Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV6554

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
23-004516-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2005:AU0047
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afpersing, medeplegen van poging tot doodslag, (medeplegen van) poging tot moord en medeplegen van bedreiging met zware mishandeling

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004516-05

datum uitspraak: 19 januari 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 26 juli 2005 in de strafzaak onder parketnummer 14-810031-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in [1986],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres + woonplaats],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag te Zwaag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 28 april 2005 en 12 juli 2005 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 3 november 2005 en 5 januari 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte 1 primair, 4 impliciet primair en 5 impliciet primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Ter terechtzitting in hoger beroep op 5 januari 2006 heeft de raadsman van verdachte betoogd dat, nu de getuigen-deskundigen E.H. Ameling en F.R. Kruisdijk, werkzaam als respectievelijk psycholoog en psychiater bij het Pieter Baan Centrum, in de door hen opgestelde pro-justitia rapportage concluderen dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden geacht, er geen sprake kan zijn van opzet en voorbedachte rade ten aanzien van deze feiten.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Uit de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat verdachte en zijn mededader(s) bij alle feiten in het bezit waren van knuppel(s) en/of (een) mes(sen) en/of een zwaard. Voorts is bij alle feiten sprake van (grof) geweld, met name tegen het hoofd en het gezicht van de slachtoffers. Het door verdachte toegepaste geweld bestond vooral uit het met een mes (gericht steken) in de buik en/of de rug van de slachtoffers. Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank van 12 juli 2005 verklaard dat hij ter hoogte van de lever van het slachtoffer [slachtoffer F] heeft gestoken, en uit de medische verklaringen van de andere slachtoffers, blijkt dat de verwondingen zich vrijwel allemaal in of in de nabijheid van vitale organen als long, lever en hartstreek bevonden.

Door aldus te handelen heeft verdachte op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers aan de door hem toegebrachte verwondingen zou komen te overlijden.

Met betrekking tot de voorbedachte rade is het volgende van belang:

- [...] heeft bij de politie verklaard dat ze vóór 7 januari 2005 al een knuppel in het Victoriepark te Alkmaar hadden verstopt, omdat ze iemand wilden slaan, met iemand wilden vechten. (Z3, p. 67 e.v.);

- Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 juli 2005 bij de rechtbank verklaard dat hij het mes al een hele tijd in zijn handen had, dat [...] zei: “we gaan hem pakken” en dat ze achter het slachtoffer [slachtoffer F] (feit 6) aan zijn gelopen.

- Uit de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer G] (Z4, p. 18) blijkt dat hij ziet dat verdachte richting het fietspad loopt en daar langs de kant stil bleef staan. Verdachte is nadat het slachtoffer hem voorbij was achter hem aangerend en heeft hem gestoken.

- Slachtoffer [slachtoffer H] (feit 8) is in een fietstunnel neergestoken. Verdachte verklaart hierover ter terechtzitting van de rechtbank op 12 juli 2005 dat hij na de vorige steekpartij (feit 7) nog steeds opgefokt was en dat hij en [...]wat rondgelopen hebben en een joint hebben gerookt. Vervolgens heeft hij in de fietstunnel slachtoffer [H] neergestoken.

- Over feit 9 verklaart verdachte bij de politie (Z6, p. 98 e.v.) dat hij het mes al uitgeklapt had en dat hij al wist wat er ging gebeuren.

Gelet op de loop van de gebeurtenissen zoals blijkend uit de bewijsmiddelen en met name de hierboven aangeduide verklaringen heeft verdachte naar het oordeel van het hof steeds de tijd gehad om zich te beraden en te bezinnen. Bij de onder 6, 7 8 en 9 tenlastegelegde feiten acht het hof derhalve behalve het opzet ook de voorbedachte rade bewezen.

