Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0876

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
04/02945
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwaardering vordering op voormalig directeur-aandeelhouder afgewezen; belanghebbende maakt de gestelde bedrijfsschade bij invordering van die (op zichzelf volwaardige) vordering niet aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/31.10 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1 Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 21 juli 2004, ingediend door mr. A als gemachtigde van belanghebben-de (hierna: gemachtigde), en aangevuld bij brief van gemachtigde van 25 augustus 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 14 juni 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000.

1.2. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar bedrag van fl. 1.061.319. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van fl. 947.301.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en conclu-deert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.4. Ter zitting van 9 november 2005 is gemachtigde verschenen, alsmede namens de inspec-teur drs. B. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Deze pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende houdt alle aandelen in X Holding B.V., welke vennootschap met haar in een fiscale eenheid is gevoegd. X Holding B.V. heeft sinds jaar en dag een rekening-courantvordering op haar voormalige directeur-grootaandeelhouder X. Op 1 januari 2000 beliep deze vordering fl. 114.018. Sinds 1994 wordt op deze vordering geen rente bijgeschreven en is hierop niets afgelost. Omtrent rentevergoeding over en aflossing van de rekening-courantvordering is ook niets overeengekomen. De rekening-courantvordering is direct opeisbaar.

2.2 Alle gewone aandelen in belanghebbende tot een nominale waarde van fl. 40.000 worden gehouden door Y Holding BV. X hield alle uitstaande prioriteitsaandelen in belanghebbende tot een nominale waarde van fl.10.000. Alle aandelen in Y Holding B.V. worden gehouden door Y. Deze is sinds 1994 directeur van zowel belanghebbende als X Holding B.V.

2.3 X is [in] 2001 overleden en op 20 juli 2001 heeft belanghebbende gebruikt gemaakt van haar recht om de onder 2.2 vermelde prioriteitsaandelen voor de nominale waarde in te kopen.

2.4 De onder 2.2 genoemde prioriteitsaandelen in belanghebbende hebben evenals en in gelijke mate als de gewone aandelen stemrecht. Daarnaast zijn aan deze aandelen enkele aanvullende rechten verbonden, zoals het recht om de bestuurder van belanghebbende te benoemen. Op de prioriteitsaandelen wordt jaarlijks maximaal 5% dividend uitgekeerd.

2.5 X (en sinds diens overlijden zijn weduwe) woonde in een eigen woning die is gelegen op het bedrijfscomplex van belanghebbende. Deze woning is niet, dan wel in zeer beperkte mate met hypothecaire schuld bezwaard. X genoot in 2000 een pensioenuitkering van X Holding van fl. 30.950. Na zijn overlijden is een weduwenpensioen van fl. 21.665 per jaar ingegaan.

2.6 In het kalenderjaar 2000 zijn door belanghebbende geen incassomaatregelen getroffen om de rekening-courantvordering ad fl. 114.018 te innen.

2.7. Blijkens de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende over het jaar 2000 is de onder 2.1. vermelde vordering ten laste van de winst tot nihil afgewaardeerd. Het aangegeven belastbaar bedrag is fl. 947.301. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag het aangegeven belastbaar bedrag met fl. 114.018 verhoogd.

Tot de bijlagen bij de aangifte behoort de vennootschappelijke jaarrekening van X Holding. In de toelichting op de balans van X Holding is vermeld "In verband met het overlijden van de heer X wordt deze vordering geheel voorzien".

3. Geschil

In geschil is of de inspecteur terecht de aangegeven belastbare winst over het jaar 2000 heeft gecorrigeerd met een bedrag van fl. 114.018 wegens het niet in aftrek op de winst toelaten van een afwaarderingsverlies rekening-courantvordering van belanghebbende op X tot dit bedrag.

Belanghebbende stelt primair dat zij de vordering op X met voormeld bedrag kan afwaarderen tot nihil. Subsidiair stelt zij dat in ieder geval een afwaardering met fl. 47.889 tot op de contante waarde van de vordering dient te worden toegestaan.

De inspecteur verdedigt primair dat de vordering ultimo 2000 niet lager dan op haar nominale waarde kan worden gewaardeerd en subsidiair dat een lagere waardering een uitdeling van winst inhoudt.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het aangehechte proces-verbaal van de zitting van 9 november 2005.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Door belanghebbende is de waarde van de rekening-courantvordering op X per 31 december 2000 op nihil gesteld, resulterend in een afwaarderingsverlies groot fl. 114.018. De bewijslast aangaande de aanvaardbaarheid van deze afwaardering rust op belanghebbende.

5.2 Belanghebbende heeft gesteld dat zij de rekening-courantvordering op de heer X feitelijk niet kon innen omdat anders schade voor haar bedrijfsvoering te duchten zou zijn. Dit zou moeten worden gezien in het licht van de omstandigheden dat X woonachtig was op het bedrijfscomplex van belanghebbende, als voormalig middellijk eigenaar van alle gewone aandelen in belanghebbende nog veel invloed in de bouwwereld had, en belanghebbende werkzaam is in een omgeving waarin goede persoonlijke verhoudingen ook in zakelijk opzicht van het allergrootste belang zijn.

5.3 Het Hof vermag belanghebbende hierin niet te volgen. Door belanghebbende is erkend dat de vermogenspositie van X zodanig was dat er uit dien hoofde voldoende mogelijkheden bestonden om tot incasso van de vordering over te gaan. Op zichzelf is het bestaan van de vordering door X ook nooit betwist. Bovendien kon tot geleidelijke aflossing van de vordering worden overgegaan door het verrekenen daarvan met de onder 2.5 genoemde pensioenuitkering. De door belanghebbende voorziene schade - als vermeld in 5.2. - is op geen enkele wijze met feiten en omstandigheden geconcretiseerd. Enige verklaring van X casu quo diens erfgenamen ontbreekt. Ook overigens zijn geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat met het buiten invordering laten van de vordering op X een zakelijk belang is gediend. Het overlijden van X acht het Hof voor de waardering van de vordering op balansdatum niet van belang, omdat dit een feit is dat zich na balansdatum heeft voorgedaan. Bovendien, voorzover al zou moeten worden aangenomen dat de toestand van ziekte van X, eind 2000, als een voorbode van diens op handen zijnd overlijden zou moeten worden beschouwd, ziet het Hof ook daarin geen reden die een afwaardering van de vordering rechtvaardigt. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat per 31 december 2000 de waarde van de rekening-courantvordering van belanghebbende op X op een lager bedrag dan fl. 114.018 moet worden gesteld.

5.4 Nu de rekening-courantvordering direct opeisbaar is, heeft de renteloosheid daarvan naar het oordeel van het Hof geen invloed op de waarde, aangezien belanghebbende te allen tijde gerechtigd is om de vordering te innen. De subsidiaire stelling van belanghebbende is dus eveneens ongegrond; de subsidiaire stelling van de inspecteur behoeft gezien het vorenoverwogene geen behandeling.

5.5 Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

-

De uitspraak is vastgesteld op 25 januari 2006 door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en G.T.K. Meussen, leden van de belastingkamer, in tegenwoor-digheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op die datum in het open-baar uitge-sproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift

bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.