Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0597

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
30-01-2006
Zaaknummer
1245/05 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 19 januari 2006 in de zaak onder rekestnummer 1245/05 NOT van:

[J],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: prof. dr. P. Th. van Reenen,

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 11 augustus 2005 ingekomen een verzoekschrift van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder te noemen de kamer, van 15 juli 2005, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, gegrond is verklaard, onder oplegging van de maatregel van waarschuwing aan de notaris1.2. Van de zijde van de notaris is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 18 oktober2005.

1.2. Bij brief van 2 december 2005 is van de zijde van klaagster een schriftelijke reactie op het verweerschrift van de notaris ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 december 2005. Klaagster, de gemachtigde van klaagster en de notaris zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij te kort is geschoten bij de behandeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

4.2. In het bijzonder wordt de notaris verweten dat hij zich partijdig heeft opgesteld jegens klaagster. In plaats van een bespreking met klaagster te beleggen in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap, belegt de notaris allereerst een bespreking met de ex-echtgenoot van klaagster, verder te noemen: de ex-echtgenoot. Pas na twee jaar, op dringend verzoek van klaagster, vindt een bespreking plaats tussen klaagster en de notaris. De notaris stelt zich aldus op als advocaat van de ex-echtgenoot. Dit geldt te meer nu de notaris de verdeling zou volgen zoals voorgesteld door de ex-echtgenoot. Voorts zou de notaris posten dubbel hebben geboekt en de ex-echtgenoot bevoordeeld hebben bij de verdeling op grond van de levensstijl van de ex-echtgenoot. Ook zou klaagster stukken op verzoek van de notaris dienen over te leggen, terwijl dat van de ex-echtgenoot niet werd verlangd door de notaris. Ten slotte wijst klaagster in verband met dit klachtonderdeel er op dat de notaris haar heeft gedreigd met een gerechtelijke procedure indien zij de voorgestelde verdeling niet zou aanvaarden.

4.3. Ook verwijt klaagster de notaris dat hij incompetent dan wel nalatig is, dit blijkt uit de traagheid waarmee hij de zaak heeft behandeld. Bovendien heeft de notaris de door klaagster opgestelde overzichten niet of nauwelijks in de overzichten van de huwelijks goederengemeenschap verwerkt en heeft hij geen offerte met betrekking tot zijn werkzaamheden uitgebracht. Ook zijn de door de notaris overgelegde declaraties niet in overeenstemming met de urenstaat. Voorts wordt hem verweten inefficiënt te zijn doordat hij in de correspondentie ter zake stukken heeft genoemd, maar deze stukken niet met de desbetreffende brieven heeft mee gezonden. Eveneens heeft de notaris gefaald als bemiddelaar.

4.4. Ten slotte verwijt klaagster de notaris dat hij bewust onvoldoende duidelijk is geweest inzake het al dan niet beëindigen van zijn werkzaamheden. Dit blijkt uit de brief van 29 september 2004, waarin de notaris klaagster laat weten zijn werkzaamheden te beëindigen, terwijl hij later - bij brief van 5 januari 2005 - op zijn standpunt terug komt. Klaagster is hierdoor in verwarring gebracht.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris ontkent gedeeltelijk de stellingen van klaagster en verweert zich als volgt.

5.2. Ten aanzien van het klachtonderdeel met betrekking tot het partijdig optreden heeft de notaris betoogd dat hij in de eerste plaats een inventarisatie heeft willen maken van de baten en de lasten die tot de gemeenschappelijke boedel behoorden, dit geldt te meer nu de ex-echtgenoot gerechtigd was in de nalatenschap van zijn vader.

Daarna is hij op de diverse voorstellen ingegaan met in achtneming van het wettelijk kader en zijn hoedanigheid van boedelnotaris. Hierbij heeft hij zowel klaagster als haar ex-echtgenoot gewezen op de consequenties van hun keuzes of handelingen, waarbij hij ook zijn eigen mening naar voren heeft gebracht.

Ten aanzien van de klacht met betrekking tot de door klaagster aan te leveren stukken heeft de notaris betoogd dat hij de door de ene partij gevraagde stukken opgestuurd heeft naar de andere partij. Ten slotte heeft de notaris betoogd dat hij klaagster niet aangezegd heeft zich eventueel tot de rechter te zullen wenden. Een en ander berust op een onjuiste lezing van zijn brief.

5.3. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft de notaris betoogd dat partijen - in overleg met de advocaat van klaagster – eerst zouden trachten tot overeenstemming omtrent de verdeling te komen. Toen dit niet lukte is er een afspraak gemaakt die, in verband met de vakanties van de diverse partijen, pas op 7 oktober 2003 zijn beslag kreeg. Voorts heeft de notaris betoogd dat hij niet is gehouden om de voorstellen van klaagster te volgen.