Het door de verdediging ter bestrijding van een dergelijk oordeel gedane beroep op de conclusie van het omtrent verdachte opgemaakte rapport van het PBC faalt reeds omdat die conclusie geen antwoord geeft op de vraag of verdachte al dan niet opzettelijk en eventueel met voorbedachten rade heeft gehandeld, doch slechts of een dergelijk handelen, indien bewezen verklaard, hem in meer of minder mate kan worden toegerekend.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 impliciet primair, 7 impliciet primair, 8 impliciet primair en 9 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

-ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde-

hij op 17 december 2004 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer A] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte, opzettelijk dreigend

- een knuppel en een zwaard aan die [slachtoffer A] getoond en

- zich aan die [slachtoffer A] opgedrongen en

- die [slachtoffer A] achtervolgd;

-ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde-

hij op 18 december 2004 in de gemeente Alkmaar, op de Rekerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende een of meerdere pas(jes) en een geldbedrag en een identiteitskaart en een foto), toebehorende aan voornoemde [slachtoffer B], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

- die [slachtoffer B], terwijl hij met zijn fiets tot stilstand was gekomen, is omsingeld en

- die [slachtoffer B] meerdere keren met een knuppel en vuisten in zijn gezicht en tegen zijn hoofd en elders tegen het lichaam is geslagen en

- die [slachtoffer B] meerdere keren tegen het lichaam is geschopt en

- die [slachtoffer B] een knietje in het gezicht heeft gekregen en

- toen die [slachtoffer B] weer op zijn fiets was gestapt, een keer met een knuppel tegen zijn fiets is geslagen en

- die [slachtoffer B] dreigend de woorden zijn toegevoegd: "geen brutale bek anders steek ik je neer met mijn mes en maak je zakken leeg" en "geef je portemonnee" en "niet de politie waarschuwen, anders dan pakken we je";

-ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde-

hij op 19 december 2004 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer C] van het leven te beroven, met zijn mededaders, naar die [slachtoffer C] is toegelopen, waarna verdachte en/of een van zijn mededaders:

- die [slachtoffer C] meerdere keren met een knuppel en de vuisten tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en

- die [slachtoffer C] meerdere keren met kracht, met geschoeide voet tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en

- die [slachtoffer C] één keer met een mes in de rug heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde-

hij in de nacht van 2 op 3 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, [slachtoffer D] van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededaders, met messen en een zwaard en een knuppel naar de Molenkade is gelopen waarna verdachte en/of een van zijn mededaders:

- die [slachtoffer D] uit een aldaar aangemeerde boot heeft/hebben gelokt en

- vervolgens met een zwaard een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [slachtoffer D] heeft/hebben gemaakt en

- die [slachtoffer D] een keer met een vuist tegen het hoofd heeft/hebben gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 5 primair tenlastegelegde-

hij in de nacht van 2 op 3 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer E] van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededaders, met messen en een zwaard en een knuppel naar de Molenkade is gelopen, waarna verdachte en/of een van zijn mededaders:

- die [slachtoffer E] uit een aldaar aangemeerde boot heeft/hebben gelokt en

- vervolgens met een knuppel en vuisten tegen het hoofd van die [slachtoffer E] heeft/hebben geslagen en

- meerdere keren met een mes in de rug en de buik van die [slachtoffer E] heeft/hebben gestoken en

- meerdere keren met kracht met geschoeide voet tegen hoofd en elders tegen het lichaam van die [slachtoffer E] heeft/hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 6 impliciet primair tenlastegelegde-

hij op 7 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer F] van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, met zijn mededaders, die [slachtoffer F] met messen en een knuppel achterna is gelopen, waarna verdachte en/of zijn mededaders:

- die [slachtoffer F] onverhoeds van achteren heeft/hebben aangevallen en

- die [slachtoffer F] meerdere keren met een knuppel tegen het hoofd en elders tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en

