Bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden op 6 augustus 1976 werden aan de vrouw vrijwel alle activa toegedeeld, waaronder de echtelijke woning [B] voor een daaraan toegekende waarde van f 72.000,- en het woonhuis [A] waarin de ouders van de man woonden met een daaraan toegekende waarde van f 20.000,-. Tevens werd de op de echtelijke woning rustende hypotheek ad f 50.000,- aan de vrouw toegedeeld. De man verkreeg wegens onderbedeling een vordering op de vrouw van f 24.075,75, welke vordering wed omgezet in een vordering wegens geldlening, waarbij de vrouw zich verplichtte tot betaling aan de man van een rente van 5% per jaar over de hoofdsom of het onafgeloste deel daarvan.

2.1.5. Het woonhuis [A] is op 1 december 1976 na het overlijden van de ouders van de man verkocht voor f 74.972,-. De verkoopopbrengst is op de gemeenschappelijke rekening gestort. Van deze rekening zijn onder meer betalingen gedaan ten behoeve van de verbouwing van de echtelijke woning en zijn andere gemeenschappelijke uitgaven voldaan.

2.1.6. De man heeft in januari 1979 een strook grond naast de echtelijke woning gekocht voor f 2.218,-.

2.1.7. Op 19 mei 1994 hebben partijen een nieuwe hypothecaire geldlening gesloten van f 100.000,-. Met dit bedrag werd de bestaande hypotheek van f 11.500,- afgelost. Het resterende bedrag is gestort op de gemeenschappelijke rekening. Van deze rekening is vervolgens een belastingschuld van f 44.866,- van de man voldaan en is f 19.112,- besteed aan de aankoop van effecten. In 1996 zijn effecten verkocht tot een bedrag van f 5.116,-.

2.1.8. Tijdens het huwelijk vond nimmer afrekening plaats op grond van de huwelijkse voorwaarden, evenmin werd door de vrouw rente voldaan op de geldlening van de man aan de vrouw. Zij loste op die lening ook niet af. De vrouw had ten tijde van het huwelijk geen eigen inkomsten. De man verwierf inkomen uit eigen bedrijf.

2.1.9. Tijdens het huwelijk zijn de verplichtingen uit de hypothecaire leningen en de zakelijke lasten van de echtelijke woning voorzover die betaald zijn van de gemeenschappelijke rekening, steeds voldaan door de man.

2.1.10. Ten tijde van de echtscheiding waren de volgende activa en passiva aanwezig:

- woonhuis [B] en de daarop rustende hypotheek (de vrouw)

- naastgelegen strook grond (de man)

- garage [C] (de vrouw)

- betaalrekening Rabobank (de vrouw)

- privé-rekening VSB (de man en de vrouw)

- inboedel woonhuis (de vrouw)

- muntenverzameling (de man)

- auto (de man)

- effecten (de vrouw)

2.1.11. De vrouw heeft na de echtscheiding de effecten verkocht voor f 15.700,- en de garage voor f 25.000,-, waarvan een bedrag resteerde van f 24.009,-. Voorts heeft zij het woonhuis verkocht, onder aflossing van de erop rustende hypotheek, waarna een bedrag na aftrek van kosten resteerde van f 217.451,-. Het saldo op de betaalrekening van de vrouw was ten tijde van het uitspreken van de echtscheiding f 1.086,90 negatief.

De man heeft de naast de voormalige echtelijke woning gelegen strook grond verkocht voor f 20.000,-. Na aftrek van kosten resteerde een bedrag van f 19.565,25. De auto heeft hij verkocht voor f 500,-.

Het saldo van de gezamenlijke privé-rekening was ten tijde van het uitspreken van de echtscheiding nul.

3. Omvang van het geschil na verwijzing

3.1. De man stelt zich op het standpunt dat conform de beslissing van de rechtbank tussen partijen dient te worden afgerekend alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan, zodat in deze procedure alleen nog de hoogte van de bedragen die tussen partijen verrekend dienen te worden aan de orde dienen te komen. Partijen zijn het zijns inziens eens over de waarde c.q. opbrengsten die aan de verschillende vermogensbestanddelen dienen te worden toegekend, met uitzondering van de muntenverzameling. Hij stelt dat de muntenverzameling f 4.750,- waard is. Hij heeft in eerste aanleg een taxatierapport overgelegd van Veilinghuis [D] van 29 juni 1999 waaruit een getaxeerde waarde blijkt van f 7.500,-, terwijl hij in de procedure voor het gerechtshof te ’s-Gravenhage een taxatie heeft overgelegd van [E] waaruit een getaxeerde waarde blijkt van f 2.000,- Hij stelt dat de eerste taxatie door Veilinghuis [D] de verzekerde waarde is, doch dat deze waarde niet overeenkomt met de werkelijke waarde. De man acht het redelijk voor de waarde van de muntenverzameling uit te gaan van het gemiddelde van beide taxaties, te weten genoemd bedrag van f 4.750,-. Met betrekking tot de inboedel stelt hij zich op het standpunt dat de door hem genoemde waarde van f 15.000,- door de vrouw niet is bestreden. Tot slot gaat het wat de man betreft over de wettelijke rente die volgens hem verschuldigd is vanaf 13 oktober 1999, zijnde 14 dagen na 29 september 1999, de datum van het bestreden eindvonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage.

