Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0588

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2006
Datum publicatie
01-02-2006
Zaaknummer
05/01059
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en zijn mede-vennoot/broer staakten hun onderneming. Belanghebende doet daarvan aangifte. In geschil is of de inspecteur bij de aanslagregeling in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/29.2 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 21 mei 2003 een beroepschrift ingediend tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 14 april 2003, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000. Na bezwaar tegen de aanslag heeft de inspecteur deze gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 4 juni 2004 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak waarvan beroep vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.282.

1.3. De Staatssecretaris van Financiën heeft op 12 juli 2004 tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 12 augustus 2005, nr. 41.044, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding verwezen naar dit Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.

1.4. Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke toelichting met betrekking tot de voortgezette behandeling te geven. Beide partijen hebben daarop gereageerd; de inspecteur bij brief van 6 september 2005 en belanghebbende bij brief van 16 september 2005. De griffier heeft een afschrift van deze brieven aan de desbetreffende wederpartij gezonden.

1.5. De inspecteur concludeert uiteindelijk tot ongegrondverklaring van het beroep en belanghebbende tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.282.

1.6. Ter zitting van 5 december 2005 zijn verschenen A als gemachtigde alsmede namens de inspecteur B. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt, welk proces-verbaal aan deze uitspraak is gehecht.

2. Het arrest van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in voormeld arrest onder meer het volgende overwogen:

“4. (…) Het middel bestrijdt ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur de broer van belanghebbende bewust heeft begunstigd en dat mitsdien ten aanzien van belanghebbende sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het middel slaagt. Uit ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat de aangifte van de broer van belanghebbende is gevolgd na op juistheid te zijn onderzocht. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de Inspecteur voor het Hof verklaard dat door een fout bij de selectieprocedure de aangifte van belanghebbendes broer niet is geselecteerd voor nader onderzoek. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

(…)

6. Slotsom

Gelet op het hiervoor onder 4 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Het Hof neemt over en beschouwt als ingelast al hetgeen omtrent de feiten door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is vastgesteld.

3.2. In aansluiting daarop is het volgende komen vast te staan.

3.2.1. Op het door belanghebbende ingediende aangiftebiljet staat onder meer het volgende vermeld:

“28 Winstgerechtigdheid, start en beëindiging onderneming

(…)

28b. U heeft in 2000 uw gehele onderneming of een gedeelte

daarvan beëindigd ” x

(…)

“31. Oudedagsreserve voor ondernemers (FOR)

(…)

31f Het bedrag waarmee de oudedagsreserve afneemt door

andere oorzaken 31f 45.000

Licht de oorzaken toe op een bijlage”

Op een bijlage bij het aangiftebiljet staat onder meer het volgende vermeld:

“Het saldo van de FOR na de toevoeging bedraagt 52.478

Ongebruikt deel van de stakingsvrijstelling 45.000

(…)

De FOR neemt in 2000 fiscaal belast af met 7.478

De FOR neemt in 2000 fiscaal onbelast af met 45.000”

3.2.2. De inspecteur heeft het Hof bij brief van 6 september 2005, naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, het volgende bericht:

“Na de zitting is door mij een nader onderzoek ingesteld naar de oorzaak van het verschil in behandeling. Bij dit onderzoek is gebleken dat de selectie van de aangiften door één persoon heeft plaatsgevonden. Deze persoon heeft bij de selectie bewust een onderscheid gemaakt tussen de wijze waarop de door de broers ingediende aangiften behandeld dienden te worden.

Bij de selectie van de aangifte van de heer Y (broer belanghebbende) was bekend dat een correctie van f 20.000 diende te worden aangebracht in verband met de winst door bestemmingswijziging van de grond. Besloten is niettemin de aangifte te volgen daar deze correctie niet zou leiden tot een wijziging van het belastbaar inkomen. Op de belastbare stakingswinst was immers de stakingsvrijstelling van toepassing. Een kopie van het selectieformulier gelieve u bijgaand aan te treffen (…).

