Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV6832

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
geen nummer
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noch artikel 56, eerst lid van de Uitleveringswet noch enige andere bepaling uit de Uitleveringswet voorziet in de mogelijkheid tot schorsing van de uitleveringsdetentie nadat de Minister van Justitie reeds heeft besloten tot uitlevering en de officier van justitie van die beslissing in kennis is gesteld. De omstandigheid dat door de opgeëiste persoon nadien een geding bij de civiele voorzieningenrechter aanhangig is gemaakt of dat een bestuursrechtelijke procedure -waarvan de uitkomst mogelijk van invloed is op de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon en dientengevolge op de effectuering van de beslissing van de Minister van Justitie- nog niet ten einde is gekomen, kan niet meebrengen dat de opgeëiste persoon niettemin voor schorsing van de uitleveringsdetentie op grond van artikel 56 Uitleveringswet in aanmerking komt.

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM, ZEVENDE MEERVOUDIGE STRAFKAMER

BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep van de officier van justitie in de zaak van

[opgeëiste persoon]

tegen de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 21 december 2005, houdende toewijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie van voornoemde opgeëiste persoon.

De rechtsgang in hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Amsterdam van 23 december 2005, waarbij door de officier van justitie hoger beroep is ingesteld van voormelde beslissing van die rechtbank.

Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon en heeft in raadkamer van 11 januari 2006 gehoord de advocaat-generaal en de opgeëiste persoon, bijgestaan door diens raadsvrouw mr. M. Steen.

De uitleveringsprocedure

Bij beslissing van 25 maart 2005 heeft de rechtbank Amsterdam de door de Italiaanse autoriteiten op 6 oktober 2004 verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] ter fine van diens strafvervolging toelaatbaar verklaard. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 5 juli 2005 verworpen.

De Minister van Justitie heeft op 8 augustus 2005 de beslissing op het uitleveringsverzoek aangehouden in afwachting van opheldering over de verblijfsrechtelijke status van [opgeëiste persoon]. Bij beschikking van 19 december 2005 heeft de Minister van Justitie de verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] toegestaan.

Op 21 december 2005 heeft de rechtbank Amsterdam -op een daartoe op 5 december 2005 namens [opgeëiste persoon] ingediend verzoek- de uitleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] geschorst met ingang van 23 december 2005. Bij de motivering van deze beslissing heeft de rechtbank in het bijzonder gewezen op de bestuursrechtelijke procedures met betrekking tot de verblijfsstatus van [opgeëiste persoon] en op de volgens de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken gebrekkige motivering van de beschikking van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie tot weigering van de afgifte van een verblijfsdocument. Aangezien de beschikking van de Minister van Justitie tot uitlevering van [opgeëiste persoon] naar het oordeel van de rechtbank aan hetzelfde motiveringsgebrek lijdt, achtte de rechtbank termen aanwezig de uitleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] te schorsen "totdat de beschikking van de Minister van Justitie in rechte onaantastbaar is". De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

Door [opgeëiste persoon] is tegen de beschikking van de Minister van Justitie tot uitlevering een geding bij de voorzieningenrechter aanhangig gemaakt, dat op 24 januari a.s. zal dienen. Tevens is door [opgeëiste persoon] op 9 december 2005 bij de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie bezwaar gemaakt tegen haar beslissing van 8 december 2005 waarbij de toekenning aan [opgeëiste persoon] van een verblijfsdocument overeenkomstig artikel 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000, werd ingetrokken. Op dit bezwaar is nog niet beslist.

De beoordeling

Vooropgesteld zij dat de hof niet bevoegd is te treden in een waardering van de gevolgde bestuursrechtelijke procedures, de resultaten daarvan of de validiteit van de gegeven beslissingen. Voorzover op een en ander een beroep is gedaan, zowel van de kant van het openbaar ministerie als van de kant van [opgeëiste persoon], moeten de terzake aangevoerde argumenten buiten beschouwing blijven.

Het hof dient in de onderhavige procedure te beoordelen of de rechtbank, gelet op artikel 56, eerste lid, Uitleveringswet de uitleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] kon schorsen en of het hof zich kan vinden in deze beslissing tot schorsing.

Artikel 56, eerste lid, Uitleveringswet luidt:

"In gevallen waarin krachtens deze wet een beslissing omtrent de vrijheidsbeneming kan of moet worden genomen, kan worden bevolen dat die vrijheidsbeneming voorwaardelijk wordt opgeschort of geschorst totdat de officier van justitie overeenkomstig artikel 36 in kennis is gesteld van de beslissing van Onze Minister waarbij de uitlevering is toegestaan. De te stellen voorwaarden mogen alleen strekken ter voorkoming van vlucht."