3.2. Volgens de vrouw dient dit hof na verwijzing de vraag te beantwoorden of in de gegeven omstandigheden toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw beantwoordt deze vraag ontkennend. De Hoge Raad heeft weliswaar overwogen dat voor de beantwoording van die vraag belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, zij stelt echter dat ook andere factoren een rol spelen. Zij wijst erop dat het huwelijk tussen partijen een traditioneel rolpatroon kende, waarin de vrouw zorg droeg voor de huishouding en de man het gezinsinkomen verdiende en de vaste lasten van de huishouding voldeed, waarmee hij voldeed aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw. Daarnaast wijst zij expliciet op het feit dat bij het oversluiten van de hypotheek op 19 mei 1994 ongeveer de helft van het resterende bedrag na aflossing van de bestaande hypotheek, werd aangewend voor de betaling van een belastingschuld van de man en voor gemeenschappelijke uitgaven, zodat met name de man baat heeft gehad bij de hypothecaire lening. De vrouw ziet geen aanleiding af te wijken van de bestaande huwelijkse voorwaarden, te meer daar zij na de echtscheiding nimmer een uitkering tot levensonderhoud van de man heeft ontvangen omdat hem daartoe de draagkracht ontbrak, hetgeen erin resulteerde dat zij een uitkering op basis van de Algemene Bijstandswet heeft moeten aanvragen, op grond waarvan zij na afloop van de onderhavige procedure nog een bedrag aan de gemeente zal moeten terug betalen. Voor het alsnog aangaan van huwelijkse voorwaarden is uitdrukkelijk gekozen om zakelijke schuldeisers van de man buiten de deur te houden. Zou het hof beslissen dat er afgerekend dient te worden alsof er een gemeenschap van goederen was geweest, dan zou de Wet verrekenbedingen een dode letter zijn. Na het maken van de huwelijkse voorwaarden zijn nimmer nadere afspraken tussen partijen gemaakt over het terugbetalen van de overbedelingsvergoeding door de vrouw aan de man. Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden resulteert in een vordering van de vrouw op de man.

Mocht het hof niet het standpunt van de vrouw, doch dat van de man volgen, dan beroept zij zich op een waarde van de muntenverzameling van f 25.000,-, zijnde de verzekerde waarde per datum echtscheiding. Voorts bestrijdt zij de door de man genoemde waarde van de inboedel. Zij merkt op dat de inboedel dateerde uit 1962 en 1976 en dat de waarde ten tijde van de echtscheiding vrijwel nihil was. Zij merkt bovendien op dat zij de inboedel heeft overgedaan aan een derde wereldwinkel nadat de man desgevraagd geen interesse in de inboedel had.

Met betrekking tot de wettelijke rente stelt zij zich op het standpunt dat deze eerst verschuldigd kan zijn nadat de verrekeningsvordering door de rechter is vastgesteld en in kracht van gewijsde is gegaan omdat er eerder nog geen sprake kan zijn van verzuim.

3.3. Gelet op het arrest van de Hoge Raad dient het hof zich uit te laten over de vraag of het in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de krachtens de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden geldende regel toe te passen. Voorts zal het hof indien deze vraag bevestigend beantwoord wordt, uitsluitsel moeten geven over de waarde van de muntenverzameling, de inboedel, alsmede over de kwestie van de wettelijke rente.

4. Verdere behandeling van het hoger beroep na verwijzing

4.1. De eerste grief van de vrouw in hoger beroep luidt dat voor zoveel de bestreden vonnissen aldus moeten worden begrepen dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de tussen partijen vigerende huwelijkse voorwaarden niet van toepassing zijn en in de plaats daarvan uitgegaan dient te worden van de fictieve situatie tussen partijen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, zij de juistheid daarvan bestrijdt.

