Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV8310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
04-05-2006
Zaaknummer
515/03
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontslag van andere bestuursleden van stichting waarin vader erfgoed heeft ondergebracht. Financieel wanbeheer is niet komen vast te staan. Bestuursleden kunnen zichzelf niet bevoordelen door middel van de stichting. Redelijke uitleg van de statuten: de stichting mocht om bepaalde redenen een beperkt deel van de grond verkopen aan particulieren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

wonende te [A],

2. [APPELLANT SUB 2],

wonende te [B],

3. [APPELLANT SUB 3],

wonende te [C],

APPELLANTEN,

procureur: mr. A.C. Kool,

t e g e n

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [D],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [E], gemeente [F],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. R. van der Hooft te Opmeer.

Appellanten worden hierna gezamenlijk [APPELLANTEN] genoemd, appellanten sub 1 en 2 gezamenlijk [DE DOCHTERS] en appellant sub 3 [DE ZOON]. Geïntimeerden worden gezamenlijk [GEÏNTIMEERDEN] genoemd en afzonderlijk [GEÏNTIMEERDE SUB 1] respectievelijk [GEÏNTIMEERDE SUB 2].

1. Het geding in hoger beroep

[APPELLANTEN] zijn bij beroepschrift, dat op 23 mei 2003 ter griffie van het hof is ontvangen, in hoger beroep gekomen van een beschikking die de rechtbank te Alkmaar onder rekestnummer 62679 / HA RK 02-234 op 27 februari 2003 heeft gegeven tussen hen als rekwestranten en [GEÏNTIMEERDEN] als gerekwestreerden. Het beroepschrift, waarin één grief tegen de feitenvaststelling en zes grieven tegen de rechtsoverwegingen worden geformuleerd, strekt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en het in eerste aanleg gedane verzoek alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [GEÏNTIMEERDEN] in de kosten van beide instanties.

Op 1 november 2005 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben [APPELLANTEN] nog producties overgelegd en hebben de raadlieden van partijen, aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen, hun standpunt (nader) toegelicht, [APPELLANTEN] door hun procureur en [GEÏNTIMEERDEN] door hun advocaat. [GEÏNTIMEERDEN] hebben daarbij verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van [APPELLENTEN] in de kosten van het hoger beroep.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en de uitspraak bepaald. De inhoud van alle bovengenoemde stukken geldt als hier ingevoegd.

2. De feiten en de beslissing van de rechtbank

2.1. In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten zoals de rechtbank deze heeft vastgesteld in haar bestreden beschikking. De op de feiten gerichte grief van [APPELLANTEN] is niet tegen de vastgestelde feiten gericht, maar betoogt dat de rechtbank een aantal feiten ten onrechte niet (ook) als vaststaand heeft aangenomen. Deze grief faalt reeds omdat geen rechtsregel de rechtbank verplicht alle tussen partijen vaststaande feiten in haar beslissing op te sommen. Het hof zal, voorzover relevant, wel rekening houden met hetgeen [APPELLANTEN] in deze grief hebben aangevoerd.

2.2. Kort gezegd gaat het in deze zaak om het bestuur van de stichting “Stichting Erfgoed [X]”. Deze stichting is op 12 juli 1996 opgericht door de vader van [APPELLANTEN] – [DE VADER VAN APPELLANTEN] – samen met [GEÏNTIMEERDE SUB 1] en [GEÏNTIMEERDE SUB 2]. Het doel van deze stichting is – kort gezegd – primair het beheer van onroerende zaken (gronden) te Westerland, gemeente Wieringen, die oorspronkelijk hebben toebehoord aan (de bloedverwanten van) [XX] (“het erfgoed [X]”). [DE VADER VAN APPELLANTEN] had deze gronden verkregen krachtens huwelijk met en als erfgenaam van mevrouw [Y], die op 4 januari 1990 was overleden. Bij voormeld beheer geldt als uitgangspunt dat een structurele wijziging van de aard en bestemming van het oorspronkelijke Wieringerland wordt voorkomen. [DE VADER VAN APPELLANTEN] heeft de gronden op 12 juli 1996 aan de stichting verkocht en geleverd voor een koopsom van ƒ 910.000,-. Blijkens een akte van schuldbekentenis heeft [DE VADER VAN APPELLANTEN] op 12 juli 1996 eveneens aan de stichting een bedrag van ƒ 977.756,75 geleend. [APPELLANTEN] zijn kinderen uit een eerder huwelijk van [DE VADER VAN APPELLANTEN]

2.3. [APPELLANTEN] verwijten [GEÏNTIMEERDEN] financieel wanbeheer en handelen in strijd met de wet en met de statuten van de stichting en hebben verzocht [GEÏNTIMEERDEN] als bestuursleden van de stichting te ontslaan. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking [DE DOCHTERS] niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek en het verzoek van [DE ZOON] afgewezen.