Bij de selectie van de aangifte van de heer X was bekend dat een correctie van f 20.000 diende te worden aangebracht in verband met de winst door bestemmingswijziging van de grond. Op het moment van selectie was tevens bekend dat de opgebouwde oudedagsreserve van f 52.478 door de staking vrij zou vallen. Op basis van deze gegevens is de aangifte geselecteerd voor een inhoudelijke behandeling daar de voorziene correcties zouden leiden tot een wijziging van het belastbaar inkomen. Immers, de stakingsvrijstelling was minder dan de correcties grond en vrijval oudedagsreserve. Een kopie van het selectieformulier gelieve u bijgaand aan te treffen (...).”

Bij deze brief is een geleideformulier gevoegd waarop het sofi-nummer van belanghebbende staat vermeld en waarop met de pen onder meer het volgende is aangetekend:

“50% x ƒ 40.000 belasten = correctie ƒ 20.000

(broer/vennoot is al geadaft ….!)

daar nauwelijks belang omdat eea in zijn stak. vrijst. valt.

er is al ƒ 20.000 genoten dus wel belang.

TGR ivm FOR

ADAF”

Bij deze brief is nog een geleideformulier gevoegd waarop het sofi-nummer van Y staat vermeld en waarop met de pen onder meer het volgende is aangetekend:

“TGR.

ADAF”

3.2.3. Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 16 september 2005 het volgende bericht:

“In punt 6.5. van de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage valt te lezen dat de inspecteur nog melding maakt van een in het dossier van belanghebbende aangetroffen handgeschreven notitie met betrekking tot het in verleden hebben genoten van stakingsfaciliteiten (…).

De inspecteur stelt in zijn schrijven (…) dat bij de selectie van de aangifte van de heer Y bekend was, dat een correctie van ƒ 20.000 diende te worden aangebracht (…) maar dat besloten werd de aangifte te volgen, (…) daar op deze winst (…) de stakingsvrijstelling van toepassing was.

De inspecteur kan deze kennis niet anders verkregen hebben dan door een verdergaande beoordeling van de aangifte en moet dan ook kennis hebben genomen van voornoemde notitie (…).”

4. Geschil

Uiteindelijk is nog in geschil of de inspecteur ten aanzien van belanghebbende heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist.

Indien het gelijk aan belanghebbende is, dient de aanslag te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.282 en indien het gelijk aan de inspecteur is, is het beroep ongegrond.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting..

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Vaststaat dat belanghebbende in zijn aangifte over het onderhavige jaar heeft aangegeven dat hij zijn onderneming heeft beëindigd en er een afname van de FOR heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft voorts onweersproken gesteld dat Y niet heeft aangegeven dat hij zijn onderneming heeft gestaakt, dat de desbetreffende behandelende ambtenaar ten tijde van de selectie zijn afweging slechts heeft gemaakt op basis van de aan de inspecteur bekend zijnde bestemmingswijzigingswinst en dat de aangifte van Y om die redenen administratief is afgedaan..

6.2. Naar ’s Hofs oordeel verkeerde, gelet op de hiervoor onder 6.1. vermelde omstandigheden, belanghebbende wat betreft de wijze van selectie en afdoening van de aangifte niet in een gelijke positie als Y. Reeds om deze reden faalt belanghebbende beroep op het gelijkheidsbeginsel.

6.3. Het Hof acht aannemelijk dat bij deze selectie en beoordeling geen sprake was van een oogmerk van de inspecteur om één van beide gevallen te bevoordelen ten opzichte van het andere. Een eventuele verkeerde beoordeling van het ene geval maakt op zichzelf niet dat deze handelswijze het beleid van de inspecteur wordt, dat toegepast zou moeten worden op het andere geval.

6.4. Het Hof acht de afweging van de behandelend ambtenaar, ertoe leidend dat de aangifte van Y zonder correctie administratief werd afgedaan te rechtvaardigen, aangezien de eventuele in aanmerking te nemen bestemmingswijzigingswinst weg zou vallen tegenover de stakingsvrijstelling.

6.5. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep niet gegrond is.

7. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond

De uitspraak is vastgesteld op 16 januari 2006 door mr. D.B. Bijl, voorzitter, en mrs. E.M. Vrouwenvelder en J.W. Zwemmer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. O. Jansen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.