Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0584

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2006
Datum publicatie
01-02-2006
Zaaknummer
05/00964
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BC4295, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BC4295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Na cassatie is nog in geschil het antwoord op de vraag of - bij de bouw van een woning op een bij een landbouwbedrijf behorende grond - de waardeverandering van de bouwkop verband houdt met de omstandigheid dat de bouwkop voortaan buiten het kader van de het landbouwbedrijf zal worden aangewend; en zo ja: valt een deel van de waardestijging van de bouwkop als waardestijging van cultuurgrond onder de landbouwvrijstelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet; en zo nee: staat het belanghebbende vrij om de bouwkop alsnog tot zijn ondernemersvermogen te blijven rekenen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/33.2.6
FutD 2006-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 95.014, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 90.675.

1.2. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Dit gerechtshof heeft bij uitspraak van 26 maart 2004 de uitspraak van de inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 54.964. Op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris heeft de Hoge Raad bij arrest van 29 april 2005, nr. 40.426, de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.3. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hen door de griffier geboden mogelijkheid schriftelijk te reageren op het arrest van de Hoge Raad.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 12 december 2005. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, zijn gemachtigde A te Q en zijn dochter AX, alsmede namens de inspecteur B. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd. De griffier heeft een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Geding na verwijzing

De Hoge Raad heeft in zijn vorenvermelde arrest, voor zover voor het geding na verwijzing van belang, het volgende overwogen:

“3.3. Indien onder de werking van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op de bij een landbouwbedrijf behorende grond een woning wordt gebouwd, wordt het perceel door de bouw onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dit houdt voor de toepassing van genoemde wetsbepaling in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat het perceel de ondergrond vormt van een aan het bedrijf dienstbare woning of dat de bedrijfsvoering vereist dat de ondernemer woont in de onmiddellijke nabijheid van zijn landbouwbedrijf (…) Het middel slaagt derhalve.

3.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

3. Vaststaande feiten

Het Hof verwijst allereerst naar de feiten die door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage zijn vastgesteld. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt het Hof, nader de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende heeft het in de stukken als de “bouwkop” aangeduide deel van het totale perceel waarop hij zijn onderneming drijft, in 1982 gekocht tegen een veel hogere prijs per vierkante meter dan die welke voor de eveneens aangeschafte cultuurgrond gold. In het op 10 september 1982 opgemaakte taxatierapport is de bouwkop als te bebouwen grond hoger in waarde getaxeerd dan de rest van het perceel, dat bij de taxatie als cultuurgrond is gewaardeerd.

3.2. De bouwkop is het gedeelte van het totale perceel dat grenst aan de openbare weg. De bestemming van de bouwkop was van meet af aan bebouwing met een woning. Dat aan de voorwaarden voor het verlenen van een bouwvergunning werd voldaan was buiten twijfel.

3.3. De aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende zijn voor de jaren volgend op het onderhavige jaar onherroepelijk geworden.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1998; verder: de Wet) een bedrag van f 40.125 tot belanghebbendes belastbare inkomen heeft gerekend.

Na cassatie spitst het geschil zich toe op de volgende vragen:

I. Houdt de waardeverandering van de bouwkop verband met de omstandigheid dat de bouwkop voortaan buiten het kader van de het landbouwbedrijf zal worden aangewend?

En, zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

II. Valt een deel van de waardestijging van de bouwkop als waardestijging van cultuurgrond onder de landbouwvrijstelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet?

En, zo deze vraag ontkennend wordt beantwoord,

III. Staat het belanghebbende vrij om de bouwkop alsnog tot zijn ondernemersvermogen te blijven rekenen?

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en naar het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet – voor zover hier van belang – behoren niet tot de winst voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeverandering van gronden, behoudens voor zover de waardeverandering verband houdt met de omstandigheid dat de grond voortaan of waarschijnlijk binnenkort buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend.

6.2. Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 29 april 2005, nr. 40.426 en van 7 mei 2004, nr. 39.751 (BNB 2004/337) moet worden geoordeeld dat de bouwkop door de bouw van de woning is onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin, hetgeen meebrengt dat de bouwkop voortaan buiten het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf wordt aangewend. Mitsdien is in zoverre sprake van een bestemmingswijziging in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet.

6.3. In aanmerking nemende dat:

- de bouwkop in 1982 als te bebouwen grond tegen een veel hogere waarde is getaxeerd dan de rest van het perceel dat als cultuurgrond is gewaardeerd;

- belanghebbende voor de verkrijging van de bouwkop verhoudingsgewijs veel meer heeft betaald dan voor de rest van het perceel;

- buiten twijfel was dat een bouwvergunning zou worden verleend zodra belanghebbende deze had aangevraagd; en

- belanghebbende, naar hij niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld, van meet af aan de bedoeling heeft gehad de bouwkop met een (bedrijfs)woning te bebouwen,

een en ander tezamen en in onderling verband bezien, is het Hof van oordeel dat de bouwkop als bouwgrond is gekocht en daartoe ook van meet af aan was bestemd. Dit betekent dat de waardestijging van de grond geen verband houdt met de omstandigheid dat de bouwkop door de bouw van de woning voortaan buiten het kader van de het landbouwbedrijf zal worden aangewend. Aan dit oordeel doet niet af dat de bouwkop tussen 1982 en 1998 beplant was en de facto in belanghebbendes bedrijf werd gebruikt, mede om – zoals belanghebbende ter zitting geloofwaardig heeft verklaard – verwildering van de aan de weg gelegen bouwkop te voorkomen.

6.4 Uit hetgeen onder 6.3 is overwogen volgt dat, nu de waardestijging van de bouwkop geen verband houdt met de bestemmingswijziging daarvan, deze waardestijging op de voet van artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet niet tot de winst behoort. Het beroep is mitsdien gegrond. Voor dat geval is niet in geschil dat de aanslag moet worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen van

f 54.964. De overige geschilpunten behoeven geen behandeling meer.

7. Proceskostenvergoeding

In de omstandigheid dat het beroep gegrond is vindt het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten van het geding als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van de proceskosten op 3 (punten per proceshandeling, te weten: beroepschrift Gerechtshof te ’s-Gravenhage + verschijnen ter zitting Gerechtshof te ’s-Gravenhage + verschijnen ter zitting Gerechtshof te Amsterdam) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak) is € 1.449.

8 . De beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 54.964;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.449 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 9 januari 2006 door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, en M.E. van Hilten en D.J. de Korte, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. Jansen als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.