Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV6569

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
23-004302-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afpersing, vernieling en medeplegen van poging tot doodslag

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004302-05

datum uitspraak: 19 januari 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 22 juli 2005 in de strafzaak onder parketnummer 14-811011-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in [1988],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres + woonplaats]

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 28 april 2005 en 8 juli 2005 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 3 november 2005 en 5 januari 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouwe naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair, 3 impliciet primair, 4 impliciet primair en 5 impliciet primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde-

hij op 18 december 2004 in de gemeente Alkmaar, op de Rekerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer A] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende een of meerdere pas(jes) en een geldbedrag en een identiteitskaart en een foto), toebehorende aan voornoemde [slachtoffer A], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

- die [slachtoffer A], terwijl hij met zijn fiets tot stilstand was gekomen, is omsingeld en

- die [slachtoffer A] meerdere keren met een knuppel en vuisten in zijn gezicht en tegen zijn hoofd en elders tegen het lichaam is geslagen en

- die [slachtoffer A] meerdere keren tegen het lichaam is geschopt en

- die [slachtoffer A] een knietje in het gezicht heeft gekregen en

- toen die [slachtoffer A] weer op zijn fiets was gestapt, een keer met een knuppel tegen zijn fiets is geslagen en

- die [slachtoffer A] dreigend de woorden zijn toegevoegd: "geen brutale bek anders steek ik je neer met mijn mes en maak je zakken leeg" en "geef je portemonnee" en "niet de politie waarschuwen, anders dan pakken we je";

-ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde-

hij op 2 januari 2005 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een camper, toebehorende aan [slachtoffer B], heeft vernield;

-ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde-

hij in de nacht van 2 op 3 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, [slachtoffer C] van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededaders, met messen en een zwaard en een knuppel naar de Molenkade is gelopen waarna verdachte en/of een van zijn mededaders:

- die [slachtoffer C] uit een aldaar aangemeerde boot heeft/hebben gelokt en

- vervolgens met een zwaard een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [slachtoffer C] heeft/hebben gemaakt en

- die [slachtoffer C] een keer met een vuist tegen het hoofd heeft/hebben gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde-

hij in de nacht van 2 op 3 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer D] van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededaders, met messen en een zwaard en een knuppel naar de Molenkade is gelopen, waarna verdachte en/of een van zijn mededaders:

- die [slachtoffer D] uit een aldaar aangemeerde boot heeft/hebben gelokt en

- vervolgens met een knuppel en vuisten tegen het hoofd van die [slachtoffer D] heeft/hebben geslagen en

- meerdere keren met een mes in de rug en de buik van die [slachtoffer D] heeft/hebben gestoken en

- meerdere keren met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en elders tegen het lichaam van die [slachtoffer D] heeft/hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 5 primair tenlastegelegde-

hij op 7 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, [slachtoffer E] van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededaders, die [slachtoffer E] met messen en knuppels achterna is gelopen, waarna verdachte en/of zijn mededaders:

- die [slachtoffer E] onverhoeds van achteren heeft/hebben aangevallen en

- die [slachtoffer E] meerdere keren met een knuppel tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en

- die [slachtoffer E] meerdere keren met een mes in de buik en elders in het lichaam heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

-ten aanzien van het onder 1 primair bewezengeachte-

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

-ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezengeachte-

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

-ten aanzien van het onder 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezengeachte-

Telkens:

medeplegen van poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Alkmaar heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair, 3 impliciet primair en 4 impliciet primair tenlastegelegde en heeft verdachte –ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair en 5 impliciet primair tenlastegelegde- veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, ook als dit het volgen van een behandeling inhoudt.

Voorts heeft de rechtbank een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Tot slot heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer A], [slachtoffer D] en [slachtoffer E] gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partij [slachtoffer B] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair, 2 primair, 3 impliciet primair en 4 impliciet primair tenlastegde en dat de verdachte –ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair en 5 impliciet primair tenlastegelegde- zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 1 jaar -met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht- en de maatregel van plaatsing in een instelling voor jeugdigen.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij [slachtoffer B] niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering en dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer A], [slachtoffer D] en [slachtoffer E] gedeeltelijk zullen worden toegewezen tot een bedrag van respectievelijk € 696,45, € 10.342,- en € 7.842,-, dit in combinatie met een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich – samen met anderen- schuldig gemaakt aan een aantal (grove en) ernstige geweldsmisdrijven in de periode van 18 december 2004 tot en met 7 januari 2005 te Alkmaar.

