Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV5233

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
712/05 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het in rekening brengen van nasalaris is niet toegestaan zonder een rechtsgeldige titel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 9 maart 2006 in de zaak onder rekestnummer 714/05 GDW van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANT

t e g e n

[naam],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEïNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 29 april 2005 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 29 maart 2005, verzonden op 31 maart 2005, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, op één onderdeel gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel en voor het overige ongegrond is verklaard.

1.2. Klager heeft zijn verzoekschrift nader aangevuld bij brief ter griffie van het hof ingekomen op 15 juni 2005.

1.3. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 18 oktober 2005 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 26 januari 2006, alwaar klager is verschenen en het woord heeft gevoerd. De gerechtsdeurwaarder heeft bij brief bij het hof ingekomen op 29 december 2005 laten weten niet te zullen verschijnen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken.

3. De beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich, gelet op hetgeen hierna in 7.2. is overwogen, niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze beslissing derhalve vernietigen.

4. De feiten

4.1. Bij vonnis van 18 december 2003, gewezen door de kantonrechter te Eindhoven, is klager veroordeeld tot betaling van € 1340,56 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2002 tot aan de dag van de betaling. Voorts is klager veroordeeld in de kosten van het geding tot de datum van het vonnis aan de zijde van de wederpartij begroot op € 65,18 terzake dagvaardingskosten, € 152, - terzake griffierecht en € 405,- terzake salaris gemachtigde.

Het vonnis is aan klager verzonden per brief van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 december 2003.

4.2. Bij brief van 22 december 2003 van de gerechtsdeurwaarder aan klager verzoekt de gerechtsdeurwaarder namens zijn cliënte om binnen acht dagen na heden het verschuldigde te voldoen. Het betreft dan een bedrag van € 2315,06.

4.3. Op 6 januari 2004 betekent de gerechtsdeurwaarder de grosse van het voornoemde vonnis ten huize van klager. In de betekening wordt aan klager bevel gedaan om binnen twee dagen na heden aan de gerechtsdeurwaarder te voldoen een bedrag van € 2382,35.

4.4. Bij brief van 13 januari 2004 bevestigt de gerechtsdeurwaarder dat klager een bedrag van € 2315,60 heeft voldaan en verzoekt hij klager binnen vijf dagen na heden het resterende bedrag van € 69,68 te voldoen.

4.5. Bij brief van 18 januari 2004 reageert klager als volgt naar de gerechtsdeurwaarder:

(...)

N.a.v. uw schrijven d.d. 06-01-2004 deel ik u mede dat ik uw brief d.d. 22-12-2003 pas op 30-12-2003 in mijn bezit heb gekregen.

Ik stel dan ook het bedrag groot Euro 2.315,06 op tijd betaald te hebben.

Hiermede is het gestelde in uw brief d.d. 06-01-2004 niet van toepassing en ga ik er van uit dat deze zaak nu volledig afgewikkeld is.

(...)

4.6. In zijn brief van 19 januari 2004 aan klager schrijft de gerechtsdeurwaarder onder meer het volgende:

(...)

In Uw schrijven stelt U dat u tijdig betaald zou hebben. Ik heb Uw betaling echter pas op 13 januari 2004 op mijn rekening ontvangen. Naar aanleiding van mijn schrijven d.d. 22 december 2003 heeft u voldoende tijd gehad om tijdig tot betaling over te gaan voor 6 januari 2004. Het is uw eigen verantwoordelijkheid dat de betaling tijdig door mij zal worden ontvangen. In deze is dat niet het geval zodat U het bedrag ad Euro 70,78 verschuldigd bent.

(...)

5. Het standpunt van klager

5.1. Klager stelt op 30 december 2003 een brief te hebben ontvangen van de gerechtsdeurwaarder, gedateerd 22 december 2003. Naar aanleiding van deze brief heeft klager op 2 januari 2004 contact opgenomen met het kantoor van de gerechtsdeurwaarder om te informeren naar de juistheid van de berekende nakosten. Omdat er niemand aanwezig was die een antwoord op de vraag van klager kon geven, heeft klager met het kantongerecht gebeld op 5 januari 2004 en op diezelfde dag een bedrag van € 2315,06 overgemaakt.