- die [slachtoffer F] meerdere keren met een mes in de buik en elders in het lichaam heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 7 impliciet primair tenlastegelegde-

hij op 9 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer G] van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes in de hand naar het fietspad in het Victoriapark is gelopen en daar is gaan staan en die [slachtoffer G] daar heeft opgewacht, waarna verdachte, toen die [slachtoffer G] voorbij fietste, die [slachtoffer G] onverhoeds van achteren heeft aangevallen en hem één keer met een mes in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 8 impliciet primair tenlastegelegde-

hij op 9 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer H] van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, met zijn mededader, met een mes in de hand bij een fietstunnel bij de Rekerdijk is gaan staan, waarna verdachte en/of zijn mededader, toen die [slachtoffer H] voorbij fietste, die [slachtoffer H] onverhoeds van achteren heeft/hebben aangevallen en hem meerdere keren met een mes in de rug heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

-ten aanzien van het onder 9 impliciet primair tenlastegelegde-

hij op 9 januari 2005 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer I] van het leven te beroven, met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg:

- toen hij die [slachtoffer I] aan zag komen fietsen, een mes uit zijn zak heeft gepakt en dat mes heeft opengeklapt en

- met dat mes in zijn hand op die [slachtoffer I] is afgerend en

- vervolgens, toen die [slachtoffer I] voorbij fietste, die [slachtoffer I] onverhoeds heeft aangevallen en

- die [slachtoffer I] één keer met een mes in de rug heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 impliciet primair, 7 impliciet primair, 8 impliciet primair en 9 impliciet primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

-ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezengeachte-

Medeplegen van bedreiging met zware mishandeling.

-ten aanzien van het onder 2 primair bewezengeachte-

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

-ten aanzien van het onder 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezengeachte-

Telkens:

medeplegen van poging tot doodslag.

-ten aanzien van het onder 6 impliciet primair en 8 impliciet primair bewezengeachte-

Telkens:

medeplegen van poging tot moord.

-ten aanzien van het onder 7 impliciet primair en 9 impliciet primair bewezengeachte-

Telkens:

poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Alkmaar heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair, 4 impliciet primair en 5 impliciet primair tenlastegelegde en heeft de verdachte terzake van het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 impliciet primair, 7 impliciet primair, 8 impliciet primair en 9 impliciet primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en heeft de terbeschikkingstelling van verdachte gelast.

Voorts heeft de rechtbank een aantal voorwerpen onttrokken aan het verkeer en heeft gelast dat een aantal voorwerpen teruggegeven dienen te worden aan verdachte.

Tot slot heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer B], [slachtoffer E], [slachtoffer F], [slachtoffer H] en [slachtoffer I] gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partij [slachtoffer A] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 4 impliciet primair en 5 impliciet primair tenlastegelegde en terzake van het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 impliciet primair, 7 impliciet primair, 8 impliciet primair en 9 impliciet primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht en tot TBS met bevel tot verpleging. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een aantal van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer en een aantal van de inbeslaggenomen voorwerpen worden teruggegeven aan de verdachte.

Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer B], [slachtoffer E], [slachtoffer F], [slachtoffer H] en [slachtoffer I] zullen worden toegewezen tot een bedrag van respectievelijk € 696,45, € 10.342,-, € 7.842,-, € 8.458,20 en € 2.976,70, dit in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel, en heeft hij gevorderd dat de benadeelde partijen voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich – samen met anderen- schuldig gemaakt aan een negental (grove en) ernstige geweldsmisdrijven in de periode van 17 december 2004 tot en met 9 januari 2005 te Alkmaar.

Verdachte was de meerderjarige leider van een groep minderjarige jongeren die zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing, bedreiging met zware mishandeling en pogingen tot doodslag en moord van -meestal- willekeurige, niets vermoedende passanten.

Op 17 december 2004 wordt het latere slachtoffer [slachtoffer A] -die ’s avonds in het Victoriepark fietst- aangesproken door verdachte en een ander lid van de groep. Omdat [slachtoffer A] geen ‘hoi’ tegen de twee jongens zou hebben gezegd vragen zij [slachtoffer A] te stoppen en bedreigen hem vervolgens met een gummi-knuppel en een mes. Nadat die [slachtoffer A] hard wegrent, gaan zij hem nog even achterna om er vervolgens met de fiets van [slachtoffer A] vandoor te gaan.