4.2. Het hof stelt voorop gezien het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2004, dat de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden niet vervangen zijn door andersluidende stilzwijgende bedoelingen van partijen. De vraag dient echter te worden beantwoord of op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid niet moet worden afgedaan aan de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden en wel omdat toepassing van de huwelijkse voorwaarden in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot een onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Het hof is van oordeel dat daarvan in casu sprake is, waarbij van belang wordt geacht dat partijen bij het maken van de huwelijkse voorwaarden uitsluitend voor ogen hebben gehad hun vermogenspositie jegens derden veilig te stellen, terwijl in hun onderlinge verhouding partijen zich nimmer aan deze voorwaarden hebben gehouden en geleefd hebben alsof er een gemeenschap van goederen bestond en dat de verplichting van de vrouw tot betaling van rente aan de man over de geldlening een dode letter is gebleven. Voorts is voor dit oordeel van belang dat de verkoopopbrengst van de woning waarin de ouders van de man tot hun dood woonden op een gemeenschappelijke rekening is gestort waarvan betalingen ten behoeve van hen beiden zijn gedaan en dat de man altijd de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire en zakelijke lasten heeft voldaan zonder nadere verrekening. Tot slot speelt een rol dat in mei 1994 een nieuwe hypothecaire lening is afgesloten waaruit uitgaven zijn gedaan die aan beide partijen ten goede zijn gekomen.

Onjuist is de stelling van de vrouw dat met deze uitleg de Wet verrekenbedingen een dode letter zou zijn. Zowel onder het recht dat van toepassing was voor inwerkingtreding van deze wet als onder de huidige wetgeving geldt, dat afwijking van hetgeen partijen bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen mogelijk is, indien toepassing van die voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De stelling van de vrouw dat de man bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden jegens haar heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis gaat niet op. De huwelijkse voorwaarden zijn immers aangegaan met een extern doel, namelijk het buiten de deur houden van eventuele schuldeisers van de man. Het voldoen aan een natuurlijke verbintenis heeft betrekking op de interne verhouding tussen echtgenoten. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen concluderen dat de man jegens haar met het aangaan van de huwelijkse voorwaarden aan een natuurlijke verbintenis heeft voldaan, zodat zij om die reden op grond van de huwelijkse voorwaarden aanspraak maakt op meer dan de helft van het gezamenlijk vermogen van partijen. Het feit dat de vrouw nimmer van de man een uitkering tot haar levensonderhoud heeft ontvangen omdat hem de draagkracht daartoe ontbrak, doet in de verdelings- c.q. verrekeningskwestie niet ter zake, evenmin als de kwestie van het bijstandsverhaal. De vrouw heeft zich nog op het standpunt gesteld dat als al uitgegaan zou moeten worden van verrekening op basis van een gemeenschap van goederen, bepaalde goederen buiten deze verrekening zouden moeten blijven. Het hof verwerpt deze stelling nu van verknochtheid geen sprake is en de keuze voor een afrekening op basis van gemeenschap van goederen impliceert dat alle goederen in de verrekening moeten worden betrokken. De eerste grief van de vrouw faalt dan ook.

4.3. De tweede grief richt zich tegen de door de rechtbank toegepaste verdeling en de veroordeling van de vrouw aan de man een bedrag van f 113.893,- te betalen. De derde grief betreft de waardering van onder meer de inboedel en de door de vrouw verkochte garage. Teneinde volledig op deze grieven te kunnen ingaan zal het hof allereerst de kwestie van de inboedel bespreken en vervolgens de in het voorwaardelijk incidenteel appel aan de orde gestelde waarde van de muntenverzameling. De waarde immers die aan de inboedel en de muntenverzameling dient te worden toegekend, is bepalend voor het vaststellen van het bedrag dat uiteindelijk door de vrouw aan de man betaald zal moeten worden. De opbrengst van de verkochte garage behoeft geen nadere bespreking nu deze opbrengst, gelet op het in dit arrest onder 4.2. overwogene, aan partijen gelijkelijk toekomt.

4.4. De rechtbank heeft in het vonnis van 29 september 1999 met betrekking tot de inboedel bepaald dat ook al zou de man hebben verklaard dat hij op de goederen uit de inboedel geen prijs meer stelde, hij daarmee nog niet heeft afgezien van de waarde die die goederen hadden. De door de man gestelde waarde van de inboedel van f 15.000,- heeft de rechtbank dan ook in de beoordeling betrokken. In hoger beroep maakt de man aanspraak op afgifte van een aantal inboedelgoederen aan hem en betaling vanwege onderbedeling van een bedrag van f 10.000,- door de vrouw aan hem. De vrouw heeft deze vordering gemotiveerd weersproken. Zij stelt dat diverse goederen reeds aan de man zijn afgegeven, en stelt onbetwist dat andere goederen bij een derde wereldwinkel zijn beland nadat de man had aangegeven geen interesse in deze goederen te hebben. Voorts stelt zij dat de inboedel die uit 1962 en 1976 dateerde geen waarde meer vertegenwoordigt.