Klager beklaagt zich over het feit dat hij bovengenoemde brief heeft ontvangen op een datum waarop de in de brief gestelde termijn van acht dagen reeds was verstreken. De gerechtsdeurwaarder heeft blijkbaar op geen enkele wijze rekening gehouden met het feit dat in de eindejaarsperiode de post sterk is vertraagd. Klager heeft de genoemde termijn dan ook beschouwd als een indicatie op welke termijn betaald moest worden en niet als een einddatum.

5.2. Voorts bestrijdt klager dat er nieuwe kosten zijn ontstaan door de betekening op 6 januari 2004. Immers, betekening was niet nodig geweest indien de gerechtsdeurwaarder met de als algemeen bekend veronderstelde vertraging in de post rekening had gehouden. Klager heeft uiteindelijk, onder protest, deze kosten betaald, doch verzoekt de gerechtsdeurwaarder te veroordelen tot betaling aan hem van € 70,78 plus € 6,80 bankkosten en € 25,- administratiekosten.

5.3. In hoger beroep stelt klager dat de kamer ten onrechte in het proces-verbaal en de bestreden beslissing heeft opgenomen dat klager niet is verschenen. Klager is wel degelijk verschenen en heeft het woord gevoerd, dit in tegenstelling tot de gerechtsdeurwaarder.

6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

6.1. De gerechtsdeurwaarder stelt dat klager reeds op 21 december 2003 het schrijven van de rechtbank met betrekking tot de vordering heeft ontvangen en dus wist of behoorde te weten dat hij tot betaling over diende te gaan.

6.2. Voorts betwist de gerechtsdeurwaarder de door klager gestelde vertraging in de post. Volgens de gerechtsdeurwaarder wordt de post in deze periode normaal bezorgd. Dit blijkt uit het feit dat klager zelf stelt dat hij reeds op 21 december 2003 de brief van de rechtbank gedateerd 19 december 2003 heeft ontvangen. Gesteld dat klager het schrijven inderdaad niet tijdig zou hebben ontvangen, dan blijft het feit dat de betaling door de gerechtsdeurwaarder pas op 13 januari 2004, de datum van het rekeningafschrift van de bank, is ontvangen. Dit is ruim drie weken na het schrijven van de gerechtsdeurwaarder van 22 december 2003, waarin de sanctie voor te late betaling duidelijk wordt vermeld, namelijk betekening en executiemaatregelen.

6.3. De gerechtsdeurwaarder stelt dat klager ook contact met hem had kunnen opnemen, zeker als klager het schrijven inderdaad te laat had ontvangen. Ook had klager kunnen betalen per spoedopdracht. Tenslotte stelt de gerechtsdeurwaarder dat het er zijns inziens op lijkt dat klager pas na de betekening van het vonnis is overgegaan tot het geven van de opdracht tot betaling.

6.4. In hoger beroep stelt de gerechtsdeurwaarder dat klager zijn hoger beroep niet tijdig heeft ingesteld. Wat betreft de bezwaren van klager tegen de gang van zaken in eerste aanleg stelt de gerechtsdeurwaarder dat uit het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg blijkt dat klager, alhoewel deugdelijk opgeroepen, niet is verschenen. Voorts wijst de gerechtsdeurwaarder op een brief van de kamer van 26 januari 2005 waarin de gerechtsdeurwaarder wordt aangezegd dat klager niet zal verschijnen nu deze in Australië woont. De gerechtsdeurwaarder heeft de kamer toen laten weten dat wat hem betreft de zaak schriftelijk mag worden afgedaan.

7. De beoordeling

7.1. Met betrekking tot het standpunt van de gerechtsdeurwaarder dat klager het hoger beroep niet tijdig heeft ingediend, overweegt het hof als volgt. In het algemeen staat – op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet, verder te noemen GDW - tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel hoger beroep bij dit hof open, binnen dertig dagen na dagtekening van de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in artikel 43, lid 6 GDW. Genoemde schriftelijke kennisgeving is gedateerd op 31 maart 2005. Dit betekent dat het hoger beroepschrift van klager, bij dit hof binnengekomen op 29 april 2005, tijdig is ingediend, immers binnen dertig dagen te rekenen vanaf 1 april 2005.