Verdachte maakte deel uit van een groep jongeren die zich schuldig heeft gemaakt aan onder meer afpersing en medeplegen van poging tot doodslag van -meestal- willekeurige, niets vermoedende passanten.

Op 18 december 2004 doet verdachte samen met anderen twee fietsers, te weten [slachtoffer A] en diens vriendin, op de openbare weg stoppen. Het slachtoffer [slachtoffer A] wordt ingesloten en met vuisten geslagen door de groep. Vervolgens wordt hij door een persoon uit de groep met een honkbalknuppel midden in zijn gezicht geslagen. Ten gevolge van het slaan valt het slachtoffer in de bosjes. Terwijl het slachtoffer in deze bosjes ligt gaat de groep, waaronder verdachte, door met slaan. Het slachtoffer krijgt een knietje in zijn gezicht. Vervolgens wordt het slachtoffer –onder bedreiging van geweld- gezegd zijn zakken leeg te maken en gedwongen zijn portemonnee af te geven.

Verdachte en zijn mededaders hebben het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen en dat van het slachtof-fer in het bijzonder aangetast. Straatberovingen zijn beangstigende feiten die schade en letsel veroorzaken bij de benadeelde en in het algemeen gevoe-lens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

Op een verjaardag spreken verdachte en mededaders af wraak te nemen op ene ‘[...]’. Twee medeverdachten hebben die middag met die persoon ruzie gehad en willen hem dezelfde avond -2 januari 2005- bang maken.

De groep neemt verschillende wapens mee, te weten een zwaard, een knuppel en messen, en gaat naar de Molenkade, waar men denkt dat die “Rooie Kobus” woont, maar waar de woonboot van het latere slachtoffer [slachtoffer D] ligt.

Onderweg steekt verdachte met een mededader een camper in de brand, waardoor deze totaal wordt vernield.

Aangekomen bij de Molenkade worden [slachtoffer D] en de ook in de woonboot aanwezige [slachtoffer C] door de groep naar buiten gelokt door middel van het gooien van stenen. Verdachte geeft [slachtoffer C] een vuistslag tegen het hoofd. [slachtoffer C] weet nog net een steekbeweging met een zwaard te ontwijken en vlucht de woonboot in. [slachtoffer D] wordt meerdere keren met een knuppel, welke kapot geslagen wordt op het hoofd van de man, en met vuisten geslagen. Het slachtoffer probeert zich nog te verweren met een houten stok, maar deze wordt kapot geslagen met een zwaard dat een medeverdachte hanteert. Nadat [slachtoffer D] op de grond is gevallen steekt een medeverdachte –terwijl hij op het lichaam van die [slachtoffer D] zit- met een mes in de rug en buik van [slachtoffer D]. Ook wordt die [slachtoffer D] nog tegen het hoofd geschopt.

Vervolgens rent de groep weg en laat de man in zeer zorgwekkende toestand, hulpeloos, op een zeer rustige lokatie –alleen- buiten achter.

Het slachtoffer [slachtoffer D] is in zeer kritieke toestand in het ziekenhuis opgenomen met letsel aan zijn hart, longen en lever.

Dezelfde week, op 7 januari 2005, wordt het latere slachtoffer [slachtoffer E], die door het Victoriepark loopt, door verdachte en twee medeverdachten plotseling van achteren aangevallen met knuppels. Daarnaast steekt een medeverdachte [slachtoffer E] met een mes in de buik.

[slachtoffer E] wordt opgenomen in het ziekenhuis met ernstig buikletsel en ondervindt nog steeds –naar blijkt uit zijn verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep op 5 januari 2006 heeft afgelegd- lichamelijke en psychische klachten.

Dat de slachtoffers [slachtoffer C], [slachtoffer D] en [slachtoffer E] niet aan hun verwondingen zijn bezweken is een gelukkige omstandigheid die echter geenszins aan verdachte en zijn mededaders is te danken. De slachtoffers ondervinden nog steeds veel last van de door verdachte (en zijn mededaders) toegebrachte verwondingen en de toegebrachte psychische schade.

Het door verdachte en zijn mededaders gebezigde geweld brengt niet alleen persoonlijk leed voor de slachtoffers en hun naasten met zich. Het gewelddadige gedrag van verdachte en zijn mededaders heeft een enorme maatschappelijke onrust en angst veroorzaakt bij de inwoners van de stad Alkmaar en draagt in belangrijke mate bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2005 is verdachte eerder ter zake van een overtreding van de Leerplichtwet veroordeeld.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van een pro justitia rapportage, opgemaakt op 22 juni 2005 door drs. H.V. Warnaar, psychiater, en een pro justitia rapportage, opgemaakt op 14 juni 2005 door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog.