3. Beoordeling van de grieven

3.1 Grief 1 is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [DE DOCHTERS]. Het hof verwerpt deze grief. [DE DOCHTERS] zijn geen belanghebbenden in de zin van art. 2:298 BW. Anders dan hun broer zijn zij geen bestuurslid van de stichting. Dat zij dit wel hadden kunnen zijn, omdat de statuten bepalen dat één of meer bestuursleden – niet zijnde de meerderheid – zo mogelijk uit de afstammelingen van [DE VADER VAN APPELLANTEN] moeten worden aangezocht, is niet relevant. Evenmin kunnen de dochters als belanghebbenden worden aangemerkt op grond van de stelling van [APPELLANTEN] dat [GEÏNTIMEERDEN] hun vader op diverse wijzen hebben benadeeld. Dit belang, dat samenhangt met de hiervoorgenoemde door [DE VADER VAN APPELLANTEN] aan de stichting verstrekte lening, kan immers op andere wijze worden behartigd; zonder aanwijzing in andere zin ligt niet voor de hand dat de wetgever crediteuren de mogelijkheid heeft willen geven hun crediteursbelang geldend te maken door met een verzoek op grond van art. 2:298 BW in te grijpen in de interne bestuursstructuur van hun debiteur. [DE DOCHTERS] hebben, anders dan de (toenmalige) pensioen- en verzekeringskamer in de zaak waarop de door [APPELLANTEN] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Haarlem betrekking had, ook geen toezichthoudende taak ten aanzien van de stichting. Andere gronden waarop [DE DOCHTERS] belanghebbend zouden kunnen zijn in de zin van art. 2:298 BW zijn niet gesteld of gebleken.

3.2 Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet gebleken is van financieel wanbeheer. Volgens [APPELLANTEN] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat voor financieel wanbeheer is vereist dat de belangen van de stichting door het gedrag van de bestuurders zijn geschaad.

3.3 Het hof deelt de opvatting van [APPELLANTEN] dat de enkele omstandigheid dat handelingen van het bestuur niet hebben gestrekt tot financieel nadeel voor de stichting, maar tot nadeel voor derden, als zodanig niet meebrengt dat de bedoelde handelingen geen wanbeheer kunnen opleveren. Ook het benadelen van anderen dan de stichting kan financieel wanbeheer opleveren; bovendien zal het benadelen van anderen uiteindelijk in de regel ook tot financieel nadeel voor de stichting leiden.

3.4 Anders dan [APPELLANTEN] aanvoeren – zij hebben dit ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep herhaaldelijk betoogd – bestaat er geen enkele concrete aanwijzing dat [GEÏNTIMEERDEN] zichzelf zouden kunnen, laat staan zouden willen bevoordelen door middel van bevoordeling van de stichting. Een eventueel voordeel voor de stichting komt immers niet aan [GEÏNTIMEERDEN] toe, ook niet na eventuele liquidatie van de stichting (zie art. 12 lid 6 van de statuten). De verdachtmakingen die [APPELLANTEN] in dit opzicht hebben geuit, missen elke grond. Dit geldt eveneens voor het geval dat het zou komen tot de aanleg van het recreatiegebied “Lago Wirense”.

3.5 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [GEÏNTIMEERDEN] uitgebreid toelichting verschaft op de financiële verslaglegging van de stichting en de wijze waarop betalingen en verrekeningen met [DE VADER VAN APPELLANTEN] zijn afgehandeld, mede in verband met schenkingsrechten en liquiditeitstekorten in het verleden. Het hof is op grond van deze toelichting en de stukken van oordeel dat het door [APPELLANTEN] gestelde financieel wanbeheer niet is komen vast te staan. Meer specifiek geldt dat mogelijk enige onzekerheid heeft bestaan over de precieze hoogte van de lening per 31 december 1996 en over door [DE VADER VAN APPELLANTEN] gedane maar nog niet door de stichting aan hem vergoede betalingen. Daar staat echter tegenover dat in de desbetreffende periode de stichting en [DE VADER VAN APPELLANTEN] over en weer aan elkaar diverse betalingen (rente over de lening, huur voor het door [DE VADER VAN APPELLANTEN] van de stichting gehuurde huis, betaalde brand- en opstalverzekering e.d.) moesten doen met alle daaruit voortvloeiende risico’s van on-duidelijkheid, en tevens dat het bestuur, wanneer bleek dat een post in de financiële stukken van de stichting onjuist was opgenomen of aan [DE VADER VAN APPELLANTEN] nog betalingen moesten worden gedaan ter zake van door hem voorgeschoten kosten, zich zonder meer tot correctie bereid heeft getoond. Het hof verwijst in dit verband onder meer naar de brief van 3 mei 2002 van [GEÏNTIMEERDE SUB 2] aan [DE ZOON] (bijlage bij productie 7, in eerste aanleg overgelegd door [APPELLANTEN]). In de specifieke aan het bestuur gemaakte verwijten heeft het hof geen reële grond voor financieel wanbeheer kunnen ontdekken. Belangrijk in dit verband is dat het verwijt dat “gerekwestreerden (..) ten onrechte een bedrag van ƒ 120.156,-- in mindering (hebben) gebracht op de lening van [DE VADER VAN APPELLANTEN]” (citaat uit het beroepschrift, 2.1) afdoende door [GEÏNTIMEERDEN] is weerlegd. Het hof verwijst naar het verweerschrift in eerste aanleg, pagina 4, en naar de daarbij behorende productie 3, waaruit naar voren komt dat aanvankelijk is gedacht aan een schenking maar dat deze wegens de fiscale consequenties is teruggedraaid.