4.5. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden, mede gelet op hetgeen hierna volgt, geen aanleiding in de verrekening enig bedrag ten titel van overbedeling terzake van de inboedel te betrekken. Daargelaten dat de man gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft gesteld om van de door hem genoemde waarde uit te gaan, geldt dat wanneer één der echtgenoten goederen wenst af te geven doch de andere echtgenoot daarop geen prijs stelt, de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen ex-echtgenoten beheerst, gebiedt dat geen verrekening van de eventuele waarde van die goederen plaatsvindt. Evenmin ziet het hof aanleiding de vrouw te veroordelen tot afgifte van diverse door de man verlangde inboedelgoederen, nu hij, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, ook op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd dat de onderhavige goederen nog steeds in het bezit van de vrouw zouden zijn. Het hof zal dan ook met betrekking tot de inboedelgoederen bepalen dat iedere partij houdt hetgeen hij/zij onder zich heeft zonder verdere verrekening.

4.6. De man stelt met betrekking tot de muntenverzameling dat het hof voor de waarde dient uit te gaan van het gemiddelde van de twee door hem overgelegde taxatierapporten. Met betrekking tot het taxatierapport van veilinghuis [D] volgt het hof de rechtbank in de bestreden beslissing van 29 september 1999. Het taxatierapport geeft geen inzicht in hetgeen getaxeerd is. Evenmin is dat het geval met het taxatierapport van [E] van 31 augustus 2000 dat door de man bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage is overgelegd, nog daargelaten dat dit taxatierapport in opdracht van de man is opgemaakt voor successie doeleinden, terwijl bij een afrekening aan het einde van een huwelijk de vrije verkoopwaarde heeft te gelden. Nu partijen het erover eens zijn dat de verzekerde waarde van de munten vanaf 1980 f 25.000,- is geweest, volgt het hof de rechtbank en zal genoemd bedrag in de verrekening worden betrokken.

4.7. Het voorgaande komt erop neer dat de door de rechtbank toegepaste berekening onder rechtsoverweging 2.6. van het vonnis van 29 september 1999 aanpassing behoeft, hetgeen leidt tot navolgende berekening, waarbij het hof opmerkt dat de bedragen in guldens zullen worden omgerekend en afgerond in euro’s.

Bij de vrouw berust het beheer van (de tegenwaarde van)

de volgende zaken:

- woonhuis [B] f 217.451,-

- garage f 24.009,-

- betaalrekening Rabobank (negatief) f 1.086,90

- inboedel woonhuis nihil

- effecten f 15.700,-

Totale waarde f 256.173,10, ofwel € 116.246,28.

Bij de man berust het beheer van (de tegenwaarde van) de volgende zaken:

- grondstrook f 19.565,25

- muntenverzameling f 25.000,-

- auto f 500,-

Totale waarde f 45.065,25, ofwel € 20.449,72

De totale waarde bedraagt derhalve € 136.696,-. Aan ieder der partijen komt toe de helft ofwel € 68.348,-. De man heeft reeds onder zich € 20.449,72, zodat de vrouw hem alsnog zal moeten betalen € 47.898,- (afgerond). De tweede grief slaagt dan ook gedeeltelijk.

4.8. De man vordert de wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag vanaf 13 oktober 1999. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest, nu eerst thans vaststaat hetgeen tussen partijen verrekend dient te worden en de vrouw eerst dan bij niet betaling in verzuim zal zijn.

4.9. Conclusie is dat het vonnis van de rechtbank ‘s Gravenhage van 29 september 1999 zal worden vernietigd met betrekking tot de daarin uitgesproken veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag van f 113.008,93, dat de vrouw zal worden veroordeeld aan de man te betalen een bedrag van € 47.898,- te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest en dat met betrekking tot de inboedelgoederen zal worden bepaald dat iedere partij houdt hetgeen hij/zij onder zich heeft zonder verdere verrekening.

De proceskosten zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, worden gecompenseerd als na te melden.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te ‘s Gravenhage op 29 september 1999 onder rolnummers 97/3019 en 97/3047 gewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen een bedrag van € 47.898,- (zevenenveertigduizend achthonderd achtennegentig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt met betrekking tot de inboedelgoederen dat iedere partij houdt hetgeen hij/zij onder zich heeft zonder verdere verrekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank te ‘s Gravenhage van 3 maart 1999;

compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en S. Clement en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2006.