7.2. Met betrekking tot de gang van zaken in eerste aanleg overweegt het hof als volgt. Na onderzoek is het hof gebleken dat klager wel degelijk is verschenen ter zitting van de kamer op 15 februari 2005. Ten onrechte is in het proces-verbaal van deze zitting en in de beslissing van de kamer weergegeven dat klager niet is verschenen. Voor het overige behoeven de bezwaren van klager geen nadere bespreking, nu deze door hem gestelde tekortkomingen tengevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld.

7.3. Ten aanzien van het onderdeel van de klacht met betrekking tot de gestelde termijn overweegt het hof als volgt. Met de kamer is het hof van oordeel dat als uitgangspunt dient dat rechterlijke uitspraken van rechtswege werken. De betalingsverplichting van klager stond dan ook op 18 december 2003 al vast. Op 21 december 2003 stelt klager een brief te hebben ontvangen van de rechtbank waardoor hij bekend werd met het feit dat hij door de rechter was veroordeeld tot betaling. Weliswaar stond in het vonnis geen termijn, in de brief van de gerechtsdeurwaarder stond wel een duidelijke termijn vermeld. Er van uitgaande dat klager de brief van de gerechtsdeurwaarder op 30 december 2003 heeft ontvangen, had het op zijn weg gelegen om contact op te nemen met de gerechtsdeurwaarder om uitstel van betaling te vragen, dan wel, zoals de gerechtsdeurwaarder heeft gesteld, een spoedbetaling te verrichten. Op de laatstbedoelde wijze had de betaling nog ruimschoots voor de datum van betekening (6 januari 2004) kunnen plaatsvinden. Het hof is dan ook van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

7.4. Ten aanzien van de klacht met betrekking tot het in rekening brengen van nasalaris overweegt het hof als volgt.

In zijn uitspraak van 31 maart 2005 (LJN-nr. AT3529) heeft het hof overwogen dat in een tuchtprocedure als de onderhavige slechts ruimte is voor een marginale toetsing, aangezien het hof in tuchtzaken slechts toetst of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Het hof heeft zich in die tuchtzaak niet ten gronde uitgesproken over het al dan niet juist zijn van het in rekening brengen van nasalaris door een gerechtsdeurwaarder. Het hof oordeelde dat dat een voor een gerechtsdeurwaarder niet ongebruikelijke handeling is, nu het om een forfaitair bedrag gaat voor handelingen, die worden verricht nadat een vonnis is gewezen, zoals ook in de advocatuur reeds geruime tijd is aanvaard. Met deze overweging heeft het hof tot uitdrukking willen brengen, dat het aan de civiele rechter is om over deze kwestie ten gronde te oordelen en dat pas daarna kan komen vast te staan of een gerechtsdeurwaarder laakbaar handelt door het in rekening brengen van nasalaris.

Recent heeft het hof te ’s-Hertogenbosch, bij inmiddels onherroepelijk geworden uitspraak, over dit onderwerp in hoger beroep ten gronde geoordeeld. De kantonrechter had in die zaak in eerste aanleg beslist dat het beslag, dat uitsluitend was gelegd vanwege het niet betalen van het nasalaris van de procureur, niet onrechtmatig was. Het hof heeft zich met dit oordeel niet verenigd:

”Het bedrag van het gevorderde nasalaris –dat naar zijn aard eerst na het vonnis ontstaat- is niet in dat vonnis bepaald en daarom levert dat vonnis geen titel op voor de executie van dat nasalaris. Met het oog op de rechtszekerheid dient de executant die vergoeding van het nasalaris wenst, (…) de procedure ex artikel 237 lid 4 Rv. te volgen.” (hof te ‘s-Hertogenbosch 4 oktober 2005, LJN-nr. AU5140).

Zodoende is thans wel ten gronde over deze kwestie geoordeeld; het in rekening brengen van nasalaris is niet toegestaan zonder een rechtsgeldige titel.