Genoemd rapport van drs. Warnaar houdt – kort en zakelijk weergegeven - onder meer in:

Bij onderzochte is tot zijn 14e/15e jaar de persoonlijkheidsontwikkeling ogenschijnlijk normaal verlopen. Daarna heeft onderzochte toenemend gedragsproblemen ontwikkeld. Zo zette verdachte zich thuis erg af tegen zijn ouders en spijbelde hij veel. Zijn ouders konden hem te weinig structuur en leiding bieden. Intensieve hulpverlening verbeterde dit niet totdat onderzochte uit huis geplaatst werd naar Klaas Groen.

Bij onderzochte heeft zich een gedragsstoornis ontwikkeld die ten tijde van het tenlastegelegde bestond. Onderzochte bleef voor zijn leeftijd te egocentrisch en te narcistisch. Omdat onderzochte het tenlastegelegde grotendeels ontkent kan onvoldoende zicht komen op de relatie tussen het tenlastegelegde en de geconstateerde psychische problematiek. Met betrekking tot hetgeen onderzochte heeft bekend (een klap) is er sprake van reactief geweld en is er geen oorzakelijk verband met de geconstateerde psychische stoornis. Met betrekking tot het geven van de klap is onderzochte volkomen toerekeningsvatbaar.

Onderzochte is reeds intra-muraal behandeld hetgeen perspectief leek te hebben. Een verdere intra-murale behandeling wordt raadzaam geacht. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, wordt ter overweging gegeven een maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen op te leggen. Dit gelet op de ernst van het tenlastegelegde en de ontkenning, de problematische voorgeschiedenis en de beschreven psychische problematiek. Een eventueel door de rechtbank opgelegde PIJ maatregel kan het beste in een inrichting gebeuren waar onderzocht een opleiding consumptieve vakken of metaalbewerking kan volgen.

Genoemd rapport van drs. Sterk houdt – kort en zakelijk weergegeven - onder meer in:

Bij onderzochte is sprake van een gebrekkig ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis. De persoonlijkheidsontwikkeling gaat richting een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, maar op dit moment kan dat nog niet als zodanig geclassificeerd worden. Tevens lijkt er sprake van een softdrugsafhankelijkheid, welke momenteel gedwongen in remissie is.

Afgezien van de klap die onderzochte heeft gegeven uit zelfverdediging, zoals hij zelf stelt, is er onvoldoende zicht verkregen op de relatie tussen de geconstateerde psychische problematiek en het tenlastegelegde. Over een eventueel verband tussen de geconstateerde problematiek en het tenlastegelegde wordt dan ook geen uitspraak gedaan.

Onderzochte moet in staat worden geacht om de strafwaardigheid van zijn handelen ten tijde van het tenlastegelegde in te kunnen zien.

Ten aanzien van de klap die onderzochte zegt te hebben gegeven, is er geen relatie geconstateerd met het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om onderzochte ten aanzien van dit feit volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Al kan vanwege onderzochtes gebrek aan openheid geen exact verband tussen onderzochtes problematiek en het tenlastegelegde worden aangegeven, mag deze weigering in zichzelf geen reden zijn om niet te komen tot een behandeladvies.

Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek onderging onderzochte reeds behandeling en nog steeds acht onderzoeker behandeling ten aanzien van zijn psychische problematiek geïndiceerd.

Gezien de ernst van de feiten lijkt het geïndiceerd, indien het tenlastegelegde wordt bewezengeacht een verdere behandeling van de psychische problematiek van onderzochte in een gesloten juridische setting te laten plaatsvinden teneinde de bewezen geachte feiten te integreren in zijn persoonlijkheid en de eventuele kans op recidive daarmee te minimaliseren. Gezien de aard van de psychsiche problematiek en de ernst van de tenlastegelegde feiten lijkt een behandeling binnen een maatregel plaatsing in een jeugdinrichting geïndiceerd.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de verklaringen die de getuige-deskundigen Warnaar en Sterk ter terechtzitting in hoger beroep op 5 januari 2006 hebben afgelegd.