5.4. De notaris heeft ten aanzien van het klachtonderdeel met betrekking tot het al dan niet beëindigen van zijn werkzaamheden aangevoerd dat hij bij zijn brief van 29 september 2004 er vanuit ging dat klaagster de verdeling via een gerechtelijke procedure wenste op te lossen. Toen bleek dat zulks niet het geval was heeft hij klaagster bij brief van 5 januari 2005 meegedeeld dat hij zijn werkzaamheden zou hervatten nu de ex-echtgenoot hem mede had gedeeld het voorstel van klaagster te accepteren.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.3. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 19 januari 2006.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN

TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2005/23

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem

in de zaak van:

MEVROUW [J],

wonende te [plaats],

klaagster,

tegen

MR. [X],

notaris te [plaats],

verweerder.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken

- de - door tussenkomst van de voorzitter van de ring Arnhem van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) ontvangen - brief met bijlagen namens klaagster van 16 december 2004, waarin een klacht wordt ingediend tegen notaris mr. [X], verder te noemen de notaris

- de brief met bijlagen namens klaagster van 11 februari 2005, waarin een nadere klacht wordt ingediend tegen de notaris

- de brief met bijlagen van de notaris van 20 februari 2005 als antwoord op de klacht

- de brief met bijlagen namens klaagster van 10 maart 2005

- de brief van de notaris van 9 april 2005

- de brieven van de secretaris van de Kamer van 14 april 2005 aan klaagster en de notaris, waarin zij worden opgeroepen voor de zitting van de Kamer van 6 juni 2005.

De klacht is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de Kamer van 6 juni 2005. Bij die gelegenheid zijn verschenen klaagster, vergezeld van de heer prof. dr. P.Th. van Reenen, en de notaris.

2. De feiten

De Kamer gaat uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster is gehuwd geweest met de heer [K], verder ook te noemen [K]. Bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 3 februari 2000 is tussen beiden de echtscheiding uitgesproken. Daarbij is de notaris tot boedelnotaris benoemd. De beschikking is op 9 maart 2000 ingeschreven.

2.2 Op 11 juni 2001 heeft [K] zich tot de notaris gewend met het verzoek de verdeling van de gemeenschap van goederen, waarin hij met klaagster gehuwd was, te behandelen.

2.3 Bij brief van 19 december 2001 heeft de notaris zich voor de eerste maal tot klaagster gericht, waarbij hij haar een ontwerp van de samenstelling en een overzicht van de verdeling van de huwelijksgoedergemeenschap heeft toegezonden.

2.4 Nadien heeft tussen (de advocaat van) klaagster en de notaris en tussen (de advocaat van) [K] en de notaris een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden over de verdeling.

2.5 Begin 2005 hebben klaagster en [K] over de verdeling overeenstemming bereikt.

3. De klacht

Klaagster stelt dat de notaris ernstig is tekort geschoten in de behandeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij met [K] gehuwd was. In dit verband verwijt klaagster de notaris kort gezegd

- partijdigheid

- incompetentie, met name traagheid, nalatigheid, inefficiëntie en het falen als

bemiddelaar

- het al dan niet opzettelijke creëren van onduidelijkheid.

De notaris heeft tegen die verwijten gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Volgens art. 98 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient dus te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 De Kamer stelt in de eerste plaats vast dat de notaris pas een half jaar nadat hij, in opdracht van de ex-echtgenoot van klaagster, zich had belast met de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, klaagster daarvan op de hoogte heeft gesteld in de vorm van het haar toesturen van een samenstelling van die gemeenschap en een voorstel tot verdeling. Naar het oordeel van de Kamer heeft de notaris aldus een valse start gemaakt met zijn werkzaamheden. Het is alleszins voorstelbaar dat bij klaagster wrevel is ontstaan toen zij rauwelijks een voorstel tot verdeling van de gemeenschap door de notaris kreeg voorgelegd. Daaraan kan niet afdoen dat de notaris, naar zijn zeggen, in eerste instantie heeft getracht een overzicht te krijgen van de tot de gemeenschap van goederen behorende baten en lasten. De Kamer acht de handelwijze van de notaris laakbaar.

4.3 Ter onderbouwing van haar verwijt dat de notaris partijdig heeft gehandeld, stelt klaagster dat de notaris zich bij zijn verdelingsvoorstel heeft opgesteld als advocaat van [K]. De notaris zou zijn uitgegaan van de verdelingssystematiek, zoals die eerder door [K]s advocaat is voorgesteld. Verder zou de notaris posten dubbel hebben geboekt en zich achter [K] hebben opgesteld inzake diens claim op een groter deel van het restantbedrag op grond van zijn levensstijl.