Samen met anderen heeft verdachte op 18 december 2004 twee willekeurige fietsers, te weten [slachtoffer B] en diens vriendin, op de openbare weg doen stoppen. Het slachtoffer [slachtoffer B] wordt ingesloten en met vuisten geslagen door de groep. Vervolgens wordt hij door een persoon uit de groep met een honkbalknuppel midden in zijn gezicht geslagen. Ten gevolge van het slaan valt het slachtoffer in de bosjes. Terwijl het slachtoffer in deze bosjes ligt gaat de groep, waaronder verdachte, door met slaan. Het slachtoffer krijgt een knietje in zijn gezicht. Vervolgens wordt het slachtoffer –onder bedreiging van geweld- gezegd zijn zakken leeg te maken en gedwongen zijn portemonnee af te geven.

Verdachte en zijn mededaders hebben het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen en dat van de slachtof-fers [slachtoffer A] en [slachtoffer B] in het bijzonder aangetast. Bedreiging en straatberoving zijn zeer beangstigende feiten die bij de benadeelde, hun naasten en de maatschappij gevoe-lens van onrust en onveiligheid veroorzaken.

Enkele uren later, in de nacht van 18 op 19 december 2004, zitten verdachte en twee medeverdachten op een bankje in het Victoriepark, alwaar zij het latere slachtoffer [slachtoffer C] zien lopen. Nadat ze hebben afgesproken deze man te ‘pakken’, wordt [slachtoffer C] met de vuist en met een honkbalknuppel tegen zijn (achter)hoofd geslagen. Nadat de man hierdoor op de grond is gevallen, en meerdere malen tegen zijn bovenlichaam is geschopt, pakt verdachte een mes en steekt de man opzettelijk in zijn rug. Verdachte en zijn medeverdachten rennen vervolgens weg.

Op een verjaardag spreken verdachte en mededaders af wraak te nemen op ene ‘[...]’. Twee medeverdachten hebben die middag met deze persoon ruzie gehad en willen hem dezelfde avond -2 januari 2005- bang maken.

De groep neemt verschillende wapens mee, te weten een zwaard, een knuppel en messen, en gaat naar de Molenkade, waar men denkt dat die “Rooie Kobus” woont, maar waar de woonboot van het latere slachtoffer [slachtoffer E] ligt. Nadat [slachtoffer E] en de ook in de woonboot aanwezige [slachtoffer D] naar buiten zijn gelokt door middel van het gooien van stenen, krijgt [slachtoffer D] een vuistslag tegen het hoofd. Hij weet nog net een steekbeweging met een zwaard te ontwijken en vlucht de woonboot in. [slachtoffer E] wordt meerdere keren met een knuppel, welke kapot geslagen wordt op het hoofd van de man, en met vuisten geslagen. Het slachtoffer probeert zich nog te verweren met een houten stok, maar deze wordt kapot geslagen met een zwaard dat een medeverdachte hanteert. Nadat [slachtoffer E] op de grond is gevallen steekt verdachte –terwijl hij op het lichaam van die [slachtoffer E] zit- met een mes in de rug en buik van [slachtoffer E]. Tegelijkertijd wordt [slachtoffer E] door een mededader tegen het hoofd geschopt.

Vervolgens rent de groep weg en laat de man in zeer zorgwekkende toestand, hulpeloos, op een zeer rustige lokatie –alleen- buiten achter.

Het slachtoffer [slachtoffer E] is in zeer kritieke toestand in het ziekenhuis opgenomen met letsel aan zijn hart, longen en lever.

Dezelfde week, op 7 januari 2005, wordt het latere slachtoffer [slachtoffer F], die door het Victoriepark loopt, door verdachte en twee medeverdachten plotseling van achteren aangevallen met knuppels. Verdachte steekt daarnaast [slachtoffer F] met een mes in de buik.