Een en ander houdt in dat de klacht in de onderhavige zaak op dit onderdeel gegrond is, zoals de kamer voor gerechtsdeurwaarders in haar uitspraak van 29 maart 2005 terecht heeft overwogen. Gelet op het feit dat de gerechtsdeurwaarder in deze zaak de nakosten op 13 januari 2004 aan appellant in rekening heeft gebracht en het berekenen van nasalaris op dat moment een algemeen gangbare praktijk was, die ook juridisch verdedigbaar was –gezien bijvoorbeeld het oordeel van de kantonrechter, zoals hiervoor aangehaald - ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel aan de gerechtsdeurwaarder.

Het hof merkt nog op dat hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het nasalaris procureur, evenzeer geldt voor het nasalaris ad € 67,50 dat gerechtsdeurwaarders tegenwoordig plegen te berekenen, indien er bij gemachtigde voor de kantonrechter is geprocedeerd.

7.5. Voor het overige wijst het hof af het verzoek van klager tot schadevergoeding, bestaande uit bankkosten en administratiekosten, nu voor een dergelijk verzoek in een tuchtprocedure als deze geen plaats is.

7.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

7.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

- Vernietigt de bestreden beslissing en opnieuw rechtdoende:

- Verklaart klager ontvankelijk in zijn hoger beroep;

- Verklaart het onderdeel van de klacht zoals besproken in 7.3. ongegrond;

- Verklaart het onderdeel van de klacht zoals besproken in 7.4. gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en

L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op donderdag 9 maart 2006.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 29 maart 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 33.2004 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 2 februari 2004 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief van 2 maart 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend tegen de klacht.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 15 februari 2005 alwaar niemand is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 29 maart 2005.

Gronden van de beslissing

1. De Feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Bij vonnis van 18 december 2003 gewezen door de kantonrechter te [ ] is klager veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 1.340,56 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2002 tot aan de dag van voldoening en is klager in de kosten veroordeeld van in totaal € 622,18. Op 21 december 2004 heeft klager een schrijven ontvangen van de rechtbank [ ] met kenmerk 261558 CV EXPL 02-3942.

b) Bij brief van 22 december 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder klager onder meer geschreven dat hij is veroordeeld tot betaling van in totaal € 2.315,06 (waaronder nakosten ad € 202,50) en heeft hij klager verzocht en voor zoveel nodig gesommeerd om het verschuldigde binnen acht dagen te voldoen bij gebreke waarvan de gerechtsdeurwaarder zich vrij achtte tot betekening en het nemen van verdere executiemaatregelen over te gaan.

c) Blijkens een door de gerechtsdeurwaarder overgelegd bankafschrift is het door klager verschuldigde bedrag ad € 2.315,06 op 9 januari 2004 ontvangen.

d) Bij exploot van 6 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder het hiervoor onder a vermelde vonnis aan klager betekend. In het exploot van betekening doet de gerechtsdeurwaarder tevens bevel tot betaling van de nakosten ad € 202,50.

e) Bij brief van 13 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder klager onder meer geschreven een nog openstaand bedrag ad € 69,68 te voldoen.

f) Bij brief van 18 januari 2004 heeft klager de gerechtsdeurwaarder onder meer geschreven: “N.a.v. van uw schrijven d.d. 06-01-2004 deel ik u mede dat ik uw brief d.d. 22 december 2003 pas op 30 december 2004 in mijn bezit heb gekregen. Ik stel dan ook het bedrag groot Euro 2.315,06 op tijd betaald te hebben. Hiermee is het gestelde in uw brief d.d. 06-01-2004 niet van toepassing en ga ik er van uit dat deze zaak nu volledig afgewikkeld is.”

g) Bij brief van 19 januari 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder de brief van klager van 18 januari 2004 beantwoord.

h) Op 21 januari 2004 heeft klager onder protest het restantverschuldigde voldaan.