Evenmin is gebleken dat de bestuurders, of de stichting, [DE VADER VAN APPELLANTEN] hebben benadeeld; voorzover (rechts)handelingen met de stichting ten nadele van [DE VADER VAN APPELLANTEN] (en daarmee diens erven) hebben gewerkt, is dit met instemming van [DE VADER VAN APPELLANTEN] gebeurd. Dat niet alle boekingen steeds (direct) juist zijn verricht, maakt dat niet anders. [APPELLANTEN] hebben met betrekking tot het door hen gestelde wanbeheer geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan. Tot benoeming van een deskundige/accountant om de jaarstukken te controleren ziet het hof geen aanleiding. Grief 2 faalt derhalve.

3.6 Grief 3 plaatst de verwijten van de grieven 2 en 4-6 in een ander juridisch kader. De grief faalt op de bij de bespreking van de genoemde grieven aangegeven gronden.

3.7 De grieven 4 en 5 hebben betrekking op de verkoop van gronden door de stichting. Deze verkoop is volgens grief 4 in strijd met de statuten en volgens grief 5 zonder instemming van [DE ZOON] geschied.

3.8 De stichting heeft in juni 2001 stukken grond gelegen achter de Polderweg te Hippolytushoef verkocht aan de heren [G] en [H] voor respectievelijk NLG 18.000,-- en NLG 40.000,--. Deze stukken grond lagen buiten het kerngebied van het erfgoed [X]. Volgens [GEÏNTIMEERDEN] was de achtergrond van deze verkoop de noodzaak tot het verkrijgen van middelen in combinatie met de noodzaak tot het oplossen van een burengeschil in verband met de toegang tot een door de stichting verpacht stuk grond gelegen bij de woning van [H].

3.9 Art. 6 lid 2 van de statuten van de stichting bepaalt dat vervreemding van gronden die behoren tot het erfgoed [X] “slechts mag plaatsvinden:

a. indien de vermogens- en liquiditeitspositie van de stichting hiertoe noodzaken; en

b. indien het betreft de onroerende zaken welke gelegen zijn in de Polder Waard Nieuwland; en

c. indien de vervreemding plaatsvindt aan soortgelijke rechtspersonen als de onderhavige stichting, danwel aan rechtspersonen die beogen het landschappelijk schoon, de cultuurhistorische waarden of het cultuurhistorisch karakter van onroerende zaken in Noord-Holland of Nederland gelegen, beogen te bewaren.”

3.10 Het hof acht deze bepaling voor meer dan een uitleg vatbaar. Het gebruik van het woord “en” in combinatie met het woord “slechts” wijst erop dat de voorwaarden cumulatief zijn bedoeld. Het ligt, zoals [GEÏNTIMEERDEN] tijdens de mondelinge behandeling terecht hebben opgemerkt, ook niet voor de hand dat het de stichting zou vrijstaan de gronden van het erfgoed [X] gelegen in de polder Waard Nieuwland zonder enige beperking te verkopen. Anderzijds ligt niet voor de hand dat iedere verkoop van andere gronden dan onder b bedoeld aan onder c bedoelde rechtspersonen steeds zou zijn uitgesloten, ook in het geval dat de vermogens- of liquiditeitspositie van de stichting tot verkoop van deze grond zou noodzaken. De bepaling geeft dan ook geen sluitende regeling. Toegepast op de concrete omstandigheden van het geval, brengt de bepaling bij een redelijke uitleg mee dat het de stichting vrijstond om op grond van de door [GEÏNTIMEERDEN] opgegeven redenen – die [APPELLANTEN] op zichzelf niet hebben betwist – tot verkoop en overdracht van een beperkt deel van de grond, gelegen buiten het kerngebied van het erfgoed, over te gaan. [GEÏNTIMEERDEN] hebben daarbij voldoende gemotiveerd en onweersproken aangevoerd dat verkoop aan onder c bedoelde rechtspersonen in dit geval niet mogelijk was.