[slachtoffer F] wordt opgenomen in het ziekenhuis met ernstig buikletsel en ondervindt nog steeds –naar blijkt uit zijn verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep op 5 januari 2006 heeft afgelegd- lichamelijke en psychische klachten.

In de nacht van 9 januari 2005, twee dagen later, fietst een groepje jongens door het Victoriepark. Verdachte rent achter de groep aan en steekt -eveneens zonder aanleiding- de laatste fietser van de groep, [slachtoffer G], in zijn rug. Hierdoor loopt [slachtoffer G] letsel op aan een long en lijdt ernstig bloedverlies.

Omdat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, nog steeds opgefokt is valt hij diezelfde avond samen met een medeverdachte het latere slachtoffer [slachtoffer H] aan. Deze fietst door een fietstunneltje en passeert verdachte en zijn medeverdachte. Verdachte steekt [slachtoffer H] drie maal in de rug met een mes. [slachtoffer H] valt vervolgens van zijn fiets en wordt geschopt door de medeverdachte. [slachtoffer H] loopt hierdoor een klaplong op en een gebroken schouder en schouderblad.

Nadat verdachte [slachtoffer H] heeft gestoken gaat hij alleen naar huis. Hij voelt zich nog steeds opgefokt. Onderweg komt hij op de Dr. Scheylaan een fietsster tegen, [slachtoffer I], die hij in de rug steekt. Vervolgens rent hij snel weg. [slachtoffer I] houdt hier een steekwond aan over.

Dat de slachtoffers [slachtoffer C], [slachtoffer D], [slachtoffer E], [slachtoffer F], [slachtoffer G], [slachtoffer H] en [slachtoffer I] niet aan hun verwondingen zijn bezweken is een gelukkige omstandigheid die echter geenszins aan verdachte en zijn mededaders is te danken. De slachtoffers ondervinden nog steeds veel last van de door verdachte (en zijn mededaders) toegebrachte verwondingen en de toegebrachte psychische schade.

Het door verdachte en zijn mededaders gebezigde geweld brengt niet alleen persoonlijk leed voor de slachtoffers en hun naasten met zich. Het gewelddadige gedrag van verdachte en zijn mededaders heeft een enorme maatschappelijke onrust en angst veroorzaakt bij de inwoners van de stad Alkmaar en draagt in belangrijke mate bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 november 2005 is verdachte eerder ter zake van onder meer mishandeling en vernieling veroordeeld.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van een pro justitia rapportage, opgemaakt op 28 juni 2005 door E.H. Ameling, werkzaam als psycholoog bij het Pieter Baan Centrum, en F.R. Kruisdijk, werkzaam als psychiater bij het Pieter Baan Centrum.

Genoemd rapport houdt – kort en zakelijk weergegeven - onder meer in:

Sedert de vroege jeugd is bij onderzochte sprake van een stoornis in de ontwikkeling, gepaard gaande met kinderpsychiatrische problematiek, waaronder een gedragsstoornis. Thans manifesteert deze zich als een ernstige persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische en borderline kenmerken. De persoonlijkheid van onderzochte heeft een wankele, gefragmenteerde basis en er is sprake van een organisatie op borderline niveau, met onvoldoende integratie van driften en impulsen, een intrinsieke behoefte aan sensatiezoekend gedrag en een onvermogen om zich zonder structurerend kader staande te houden. Onderzochte heeft een narcistische behoefte aan bewondering, waarmee onderzochte zijn gebrekkige persoonlijkheidsorganisatie overdekt: door het bewonderd worden en het uitoefenen van macht wordt de sensatiebehoefte bevredigd en wordt zijn kwetsbaarheid overdekt door het tegendeel. Hieruit vallen zijn pogingen een positie in groepen te verwerven te verklaren: een groep vormt als het ware een prothese voor zijn gebrekkige persoonlijkheidsorganisatie. Een antisociale ontwikkeling die als psychopathieform valt te omschrijven bestaat reeds jarenlang; onderzochte maakt daardoor een instrumentele, berekende indruk.