De notaris ontkent de juistheid van de verwijten van klaagster en stelt dat hij op grond van de hem ter beschikking gestelde gegevens tot zijn verdelingsvoorstel is gekomen, waarbij hij de wettelijke bepalingen in acht heeft genomen.

Het behoort niet tot de taak van de Kamer het voorstel tot verdeling van de notaris inhoudelijk te beoordelen. Dit is een taak van de civiele rechter. Het kan anders worden, indien op het eerste gezicht reeds duidelijk is dat de notaris daarbij fouten heeft gemaakt. Gelet op het verweer dat de notaris tegen de verwijten van klaagster heeft aangevoerd valt die conclusie vooralsnog niet te trekken. De Kamer wijst er overigens op dat de omstandigheid dat de notaris klaagster niet volgt in haar opvattingen niet betekent dat hij om die reden partijdig is. De notaris kan en mag een andere visie hebben.

4.4 Klaagster baseert haar verwijt van partijdigheid verder op de stelling dat de notaris van haar heeft verlangd dat zij alle relevante stukken zou overleggen, terwijl hij die eis niet stelde aan [K].

De notaris voert hiertegen aan dat hij de door de ene partij gevraagde stukken bij de andere partij heeft opgevraagd. Hij zegt dat alle door klaagster verzochte stukken aan haar zijn toegestuurd.

Nu, gegeven dit verweer, klaagster haar verwijt niet nader heeft onderbouwd, gaat de Kamer daaraan voorbij.

4.5 Als laatste feit dat de notaris zich partijdig heeft gedragen brengt klaagster naar voren dat de notaris zich in zijn brief van 7 juli 2004 aan haar advocaat vierkant heeft gesteld achter het standpunt van [K] en haar dreigt met een gerechtelijke procedure als zij de voorgestelde verdeling niet aanvaardt.

Deze opvatting berust op een onjuiste lezing van de brief van de notaris. In de bedoelde brief geeft de notaris in hoofdzaak de menig weer van [K]. Dit volgt voldoende duidelijk uit de brief. De omstandigheid dat de notaris aan het slot van zijn brief klaagster nog adviseert de voorgestelde verdeling te aanvaarden en haar wijst op de consequenties van een gerechtelijke procedure kan niet worden gezien als het partij kiezen voor [K] of als een dreigement. De notaris is immers gehouden partijen te verwijzen naar de rechter indien zij geen overeenstemming bereiken over de verdeling.

4.6 Als tweede verwijt noemt klaagster de incompetentie van de notaris, waaronder zijn traagheid. Hiervoor onder 4.2 is reeds overwogen dat de notaris tekort is geschoten met het tijdig informeren van klaagster over de start van zijn werkzaamheden. Klaagster voert verder aan dat haar verzoek om een persoonlijk onderhoud aan de notaris van 22 juni 2002 pas op 7 oktober 2003 is gehonoreerd. De notaris verklaart die tijdspanne aldus, dat na het gedane verzoek met de advocaat van klaagster is afgesproken dat partijen eerst zouden trachten tot overeenstemming over de verdeling te komen en dat, toen op 13 mei 2003 bleek dat dit niet lukte, hij met de advocaat van klaagster een afspraak voor een onderhoud heeft gemaakt die, als gevolg van vakanties, pas op 7 oktober 2003 kon worden geëffectueerd.

Naar het oordeel van de Kamer maakt de notaris met zijn verklaring, die door klaagster niet wordt betwist, voldoende duidelijk waarom aan het verzoek niet onmiddellijk uitvoering is gegeven, zodat de notaris hier geen verwijt treft. Aan klaagster kan wel worden toegegeven dat de notaris een aan hem op 24 maart 2004 toegezonden reactie van [K] eerder dan op 7 juli 2004 aan klaagster had kunnen doorsturen. De Kamer acht deze omissie echter niet zodanig ernstig dat die tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

Voor het overige constateert de Kamer dat de verdeling van de gemeenschap niet vlot verlopen is. De Kamer deelt niet de opvatting van klaagster dat dit met name te wijten is aan de opstelling van de notaris. Weliswaar is van zijn zijde niet steeds met de meeste voortvarendheid gehandeld, maar ook klaagster en [K] hebben voor hun correspondentie ruimschoots de tijd genomen. Bovendien behoort het niet tot de taak van een notaris om, teneinde de afwikkelingstijd te verkorten, knopen door te hakken als partijen van mening verschillen over de verdeling.

4.7 Als ander voorbeeld van de incompetentie van de notaris noemt klaagster diens nalatigheid. Zij betoogt daartoe onder meer dat de notaris de door haar opgestelde overzichten van de verdeling van de gemeenschap niet of nauwelijks in zijn voorstellen heeft verwerkt.

