Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0801

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
04/01532
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Resultaat onroerendgoedtransactie in casu niet belast op grond van artikel 22(1)b Wet IB 1964.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/39.20 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 23 april 2004, ingediend door mr. A als gemachtigde en aangevuld bij brief van 2 juli 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 en de daarbij genomen boetebeschikking.

1.2. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ? 1.115.767. De inspecteur heeft daarbij een verzuimboete van ƒ 250 opgelegd. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur, tot vernietiging van de boetebeschikking en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 42.120.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep betreffende de aanslag en tot vernietiging van de uitspraak betreffende de boetebeschikking, alsmede tot vernietiging van die beschikking. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.4. De zaak is behandeld ter zitting van 2 mei 2005. Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting alsmede van de aldaar verschenen personen verwijst het Hof naar het bijgaande proces-verbaal. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op 24 maart 1997 heeft belanghebbende een koopovereenkomst gesloten met B, ter verkrijging van de onverdeelde helft van de onroerende zaak gelegen aan de A-straat 1 te Q (hierna: “het pand”). Het pand is een hoekpand, gelegen in de “rosse buurt” van Q. Op de begane grond zijn vijf kamers met ramen die gebruikt kunnen worden voor prostitutie; een gedeelte van de eerste en de gehele tweede etage waren ten tijde van de verkoop als woonhuis in gebruik bij de mede-eigenaresse, C. De levering van het aandeel vond plaats op 2 mei 1997.

2.2. Belanghebbende heeft zijn aandeel in het pand gekocht voor ƒ 75.000. Dit bedrag is gelijk aan de waarde die door taxateur D in zijn taxatierapport van 12 maart 1997 aan het aandeel was toegekend. De taxatie is uitgevoerd in opdracht van E, de moeder van de verkoopster, die het aandeel in het pand kort voor de onder 2.1. genoemde verkoop had verkocht aan haar dochter.

2.3. In oktober 1999 hebben belanghebbende en C ieder hun aandeel in het pand verkocht aan F B.V.; belanghebbende voor ƒ 1.200.000 en C voor ƒ 1.000.000.

2.4. De Belastingdienst/Registratie & Successie (hierna: R&S) heeft de waarde van het aandeel in het pand naar de waardepeildatum 2 mei 1997 uiteindelijk vastgesteld op ƒ 410.000. De inspecteur heeft op basis van die waarde aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd. Het Hof heeft het beroep inzake de naheffingsaanslag bij uitspraak van 20 april 2001 (kenmerknummer 00/1052) ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen beroep in cassatie ingesteld.

2.5. Bij de bestreden aanslag is het voordeel dat belanghebbende heeft behaald met de verkoop van het pand belast als inkomsten uit andere arbeid. De inspecteur is daarbij uitgegaan van het door belanghebbende ontvangen bedrag van ƒ 1.200.000, verminderd met de aankoopprijs van ƒ 75.000 en een bedrag aan verbouwingskosten van ƒ 50.000. De correctie ter zake beliep derhalve ƒ 1.075.000.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is nog in geschil of het bij verkoop van het aandeel in het pand gerealiseerde voordeel dient te worden aangemerkt als een inkomst uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Indien het Hof deze vraag bevestigend beantwoordt, is nog in geschil op welk bedrag het voordeel moet worden gesteld. Tusen partijen is niet meer in geschil de aftrek van de advocaatkosten ten bedrage van ƒ 8.815, de gemeentelijke belastingen tot een bedrag van ƒ 674 en de door belanghebbende gestelde rentekosten.

3.2. Niet meer in geschil is dat de boete moet komen te vervallen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur stelt dat belanghebbende gedurende zijn bezitsperiode voor ƒ 50.000 aanpassingen en verbouwingen aan het pand heeft uitgevoerd of laten uitvoeren. Belanghebbende erkent het voornemen tot verbouwing te hebben gehad, doch heeft geloofwaardig gesteld dit aan dit voornemen geen gevolg is gegeven. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat gedurende zijn bezitsperiode door of namens belanghebbende geen aanpassingen of verbouwingen aan het pand hebben plaatsgevonden. De bij de verkoop gerealiseerde opbrengst vindt om die reden niet haar verklaring in dergelijke werkzaamheden.

5.2. De inspecteur stelt dat belanghebbende het aandeel in het pand heeft aangekocht in de wetenschap dat hij dit aandeel met winst zou kunnen verkopen. Het Hof overweegt dienaangaande dat koop van vermogensbestanddelen in de wetenschap dat deze met winst kunnen worden verkocht, alleen dan tot arbeidsinkomsten in de vorm van inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten leidt indien die koop is geschied met het oogmerk door wederverkoop voordeel te behalen en die wederverkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Belanghebbende stelt dat hij het aandeel in het pand heeft aangekocht met het doel om het, na verbouwing, te verhuren aan een exploitant van een relaxbedrijf. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring en acht niet aannemelijk dat de koop primair is geschied met het oogmerk door wederverkoop voordeel te behalen.

5.3. Het onder 5.2. overwogene neemt niet weg dat belanghebbende, hoewel hij het pand primair kocht om het te gaan exploiteren, de intentie kan hebben gehad het in de toekomst ooit met winst te gaan verkopen. Alsdan kan toch sprake zijn van belaste inkomsten indien belanghebbende wist dat sprake was van een te lage aankoopprijs. Belanghebbende heeft dat ontkend. Belanghebbende heeft gesteld niet te beschikken over ervaring, deskundigheid of relaties op het gebied van onroerende zaken. Uit het enkele feit dat belanghebbende niet zelf een makelaar heeft ingeschakeld maar af is gegaan op het taxatierapport dat is opgesteld door een namens de verkoper ingeschakelde taxateur, kan naar het oordeel van het Hof niet worden afgeleid dat belanghebbende deskundig zou zijn. Niet is gebleken dat belanghebbende een relatie had met één van de bij de aan- en/of verkoop van het verkochte betrokken partijen. De stelling dat belanghebbende de ervaring, deskundigheid of relaties zou hebben gehad op grond waarvan het te behalen voordeel voor belanghebbende ten tijde van de aankoop was te verwachten, vindt naar het oordeel van het Hof ook voor het overige geen steun in de feiten. Dit brengt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, niet heeft bewezen dat belanghebbende wist of moet hebben geweten dat hij het pand te goedkoop kocht.

5.4. Gelet op het vorenoverwogene komt het Hof tot het oordeel dat de opbrengst bij verkoop van het aandeel in het pand niet kan worden aangemerkt als een inkomst uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten. Alsdan is niet in geschil dat het belastbare inkomen conform het primaire standpunt van belanghebbende dient te worden vastgesteld op ƒ 42.120. Het Hof zal de boetebeschikking vernietigen.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten gesteld op € 1.207,50 (2,5 punten voor proceshandelingen à € 322, met toepassing van factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 42.120;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.207,50 en wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende zal voldoen; en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 17 januari 2006 door mrs. D.B. Bijl, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en A. Roelvink-Verhoeff, in tegenwoordigheid van mr. E. Polak als gerechtsauditeur en drs. E.T.N.P. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.