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde (het hof begrijpt: de onder 2 tot en met 6 tenlastegelegde feiten) wordt onderzochte verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Bij deze delicten was sprake van geplande acties en een (wraak-) of berovingsmotief. Dit ontbrak bij het onder 6 tot en met 8 tenlastegelegde (het hof begrijpt: de onder 7 tot en met 9 tenlastegelegde feiten). Onderzochte was deze nacht (het hof begrijpt: de nacht van 9 januari 2005) onderhevig aan een zekere drang en verkeerde in een zodanig ontremde toestand dat alleen een externe begrenzing aan de gewelddadigheden een einde kon maken. Voor deze laatste feiten wordt onderzochte sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De kans op recidive moet op korte termijn als groot worden ingeschat. Niet alleen onderzochte is hiervan overtuigd, ook de klinische beoordeling komt hiermee overeen: zonder structurerend kader als tegenwicht voor de gebrekkige persoonlijkheidsorganisatie zijn reeds op korte termijn impulsdoorbraken te verwachten. Een risicoanalyse bevestigt dit.

Geadviseerd wordt, gezien de aard en de ernst van de persoonlijkheidsstoornis, het duurzame karakter ervan en het eruit voortvloeiende gevaar voor de veiligheid van anderen, aan onderzochte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de verklaringen die de getuige-dekundigen Ameling en Kruisdijk ter terechtzitting in hoger beroep op 5 januari 2006 hebben afgelegd naar aanleiding van de reden van het instellen van het hoger beroep, namelijk het verkorten van een eventueel door het hof op te leggen gevangenisstraf voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van verdachte.

Getuige-deskundige Ameling verklaart naar aanleiding hiervan –zakelijk weergegeven- dat hij van mening is dat verdachte geheel geschikt is voor detentie, dat verdachte zich prima voelt in een gestructureerde omgeving en dat verdachte voor ogen heeft dat hij -zodra hij in behandeling is bij een TBS-kliniek- snel ontslagen zou kunnen worden door zich voorbeeldig te gedragen en dat daarom de behandelaars ter zijner tijd zeer alert zullen moeten zijn ten aanzien van proefverlof. Voorts merkt de deskundige op dat als de gevangenisstraf inderdaad bekort zou worden de verdachte het voor hem zo belangrijke gevoel zou krijgen de situatie weer te kunnen controleren.

Getuige-deskundige Kruiswijk is van mening dat verdachte zeker niet detentieongeschikt is, dat hij de zorg van Ameling ten aanzien van het verkorten van een eventuele gevangenisstraf deelt -hoewel hij verdachte een behandeling gunt-, dat men de psychopathie van verdachte niet moet onderschatten en dat verdachte levensgevaarlijk is. Anderzijds bestaat volgens deze deskundige natuurlijk het gevaar dat een gevangenisstraf verdachte ook zou kunnen verharden.

Resumerend is Kruiswijk van mening dat het in de zaak van verdachte niet noodzakelijk is direct te beginnen met behandeling in een TBS-kliniek en dat hij de toekomstige behandelaars aanraadt terughoudend te zijn met proefverlof.

Het hof neemt de conclusies over en maakt die tot de zijne.

Al het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf zoals door de rechtbank bepaald passend en geboden is en dat aan verdachte bovendien de maatregel van TBS met dwangverpleging dient te worden opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 5 januari 2006 het hof verzocht een advies in haar arrest op te nemen omtrent het tijdstip waarop een eventuele terbeschikkingstelling met verpleging dient aan te vangen, zoals bedoeld in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof ziet evenwel geen aanleiding tot het opnemen van een rechterlijk advies met betrekking tot het tijdstip waarop de TBS met dwangverpleging van overheidswege dient aan te vangen.