De Memorie van Toelichting bij de wet die heeft geleid tot de huidige redactie van voormelde bepaling houdt, voorzover ten deze van belang, in:

"Het eerste lid van artikel 56 van de Uitleveringswet voorziet in de mogelijkheid tot voorwaardelijke schorsing van de uitleveringsdetentie, waarbij de te stellen voorwaarden alleen mogen strekken ter voorkoming van vlucht.

De ervaring leert dat deze bepaling voornamelijk wordt toegepast in het geval de opgeëiste persoon hier te lande een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Tegelijkertijd is gebleken dat ook deze personen van hun vrijheid gebruik maken om zich na ommekomst van de uitleveringsprocedure aan de feitelijke overlevering te onttrekken. (...)

Aan het doel van de uitlevering, het ter beschikking stellen van de opgeëiste persoon aan de verzoekende staat, is het voortduren van een schorsing of opschorting van de uitleveringsdetentie, nadat de Minister van Justitie positief op het uitleveringsverzoek heeft beslist, eigenlijk tegenstrijdig. Het risico dat de opgeëiste persoon zich aan zijn uitlevering zal onttrekken, neemt immers aanzienlijk toe nadat hij kennis heeft gekregen van een positieve beslissing op het uitleveringsverzoek. In plaats van de officier van justitie die belast wordt met de uitvoering van de uitleveringsbeslissing langer een vordering tot opheffing van de schorsing of de opschorting van de uitleveringsdetentie te laten instellen, wordt voorgesteld de opheffing of schorsing (het hof begrijpt: de schorsing of opschorting) van rechtswege te laten eindigen. Daardoor wordt het bevel bewaring of gevangenhouding voor tenuitvoerlegging vatbaar en krijgt de officier van justitie automatisch een titel om de opgeëiste persoon in uitleveringsdetentie te nemen. Het meest aangewezen moment daarvoor is dat, waarop de officier van justitie door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 36 van de Uitleveringswet in kennis is gesteld van zijn beslissing tot uitlevering. Hij is de eerste die de uitleveringsbeslissing ontvangt en kan alsdan maatregelen nemen om de opgeëiste persoon te detineren, zodat deze na kennisneming van de beslissing zich niet meer aan uitlevering kan proberen te onttrekken" (TK 1998-1999, 26 697, nr. 3, blz. 23).

Blijkens de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting strekt het huidige eerste lid van artikel 56 van de Uitleveringswet ertoe de feitelijke overlevering van een opgeëiste persoon te bespoedigen indien diens uitleveringsdetentie is geschorst of opgeschort en de verzochte uitlevering is toegestaan door de Minister van Justitie. Een dergelijke regeling kan in het licht van de ratio van de uitleveringsprocedure worden gezien als een vanzelfsprekend sluitstuk van de bepalingen omtrent de uitleveringsdetentie, waarmee voorkomen wordt dat een niet-gedetineerde opgeëiste persoon zich aan feitelijke overlevering kan onttrekken en daarmee de effectuering van de beslissing van de Minister van Justitie kan frustreren.

Noch voormeld artikel noch enige andere bepaling uit de Uitleveringswet voorziet in de mogelijkheid tot schorsing van de uitleveringsdetentie nadat de Minister van Justitie reeds heeft besloten tot uitlevering en de officier van justitie van die beslissing in kennis is gesteld. De omstandigheid dat door de opgeëiste persoon nadien een geding bij de civiele voorzieningenrechter aanhangig is gemaakt of dat een bestuursrechtelijke procedure -waarvan de uitkomst mogelijk van invloed is op de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon en dientengevolge op de effectuering van de beslissing van de Minister van Justitie- nog niet ten einde is gekomen, kan niet meebrengen dat de opgeëiste persoon niettemin voor schorsing van de uitleveringsdetentie op grond van artikel 56 Uitleveringswet in aanmerking komt. Immers, dergelijke procedures hebben niet tot gevolg dat de beslissing tot uitlevering van rechtswege wordt opgeschort, zodat ook in een dergelijk geval die beslissing aanstonds ten uitvoer kan worden gelegd.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank ten onrechte de uitleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] heeft geschorst, zodat de bestreden beslissing niet in stand kan blijven.

De beslissing

Het hof:

VERKLAART het beroep tegen de bestreden beslissing gegrond;

VERNIETIGT de beslissing van de rechtbank;

WIJST het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie alsnog af.

Deze beschikking is gegeven op 20 januari 2006 in raadkamer van dit hof door

mr. IJland-van Veen, voorzitter,

mrs. Houben en Van Woensel, raadsheren,

in tegenwoordigheid van Van Kalken als griffier.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de opgeëiste persoon.

Amsterdam, 20 januari 2006,

de advocaat-generaal