Getuige-deskundige Sterk heeft onder meer –zakelijk weergegeven- verklaard dat hij blijft bij zijn advies tot het aan verdachte opleggen van een maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen. Verdachte heeft een narcistische kant en een antisociale kant. Vanuit gedragskundig oogpunt is moeilijk iets te zeggen over het verband tussen het bewezengeachte en de persoonlijkheidsstoornis van verdachte. De korte periode tussen de twee tenlastegelegde feiten die zich afspeelden in het Victoriepark is aanleiding te vermoeden dat de antisociale kant van verdachte fors is. De narcistische kant van verdachte komt naar voren doordat verdachte het tenlastegelegde niet integreert in zijn persoonlijkheid: door te verklaren dat hij op het verkeerde moment op de verkeerde plek was legt hij het tenlastegelegde buiten zichzelf. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte een beperkt ontwikkelde gewetensfunctie heeft en dat hij geen rem kan zetten op grensoverschrijdend (crimineel) gedrag.

Sterk is van mening dat de kans op recidive mede gelet op deze gewetensfunctie hoger ingeschat dient te worden en adviseert een behandeling in een gesloten setting.

Getuige-deskundige Warnaar heeft onder meer –zakelijk weergegeven- verklaard dat verdachte behandeld dient te worden en bij voorkeur in een gesloten gestructureerde setting waar verdachte zijn vrijheid moet verdienen.

Volgens Warnaar is er reeds sprake van recidivegedrag nu verdachte in de nacht van 2 op 3 januari 2005 eerst een camper heeft vernield door middel van brandstichting en vervolgens dezelfde nacht heeft deelgenomen aan de pogingen doodslag op [slachtoffer C] en [slachtoffer D].

Voorts heeft het hof acht geslagen op -1) het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van S. Evers d.d. 1 juli 2005 en -2) het rapport d.d. 22 december 2005 van G. Poorthuis, jeugdreclasseringwerker bij Bureau Jeugdzorg Noord Holland, alsmede op de door hem ter terechtzitting van 5 januari 2006 afgelegde verklaring.

Het hof neemt de conclusies over en maakt die tot de zijne.

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat van recidivegevaar voldoende blijkt uit de omstandigheid dat verdachte in de nacht van 18 op 19 december 2004 een gewelddadig feit heeft gepleegd en vervolgens in de maand januari 2005 binnen een periode van 5 dagen tot twee maal toe met deels dezelfde groep jongens betrokken is geweest bij een drietal levensdelicten.

Al het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijk jeugddetentie van na te melden duur én een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd dient te worden, hetgeen mogelijk is nu het een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algeme-ne veilig-heid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist en deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verde-re ontwikkeling van de verdachte.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

De benadeelde partij -waarvoor mr. M.D. da Silva Melchor, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 primair tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg deels toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 1.206,45 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 subsidiair tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu de benadeelde partij in eerste aanleg niet ontvankelijk is verklaard in haar vordering en niet is gebleken dat zij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, kan haar vordering buiten beschouwing blijven.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer D]

De benadeelde partij -waarvoor mr. J.M. Comans-Diesfeldt als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 4 primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich niet gevoegd in hoger beroep.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer E]

De benadeelde partij -waarvoor mr. J.M. Comans-Diesfeldt als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 5 primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich niet gevoegd in hoger beroep.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45 eerste lid, 77a, 77g, 77i, 77l, 77s, 77v, 77gg, 287, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 impliciet primair, 4 impliciet primair en 5 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair en 5 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Adviseert dat deze maatregel voor jeugdigen ten uitvoer gelegd zal worden in een instelling welke zo goed mogelijk aansluit bij de psychische problematiek van verdachte en zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de ouders van verdachte is gelegen.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK Dolk, kleur: brons, mes in foedraal met oranje stuk

1.00 STK Zakmes

1.00 STK Mes, kleur: zwart, keuken

1.00 STK Pistool, kleur: zwart, merk: Jieke, nep plastic pistool.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer A]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer A], wonende te [...], rekeningnummer [...], een bedrag van EUR 696,45 (zeshonderdzesennegentig euro en vijfenveertig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 696,45 (zeshonderdzesennegentig euro en vijfenveertig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer A].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer D]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer D], wonende te Alkmaar, een bedrag van EUR 10.342,00 (tienduizend driehonderdtweeënveertig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 10.342,00 (tienduizend driehonderdtweeënveertig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer D].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 49 (negenenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer E]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer E], wonende te [...], een bedrag van EUR 7.842,00 (zevenduizend achthonderdtweeënveertig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op EUR 90,-.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 7.842,00 (zevenduizend achthonderdtweeënveertig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer E].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 38 (achtendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 6e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.G.B. Heutink, mr. E.J. Schreuder en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. E.F.E. Hoekstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 januari 2006.