Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0632

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
01-02-2006
Zaaknummer
04/02552
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een MBA-opleiding gevolgd in de VS, hij heeft hiervoor een beurs ontvangen. In zijn aangifte trekt hij de kosten van het collegegeld af als scholingsuitgaven. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende het collegegeld en de overige door hem gemaakte kosten ter zake van zijn opleiding in aftrek gebracht kunnen worden als scholingsuitgaven, dan wel – subsidiair gesteld - of uitsluitend de overige kosten als zodanig in aftrek gebracht kunnen worden.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/33.2.4
FutD 2006-0244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 5 juli 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 25 mei 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001.

1.2. Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.850. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak in stand gebleven.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vaststelling van het inkomen uit werk en woning, met inachtneming van de aftrek van scholingsuitgaven, ad € 7.351, conform de aangifte.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. De zaak is behandeld door de Vierde Enkelvoudige Belastingkamer op 30 juni 2005. Het lid van die belastingkamer heeft de zaak verwezen naar de Tweede Meervoudige Belastingkamer die de zaak heeft behandeld ter zitting van 31 oktober 2005. Voor een overzicht van het aldaar behandelde op de zittingen alsmede van de aldaar verschenen personen verwijst het Hof naar de bijgevoegde processen-verbaal.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft een MBA-opleiding gevolgd aan de Q-universiteit te R (Verenigde Staten van Amerika; hierna: de universiteit) van 22 augustus 2001 tot 16 mei 2003. Door inschrijving op 1 mei 2001 voor de MBA-opleiding was belanghebbende een collegegeld verschuldigd aan de universiteit. Het collegegeld bedroeg in 2001 $ 29.786,77.

2.2. Medio juni 2001 is aan belanghebbende een beurs toegekend, de zogeheten ‘S-beurs’. Deze beurs werd toegekend tot ongeveer het bedrag van het verschuldigde collegegeld en is nimmer daadwerkelijk aan belanghebbende uitgekeerd of anderszins in zijn beschikkingsmacht gekomen. Door de universiteit is deze middels saldering direct in mindering gebracht op het voormelde collegegeld.

2.3. Het collegegeld en overige kosten ter zake van de opleiding (zoals boeken, syllabi, computer en dergelijke) heeft belanghebbende in zijn aangifte over het onderhavige jaar in aftrek gebracht tot een bedrag van € 14.449.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende het collegegeld en de overige door hem gemaakte kosten ter zake van zijn opleiding in aftrek gebracht kunnen worden als scholingsuitgaven, dan wel – subsidiair gesteld - of uitsluitend de overige kosten als zodanig in aftrek gebracht kunnen worden. Partijen zijn het er over eens dat de overige kosten € 1.500 belopen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van partijen alsmede de aan deze uitspraak gehechte processen-verbaal.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft het collegegeld en de overige kosten ter zake van zijn opleiding in aftrek gebracht als scholingsuitgaven in de zin van afdeling 6.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet).

5.2. Gezien de hoogte van de beurs, de rol van de universiteit met betrekking tot de toekenning van de beurs en de procedure van verrekening met het verschuldigde collegegeld, is het Hof van oordeel dat de toekenning van de beurs is geschied met het oogmerk belanghebbende vrij te stellen van betaling van collegegeld.

5.3. Het Hof leidt uit het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet af dat eerst sprake is van een persoonsgebonden aftrek indien en voor zover de kosten, in casu die van zijn opleiding, op belanghebbende hebben gedrukt en dat afdeling 6.7 van de Wet daar nadere invulling aan geeft. Nu belanghebbende een beurs heeft ontvangen van de universiteit tot ongeveer het bedrag van het collegegeld, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat deze kosten niet op hem hebben gedrukt. Er kan derhalve in zoverre geen sprake zijn van persoonsgebonden aftrekposten.

5.4. Met betrekking tot de overige kosten zijn partijen het eens dat die € 1.500 belopen. De inspecteur betwist niet dat deze kosten als scholingsuitgaven zijn aan te merken. Op grond van artikel 6.30, eerste lid, van de Wet komt het deel van de scholingsuitgaven dat hoger is dan € 500, in dit geval € 1.000, in aanmerking voor aftrek. De subsidiaire stelling van belanghebbende is gegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten gesteld op € 483 (1 punt voor proceshandelingen à € 322, met toepassing van factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van

€ 20.850,

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 483 en wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende zal voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 23 januari 2006 door mr. D.B. Bijl, voorzitter, mr. M.E. van Hilten en mr. J.W. Zwemmer, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. Jansen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.