3.11 Wat de stelling van [APPELLANTEN] betreft dat het bestuur niet voltallig tot de verkoop van de gronden heeft besloten, verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank. Uit de overgelegde verslagen van vergaderingen blijkt dat het besluit tot verkoop herhaaldelijk in vergaderingen aan de orde is gesteld, zonder dat een van de bestuursleden daartegen – in of buiten de vergadering – bezwaar heeft gemaakt. Het hof tekent daarbij aan dat de stelling van [APPELLANTEN] dat [GEÏNTIMEERDEN] de dood van hun vader hebben afgewacht om tot verkoop te kunnen overgaan, wat daarvan verder zij, reeds weerlegd wordt door het feit dat zij het definitieve besluit over de verkoop in de vergadering na het overlijden van [DE VADER VAN APPELLANTEN] twee maanden hebben doorgeschoven, hoewel voor de volgende vergadering een van de nazaten van [DE VADER VAN APPELLANTEN] zou worden uitgenodigd het bestuur te completeren (zie verslag van de vergadering van 22 november 2000, productie 5 van de zijde van [GEÏNTIMEERDEN] in eerste aanleg).

3.12 Met grief 6 klagen [APPELLANTEN] ten slotte dat een geldig bestuursbesluit ter zake van verhuur van de boerderij (aan de familie [I]) heeft ontbroken. Dat dit besluit volgens het verslag ter sprake is gekomen in de vergadering van 25 april 2001 doet daaraan volgens [APPELLANTEN] niet af, omdat dit verslag niet is ondertekend en niet is goedgekeurd in de volgende vergadering en omdat [DE ZOON] voor een voldongen feit werd geplaatst.

3.13 Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Dat het verslag van de vergadering van 25 april 2001 niet is ondertekend en niet in de volgende vergadering is goedgekeurd, brengt op zichzelf niet mee dat het geen weergave bevat van hetgeen in de verslagen vergadering is voorgevallen. Dat het verslag inhoudelijk onjuist is, hebben [APPELLANTEN] niet gesteld en evenmin dat het verslag [DE ZOON] onbekend was. Gelet op de inhoud van het verslag, hebben [APPELLANTEN] hun stelling dat [DE ZOON] voor een voldongen feit werd gesteld onvoldoende geadstrueerd; zo hebben zij verzuimd aan te geven wat [GEÏNTIMEERDEN] aan [DE ZOON] als ‘voldongen’ zouden hebben gepresenteerd.

3.14 Tot slot merkt het hof nog op dat [APPELLANTEN] op het feit gereleveerd in onderdeel 9 van de grief tegen de feitenvaststelling (te weten dat [GEÏNTIMEERDEN] ten onrechte hebben beweerd dat [DE ZOON] volgens de statuten geen voorzitter van de stichting kon worden) in de andere grieven geen beroep hebben gedaan. Ten overvloede merkt het hof daarover op dat vaststaat dat deze onjuiste mededeling door [GEÏNTIMEERDEN] is gedaan (zie verslag vergadering van 19 december 2000, productie 8 van de zijde van [APPELLANTEN] in eerste aanleg; [GEÏNTIMEERDEN] hebben zulks ook erkend). Uit de stukken blijkt echter dat het misverstand dat de nazaten van [APPELLANTEN] geen voorzitter konden worden al bestond ten tijde van de voorlichtingsbijeenkomst met [APPELLANTEN] op 23 november 1996 (laatste alinea van het verslag opgenomen als productie 4 van de zijde van [GEÏNTIMEERDEN] in eerste aanleg) waarbij [DE VADER VAN APPELLANTEN] aanwezig was. Kwade trouw van de zijde van [GEÏNTIMEERDEN] is derhalve niet aannemelijk en een ontslaggrond levert de onjuiste mededeling, ook in samenhang met hetgeen overigens is komen vast te staan, niet op.

3.15 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd. [APPELLANTEN] zullen worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4. De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de bestreden beschikking;

- veroordeelt [APPELLANTEN] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [GEÏNTIMEERDEN] tot deze uitspraak begroot op € 894,-.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.M. Smit, G.J. Visser en Ch.E. du Perron en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2006.