2. De klacht

De klacht houdt -naar de Kamer begrijpt- het volgende in. Na ontvangst van het vonnis op 21 december 2003 heeft klager zich voorgenomen het bedrag direct na de jaarwisseling te voldoen. Op 30 december 2003 heeft hij het schrijven van de gerechtsdeurwaarder ontvangen. De daarin genoemde termijn was bij ontvangst al verstreken. Nu de gerechtsdeurwaarder schijnbaar zelf op geen enkele manier rekening heeft gehouden met het feit dat de post in deze periode sterk vertraagd kan arriveren en klager hiermee eigenlijk te kennen gaf dat de in deze brief genoemde termijn van 8 dagen eerder een indicatie was op welke termijn er betaald diende te worden dan een einddatum, heeft klager dit schrijven zo behandeld. Hij heeft zo spoedig mogelijk betaald zonder zich te richten op een einddatum. Het gevolg hiervan is dat er nieuwe kosten zijn ontstaan door de betekening van het vonnis op 6 januari 2004. Klager bestrijdt deze kosten waaronder de nakosten, omdat de betekening niet nodig was geweest als de gerechtsdeurwaarder, zonder de te voorkomen vertragingen, met hem had gecorrespondeerd of met de vertraging rekening had gehouden. Klager verzoekt om terugbetaling van het restantverschuldigde plus de door hem gemaakte kosten.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt op dit verweer hierna ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Ten aanzien van de klacht dient tot uitgangspunt dat rechterlijke uitspraken van rechtswege werken. De betalingsverplichting van klager stond derhalve al op 18 december 2003 -de datum waarop het vonnis werd uitgesproken- vast. Op 21 december 2003, de datum waarop naar eigen mededeling van klager hij het vonnis van de rechtbank had ontvangen, werd klager bekend met het feit dat hij door de rechter was veroordeeld tot betaling. Dat in het vonnis geen termijn van betaling staat vermeld doet niet terzake omdat er betaald kan worden vanaf het moment dat de betalingsverplichting vaststaat. In de brief van de gerechtsdeurwaarder stond de termijn waarbinnen voldaan diende te worden duidelijk vermeld evenals de gevolgen bij niet voldoening. Klager kan dan ook niet in zijn redenering met betrekking tot de termijn worden gevolgd. Er van uitgaande dat klager de brief van de gerechtsdeurwaarder eerst op 30 december 2003 heeft ontvangen, had het op zijn weg gelegen contact op te nemen met de gerechtsdeurwaarder teneinde nog enig uitstel van betaling te verzoeken. Klager had het verschuldigde ook toen nog kunnen voldoen: het vonnis is immers pas op 6 januari 2004 aan hem betekend. Het tijdstip waarop is betaald is niet het moment waarop het bedrag door klager wordt gestort of van de rekening van klager wordt afgeschreven maar het moment waarop het bedrag op de rekening van de schuldeiser wordt bijgeschreven. Pas op dat moment kan de schuldeiser over het geld beschikken. Dit was op 9 januari 2004 op een moment waarop de kosten van betekening al waren gemaakt. Hieruit volgt dat de klacht geen doel treft, behoudens hetgeen hierna met betrekkking tot de nakosten wordt overwogen.

4.2 Ten aanzien van de nakosten dient tot uitgangspunt dat de Kamer bij beslissing van 4 mei 2004 –zakelijk weergegeven- heeft beslist dat door een gerechtsdeurwaarder in een exploot van betekening geen bevel kan worden gedaan tot betaling van nakosten waarvoor geen executoriale titel (lees: bevelschrift of een vonnis waarbij de kosten op voorhand al zijn toegewezen) voorhanden is. De Kamer heeft daartoe samengevat overwogen dat de wet een onderscheid kent tussen enerzijds de vóór de uitspraak gemaakte proceskosten en anderzijds de kosten welke zich mogelijkerwijs ná de uitspraak voordoen. Voor die laatste kosten heeft de wetgever altijd een afzonderlijke rechtsgang voorgeschreven met betrekking tot de alsnog door de rechter te begroten kosten, welke ten tijde van de einduitspraak nog niet zijn gemaakt en waarvan het beloop dan nog niet vast staat. Die afzonderlijke rechtsgang staat thans voorgeschreven in artikel 237 lid 4 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering.

5. De klacht dient dus grotendeels ongegrond te worden verklaard en op een onderdeel gegrond. Gelet op het feit dat ten tijde van indiening van de klacht door de Kamer nog niet op dit punt was beslist, laat de Kamer het opleggen van een maatregel achterwege. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klacht met betrekking tot de nakosten gegrond;

? laat het opleggen van een maatregel achterwege;

? verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en N.J.M. Tijhuis, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2005 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.