Dit verwijt treft geen doel. Zoals de Kamer onder 4.3 reeds heeft overwogen behoefde de notaris klaagster niet te volgen in haar stellingen, met name ingeval [K] daartegen bezwaar maakt. De notaris mag dan een eigen voorstel, getoetst aan de wettelijke bepalingen, inbrengen.

4.8 Klaagster stelt voorts dat de notaris nalatig is gebleven doordat hij geen offerte heeft uitgebracht van de door hem te berekenen kosten.

De Kamer overweegt dat de notaris vooraf geen kostenberekening heeft kunnen uitbrengen, omdat hij niet bekend was met de omvang van zijn werkzaamheden. Wel was denkbaar geweest dat de notaris klaagster had geïnformeerd over zijn uurtarief. Gebruikelijk gebeurt zo'n kennisgeving bij de aanvang van de werkzaamheden door de notaris. In dit geval is die kennisgeving reeds achterwege gebleven.

Wat betreft de stelling van klaagster dat de door de notaris ingediende declaraties niet in overeenstemming zijn met zijn urenstaat overweegt de Kamer dat de omstandigheid dat de notaris al zijn werkzaamheden op de urenstaat opneemt, niet behoeft te betekenen dat hij deze ook alle declareert. De beoordeling of die declaratie juist is, behoort niet tot de taak van de Kamer, maar tot die van de ringvoorzitter van de KNB.

4.9 Ten slotte acht klaagster de notaris incompetent, omdat hij zou hebben gefaald als bemiddelaar. Klaagster stelt dat haar is gelukt wat de notaris in ruim drie jaar niet lukte, namelijk het tot stand brengen van een verdeling tussen partijen. Zij wijst erop dat haar voorstel tot verdeling van 29 september 2004 op 11 november 2004 door [K] is aanvaard.

De Kamer overweegt dat de omstandigheid dat [K] het voorstel van klaagster heeft geaccepteerd, geen bewijs oplevert voor de ondeugdelijkheid van het voorstel van de notaris. De notaris heeft onbestreden gesteld dat [K] klaagsters voorstel aanvaardde, omdat hij een einde wilde aan de zaak. Het feit dat partijen tot elkaar zijn gekomen vindt mogelijkerwijs zijn grondslag in de omstandigheid dat [K] geen voortzetting van het geschil meer wenste. In ieder geval blijkt er niet van incompetentie van de notaris uit.

4.10 In haar laatste grief verwijt klaagster de notaris het creëren van onduidelijkheid. Zij stelt daartoe dat de notaris haar aanvankelijk bij brief van 29 september 2004 heeft laten weten dat hij zijn werkzaamheden als beëindigd beschouwt en later bij brief van 5 januari 2005 daarop terugkomt.

De notaris heeft deze handelwijze aldus toegelicht, dat hij bij zijn brief van 29 september 2004 ervan uitging dat partijen de verdeling via een gerechtelijke procedure zouden oplossen, zoals ook door hun advocaten te kennen was gegeven. Nadat hij van [K] had vernomen dat deze afzag die procedure en het voorstel van klaagster accepteerde, heeft de notaris in zijn laatstgenoemde brief klaagster een voorstel gedaan om tot afwikkeling te komen.

De Kamer ziet niet in dat de notaris met zijn handelwijze onduidelijkheid zou hebben veroorzaakt. De notaris was als boedelnotaris aangewezen om de verdeling tot stand te brengen. Op het moment dat partijen willen procederen eindigt zijn taak. Vervolgens blijkt hem dat de procedure niet doorgaat en neemt hij zijn wettelijke taak weer op. Daar is niets verwarrends aan. Dat klaagster kennelijk geen behoefte meer had aan de tussenkomst van de notaris is een kwestie die hier los van moet worden gezien.

4.11 Hoewel uit het voorgaande volgt dat - op één na - de verwijten niet slagen, is naar de opvatting van de Kamer wel verklaarbaar waarom deze door klaagster zijn gemaakt. Door klaagster niet tijdig te informeren over de start van zijn werkzaamheden moet de notaris haar het gevoel gegeven hebben dat zij ten opzichte van haar ex-echtgenoot bij de verdeling op achterstand werd gezet. De geuite verwijten kunnen als een neerslag daarvan worden gezien.

4.12 Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, is de Kamer van oordeel dat de notaris tegenover klaagster niet die zorg heeft betracht die van hem mocht worden verlangd. De Kamer acht dit verwijt zodanig ernstig dat zij de notaris daarvoor de tuchtrechtelijke maatregel van waarschuwing zal opleggen.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht

verklaart de klacht tegen de notaris zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen gegrond en legt hem daarvoor de maatregel van waarschuwing op,

verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.D.A. den Tonkelaar, plv. voorzitter, mrs. R.F.M. Brugman, J.G.T.M. Castrop, L.A. van Son en de hr. E. Bos, plv. leden, en in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. Oor, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2005.

De secretaris: De voorzitter: