Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV6015

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2006
Datum publicatie
21-03-2006
Zaaknummer
04/0349 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van een controle achteraf hebben de ambtenaren de goederen onder een andere post, dan de aangegeven post, ingedeeld en de meerverschuldigde douanerechten nageheven. Het beroep van belanghebbende op artikel 220, tweede lid, van het Communautair douanewetboek wordt afgewezen. De Douanekamer overweegt dat er geen sprake is van een vergissing in de zin van dit artikel en dat de stelling dat navordering pas mogelijk is na een waarschuwing geen steun vindt in voormelde bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/0349 DK

de dato 7 maart 2006

1. De procedure

1.1. Op 21 januari 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen, ingediend door A te P, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aan-sprakelijkheid X te Z, belang-heb-bende, aangevuld bij brief van 23 februari 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/ Douane P (hierna: de inspecteur) van 11 december 2003, kenmerk ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de op het aanslagbiljet van 24 december 2002 vermelde uitnodigingen tot betaling ten bedrage van in totaal € 32.295,86 aan douanerechten ongegrond is verklaard.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 232,-- geheven. Op 16 juni 2005 is een verweerschrift van de inspecteur ingekomen.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 juli 2005. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak nr. 04/0348 DK. Namens belanghebbende is verschenen A gemachtigde en B, alsmede namens de inspecteur C en D. De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de jaren 2000, 2001 en 2002, voorzover hier van belang, zeven aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor goederen omschreven als skischoenen en snowboardschoenen. Als geadresseerde staat op de aangiftebiljetten de fiscale eenheid E B.V., F B.V. c.s. te Q (hierna: E) vermeld. De goederen werden aangegeven onder post 6403 12 00 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (hierna: GDT), welke post door de douane werd aanvaard.

2.2. Behalve de hiervoor onder 2.1. vermelde zeven aangiften heeft belanghebbende op 5 oktober 2000, onder nummer 0000...01 00 44001089, nog een aangifte voor het vrije verkeer gedaan van onder meer skischoenen en snowboardschoenen. Op deze aangifte is de volgende goederenomschrijving gegeven:

“SKISCHOENEN EN ZOGENAAMDE SNOWBOARDSCHOENEN 1 X 4 0 FT MARU 4000291 1 X 40 FT CCLU 4021641 1 X 40 FT CCLU 4034382”

2.3. In het kader van de verificatie van de onder 2.2. vermelde aangifte heeft een monsteronderzoek plaatsgevonden. Het douanelaboratorium heeft zeven verschillende typen skischoenen onderzocht en concludeert, voor alle onderzochte typen skischoenen, tot indeling onder post 6404 11 00 van het GDT.

2.4. Tot de stukken behoort een brief van de inspecteur, gedateerd op 25 januari 2001, gericht aan belanghebbende waarin de uitslag van het monsteronderzoek en de conclusie van het douanelaboratorium wordt weergegeven. In deze brief staat voor zover hier van belang het volgende staat vermeld: “Hierbij deel ik u mee dat bij de opneming van de goederen vermeld in uw aangifte IM4 – 0000...01 00 44001089 een monsteronderzoek heeft plaatsgevonden. Onderzocht is soort en samenstelling. (DK: hierna volgt een citaat uit de rapporten van het douanelaboratorium) Uw aangifte is niet conform bevonden.”

2.5. Tot de stukken behoort voorts een afschrift van een op 30 januari 2001 opgemaakt proces-verbaal van ambtenaren van de Douanepost R, waarin voorzover hier van belang het volgende staat vermeld:

“Omschrijving feiten

Op 26 januari 2001 was ik (DK: naam ambtenaar) werkzaam op de douanepost (…) en belast met de verificatie van invoeraangiften. Op of omstreeks 11.00 uur werd door mij de volgende invoeraangifte in behandeling genomen:

nummer invoeraangifte : 0000...01 00 44001089

(…)

Op 30 oktober en 9 november 2000 is van het douanelaboratorium bericht ontvangen met de uitslagen van de monsteronderzoeken (…)

Ik heb de aangever van de uitslag van het monsteronderzoek en mijn bevindingen in kennis gesteld met een mededeling uitslag monsteronderzoek (…) gedateerd op 26 januari 2001

(…)

Mededeling bevindingen aan verdachte

Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen heb ik op 26 januari 2001 telefonisch contact opgenomen met (DK: belanghebbende). Ik heb toen gesproken met dhr.G, die mij desgevraagd meedeelde gemachtigd te zijn om namens (DK: belanghebbende) een verklaring af te mogen leggen. Ik heb dhr. G van mijn bevindingen op de hoogte gebracht, waarna ik (DK: belanghebbende) als verdachte heb aangemerkt en dhr. G een bekeuring heb aangezegd (…)

(…)

Verhoor

(…)

De verklaring van de verdachte werd afgelegd op vrijdag 26 januari 2001 en luidt, zakelijk weergegeven, als volgt:

“Ik heb geen verklaring, wij hebben te goeder trouw aangegeven.

(…)

De verdachte ondertekende niet in concept.

(…)

Waarvan door mij (DK: naam ambtenaar) op mijn belofte, is opgemaakt dit proces-verbaal, gesloten en getekend te R op 30 januari 2001. ”

2.6. In 2002 hebben de douaneautoriteiten een controle achteraf als bedoeld in artikel 78 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) ingesteld bij E. Naar aanleiding van deze controle heeft de inspecteur de goederen ingedeeld onder postonderverdeling 6404 11 00 van het GDT. In verband met de gewijzigde indeling en de daardoor verschuldigde douanerechten - 17% in plaats van 8% - heeft de inspecteur op 24 december 2002 de onder 1.1. genoemde uitnodigingen tot betaling uitgereikt, welke uitnodigingen betrekking hebben op de onder 2.1. vermelde aangiften. In het ter zake van het onderzoek opgemaakte rapport staat voorzover hier van belang het volgende vermeld:

“Snowboardschoenen

De in de controleperiode ingevoerde snowboardschoenen zijn in bijna alle aangiften aangegeven met goederencode 6403 1200 00, zijnde schoenen met een bovendeel van leder. (…)

De schoenen hadden aangegeven moeten worden als schoenen met een bovendeel van textiel met goederencode 6404 1100 10.”

2.7. Belanghebbende heeft op 17 januari 2003 bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1. vermelde uitnodigingen tot betaling en dit bezwaar bij brief van 4 februari 2003 nader gemotiveerd. In deze brief is voorzover hier van belang het volgende vermeld:

“Vervolgens werd bij een soortgelijk onderzoek van onze aangifte .0000..01 00 44001089 na visitatie vastgesteld dat het schoeisel onder een ander statistieknummer zou moeten worden gerangschikt. Ondanks uw mededeling dat de uitslag hiervan zowel per fax als per brief alsmede telefonisch zou zijn medegedeeld hebben wij op geen enkele wijze dit bericht ontvangen.”

Bij uitspraak van 11 december 2003 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

3. Het geschil

In geding is in wezen de vraag of aan de douaneautoriteiten zodanige tekortkomingen kunnen worden verweten, dat die aan een boeking achteraf in de weg staan. Posten van het GDT zijn niet in geschil.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich, voor zover uiteindelijk nog van belang, op het standpunt dat de omstandigheid dat de douaneautoriteiten belanghebbende niet hebben meegedeeld dat de goederen onder post 6404 11 00 van het GDT dienen te worden ingedeeld, in de weg staat aan het uitreiken van de litigieuze uitnodigingen tot betaling, met name omdat belanghebbende volledig te goeder trouw de goederen heeft aangegeven onder een andere tariefpost en zij de nagevorderde bedragen thans niet meer kan verhalen. De douane heeft haar niet op de hoogte gesteld van haar standpunt over de indeling van de goederen. De brief van de douane van 26 januari 2001 heeft belanghebbende nooit ontvangen noch heeft zij enige andere mededeling gekregen van de douane dat de door haar gehanteerde postonderverdeling niet juist zou zijn. Belanghebbende heeft immer te goeder trouw de goederen aangegeven onder post 6403 12 00 van het GDT. Het is daarom onredelijk haar thans te confronteren met een forse navordering die zij niet kan verhalen.

4.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft belanghebbende daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd. In geschil is uitsluitend nog of belanghebbende gewaarschuwd had moeten worden dat de goederen onder post 6404 11 00 van het GDT moesten worden aangegeven. Het vertrouwensbeginsel brengt in casu mee dat navordering achterwege moet blijven. Belanghebbende heeft altijd te goeder trouw gehandeld. Belanghebbende betwist dat haar is meegedeeld dat de douane van mening was dat de door haar gehanteerde goederencode onjuist was. De desbetreffende brief van 26 januari 2001 is niet ontvangen noch enige andere mededeling te dezer zake. De overige geschilpunten vervallen. De postonderverdeling als zodanig is niet meer in geschil. De wijze waarop het monsteronderzoek is uitgevoerd vormt evenmin nog een geschilpunt. Belanghebbende geeft de goederen thans aan onder post 6404 11 00 van het GDT.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De goederen zijn snowboardschoenen met een bovendeel van textiel die dienen te worden ingedeeld onder post 6404 11 00 van het GDT. Bestreden wordt dat de douane belanghebbende niet heeft geïnformeerd over de uitkomst van het monsteronderzoek en het standpunt inzake de tariefindeling. Verwezen zij in dit verband onder meer naar het proces-verbaal van 30 januari 2001 waaruit blijkt dat belanghebbende door middel van een brief, een fax en een telefoongesprek op de hoogte is gesteld van evenvermeld standpunt. Daarnaast heeft belanghebbende een uitnodiging tot betaling ontvangen, waaruit blijkt dat de inspecteur het niet eens is met de aangegeven tariefpost. Elke aangifte staat voorts op zichzelf. Dat belanghebbende het bedrag van de navordering niet kan verhalen, staat aan die navordering niet in de weg.

5.2. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de inspecteur daaraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd.

Belanghebbende is wel degelijk geïnformeerd over het standpunt van de douane. Dat blijkt duidelijk uit het proces-verbaal. Ook uit een andere uitnodiging tot betaling die is uitgereikt, dus niet zijnde de litigieuze uitnodiging tot betaling, blijkt dat belanghebbende op de hoogte is gesteld van het standpunt van de douane. De datum van deze uitnodiging tot betaling heeft de inspecteur niet paraat. Voorts geldt dat de douane niet verplicht is te waarschuwen, alvorens een uitnodiging tot betaling -als gevolg van een boeking achteraf- wordt uitgereikt.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Met betrekking tot belanghebbendes stelling dat zij ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van het door de douaneautoriteiten ingenomen standpunt inzake de tariefindeling, geldt dat de inspecteur gemotiveerd heeft gesteld dat aan belanghebbende in januari 2001 de uitslag van het monsteronderzoek en het standpunt inzake de tariefindeling van de goederen, aangegeven op de sub 2.2. vermelde aangifte, zijn meegedeeld. De niet nader onderbouwde stellingen van belanghebbende dat zij de brief van 26 januari 2001 niet heeft ontvangen, dat er geen telefonisch contact op 26 januari 2001 heeft plaatsgevonden en dat zij het proces-verbaal van 30 januari 2001 niet kende, acht de Douanekamer niet aannemelijk: zij heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen hierover in het op belofte opgemaakte proces-verbaal door de betrokken ambtenaar van de belastingdienst staat vermeld. Naar het oordeel van de Douanekamer is derhalve geen sprake van het achterwege laten van het informeren van belanghebbende van het standpunt van de douaneautoriteiten inzake de tariefindeling, nog daargelaten of die stelling, indien die wel aannemelijk gemaakt zou zijn, belanghebbende zou kunnen baten, nu de aangifte, waarop meergenoemde tariefindeling betrekking heeft, niet behoort tot de in de onderhavige navordering betrokken aangiften. Iedere aangifte staat immers in beginsel op zichzelf, en van omstandigheden die een afwijking van dit beginsel zouden rechtvaardigen is niet, althans onvoldoende, gebleken. Ook in zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

6.2. De voorwaarden waaronder ten aanzien van douanerechten, die een exclusief Europeesrechtelijke grondslag hebben, van navordering moet worden afgezien zijn neergelegd in artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW. De Douanekamer zal daarom belanghebbendes stelling dat zij gelet op haar goede trouw gewaarschuwd had moeten worden dat de door haar gehanteerde tariefindeling onjuist was, verstaan als een beroep op dit artikel. Ingevolge deze bepaling wordt niet tot boeking achteraf overgegaan ingeval het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, wanneer zij het gevolg zijn van een actieve gedraging van de douaneautoriteiten zelf, en waarbij de belastingschuldige te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De onderhavige bepaling kan belanghebbende ten eerste niet baten omdat niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten. En ook de tweede stelling van belanghebbende op dit punt, te weten dat het navorderen van douanerechten pas na een waarschuwing mogelijk is, omdat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld, vindt geen steun in evenvermelde bepaling.

6.3. De mogelijkheid van verhaal op derden mag geen rol spelen bij de beoordeling van de vraag, of een persoon volgens de bepalingen van het CDW douaneschuldenaar is geworden.

6.4. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het gelijk aan de inspecteur is.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 maart 2006 door mrs. F.H.M. Possen, voorzitter, A. Bijlsma en E.M. Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.