Het hof gaat er overigens van uit dat -zoals bedoeld in artikel 42 van de Penitentiare Maatregel- de aanvang van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege geschiedt nadat eenderde van de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer is gelegd.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Nu de benadeelde partij in eerste aanleg niet ontvankelijk is verklaard in haar vordering en niet is gebleken dat zij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep (wederom) als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, moet haar vordering buiten beschouwing blijven.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer B]

De benadeelde partij -waarvoor mr. M.D. da Silva Melchor, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 primair tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg deels toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 1.206,45 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer E]

De benadeelde partij -waarvoor mr. J.M. Comans-Diesfeldt als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 5 primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich niet gevoegd in hoger beroep.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer F]

De benadeelde partij -waarvoor mr. J.M. Comans-Diesfeldt als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 6 impliciet primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich niet gevoegd in hoger beroep.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 impliciet primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer H]

De benadeelde partij -waarvoor mr. S. Mosk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 8 impliciet primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 12.299,66 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 8 impliciet primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer I]

De benadeelde partij -waarvoor mr. J.P. van der Velden, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, als gemachtigde optreedt- als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 9 impliciet primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 5.476,70 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering niet betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 9 impliciet primair bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 47, 57, 285, 287, 289 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 4 impliciet primair en 5 impliciet primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 impliciet primair, 7 impliciet primair, 8 impliciet primair en 9 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 impliciet primair, 7 impliciet primair, 8 impliciet primair en 9 impliciet primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00 STK Mes, kleur: zilver, Stanless Steel, keuken;

1.00 STK Bajonet, kleur: bruin, WO II;

1.00 STK Foudraal, kleur: bruin, voor Bajonet;

1.00 STK Mes, kleur: bruin, Bajonet;

1.00 STK Zwaard, kleur: zilver, sier.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1.00 STK Jas;

1.00 STK Trui, kleur: blauw;

1.00 STK Vest, kleur: zwart;

1.00 STK Shirt, T-shirt;

1.00 STK Trui, kleur: zwart;

1.00 STK Schoeisel, kleur: zwart, Puma;

1.00 STK Jas;

1.00 STK Jas, kleur: groen, Bland 3/4 lang;

1.00 STK Broek, kleur: blauw, Southpol Spijker;

1.00 STK Vest, kleur: rood, fleece maat XXL.

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp ten behoeve van de rechthebbende, te weten:

1.00 STK Bezem, kleur: bruin.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer B]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer B], wonende te [...], rekeningnummer [...], een bedrag van EUR 696,45 (zeshonderdzesennegentig euro en vijfenveertig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 696,45 (zeshonderdzesennegentig euro en vijfenveertig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer B].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer E]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer E], wonende te [...], een bedrag van EUR 10.342,00 (tienduizend driehonderdtweeënveertig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 10.342,00 (tienduizend driehonderdtweeënveertig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer E].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 125 (honderdvijfentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer F]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer F], wonende te [...], een bedrag van EUR 7.842,00 (zevenduizend achthonderdtweeënveertig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 90,-.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 7.842,00 (zevenduizend achthonderdtweeënveertig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer F].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 94 (vierennegentig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer H]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte, die, evenals zijn mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien (en voorzover) de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan (in zoverre) zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer H], wonende te [...], een bedrag van EUR 8.458,20 (achtduizend vierhonderdachtenvijftig euro en twintig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 75,-.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 8.458,20 (achtduizend vierhonderdachtenvijftig euro en twintig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer H].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 102 (honderdtwee) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer I]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer I], wonende te [...], rekeningnummer [...], een bedrag van EUR 2.976,70 (tweeduizend negenhonderdzesenzeventig euro en zeventig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 75,-.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 2.976,70 (tweeduizend negenhonderdzesenzeventig euro en zeventig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer I].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 36 (zesendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 6e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.G.B. Heutink, mr. E.J. Schreuder en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. E.F.E. Hoekstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 januari 2006.