Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AV0179

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
04/02322
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 1993 contante ontvangsten uit hoofde van activiteiten in Polen op haar bankrekening gestort. Het Hof acht het niet aannemelijk dat sprake is van een voordeel uit hoofde van een Poolse deelneming.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/33.2.9
FutD 2006-0205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 18 juni 2004, ingediend door A. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 29 maart 2005 met 16 bijlagen.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 12 mei 2004, betreffende de met dagtekening 31 december 1996 aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993.

1.2. De aanslag is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 107.116. Na bezwaar, ingekomen 29 januari 1997, heeft de inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 37.116.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend met 20 bijlagen, waarin deze heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.5. Van belanghebbende is op 23 september 2005 een pleitnota ontvangen. Een kopie hiervan is aan de inspecteur toegezonden.

1.6. Ter zitting van 5 oktober 2005 is het beroep mondeling behandeld. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt, welk proces-verbaal aan deze uitspraak is gehecht.

1.7. Ter zitting van 5 oktober 2005 zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van belangheb-bende betreffende de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 1992, kenmerk 05/00192, en dat betreffende de aanslag vennootschapsbelasting 1993, kenmerk 04/02322.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is [] te Den Haag onder de naam Y B.V. opgericht. Nadien is de naam van belanghebbende gewijzigd in Z B.V. en daarna, [], in X B.V.

2.2. Enig aandeelhoudster van belanghebbende was in 1993 Z Holding B.V. (hierna: ZHBV). Enig bestuurder van belanghebbende was in 1993 mr. X (hierna: X).

2.3. Op 27 maart 1991 is opgericht de Poolse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid XP Sp. In de akte van oprichting van XP Sp. is ZHBV als enig aandeelhouder vermeld. In 1992 en 1993 was R directeur van XP Sp..

2.4. In een brief van belanghebbende van 19 december 1991 aan de inspecteur is onder meer het volgende vermeld:

“Referend aan onze bespreking van 19-12-1991 zou ik gaarne uw aandacht willen vragen voor het navolgende;

[Belanghebbende] heeft een 100 % deelname in Polen onder de naam [XP Sp.]. (...)

Deze onderneming houdt zich bezig met handelstransacties en het vervaardigen van Souvenirs. Uit deze activiteiten vloeit winst voort en deze wordt als dividend aan de moedermij uitgekeerd i.c. [belanghebbende].

Gezien het vooralsnog uiterst gebrekkige bankverkeer geschiedt deze dividend uitkering vooralsnog per kas.

Ik verzoek u om mij moverende redenen kennis van bovenstaande te nemen teneinde problemen in de toekomst te vermijden.”

2.5. In een brief van de inspecteur van 6 januari 1992 aan belanghebbende is onder meer het volgende vermeld:

“Het per kas ontvangen van dividenden uit Polen door [belanghebbende] op zich, is, zolang het bankverkeer in Polen niet is genormaliseerd, acceptabel.”

2.6. Op 9 januari 1992 heeft X een bedrag groot ƒ 250.000 in contanten gestort op een door belanghebbende bij de ABN-AMRO-bank te Z aangehouden bankrekening. Op het stortingsbewijs is vermeld: “Dividend Polen, ingevolge brief deelnemingsvrijstelling.” Op 4 februari 1993 heeft X een bedrag groot ƒ 70.000 in contanten gestort op voormelde bankrekening. Het dagafschrift van de bank vermeldt als omschrijving “dividend Polen”. Belanghebbende heeft het bedrag geboekt op de grootboekrekening Bijzondere baten & lasten eveneens met de vermelding dividend Polen.

2.7. In de door belanghebbende voor het jaar 1993 ingediende aangifte vennootschaps-belasting is als vrijgesteld voordeel uit hoofde van haar deelneming in XP Sp. ƒ 70.000 verantwoord. Het aangegeven belastbare bedrag bedraagt ƒ 32.302.

2.8. In een concept-verslag van een boekenonderzoek, gedagtekend 16 augustus 1995, dat namens de inspecteur bij belanghebbende is verricht, is onder meer het volgende vermeld:

“ 2. VENNOOTSCHAPSBELASTING

2.1. Fiscale balans

2.1.1. Deelneming [XP Sp.]

(…)

De activiteiten van XP Sp. zouden, volgens [X], naast de vervaardiging van souvenirs bestaan uit de handel in ongeregelde goederen (onder andere olie en metalen) uit het Oostblok. (…)

Met betrekking tot de handelstransacties en vervaardiging van souvenirs is geen financiële verantwoording door belastingplichtige overhandigd.

Betreffende de transacties zouden geen contracten zijn opgemaakt. Door de vennootschap zijn geen jaarstukken opgemaakt, er zou sprake zijn van een tax-holiday (…). Deze tax-holiday hield volgens [X] onder andere in dat er geen administratie behoefde te worden bijgehouden.

Tenslotte zijn er ook geen verslagen van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA). In de oprichtingsakte staat vermeld dat er voor de uitkering van dividenden een besluit daartoe door de AVA moet worden genomen.

Betreffende de onderneming kon door [X] alleen een foto getoond worden van het bedrijfspand met daarvoor een bord met de bedrijfsnaam erop. Het pand is volgens [X] eigendom van XP Sp. en staat op dit moment nog te koop. (…)

XP Sp. werd in september 1992 geliquideerd.

(…)

In 1993 werd er eenmaal een bedrag van ƒ 70.000,- contant ontvangen door [belanghebbende] van XP Sp.. In de aangifte vennootschapsbelasting van [belanghebbende] over 1993 is dit wederom aangegeven als dividend van buitenlandse deelneming. Van een deelneming in XP Sp. was overigens geen sprake meer, deze was namelijk reeds in 1992 geliquideerd.

(…)

Standpunt Belastingdienst

Gelet op het ontbreken van een aandeelhoudersrelatie gaan wij er vanuit dat [belanghebbende] nooit dividend, vallende onder de deelnemingsvrijstelling, heeft kunnen ontvangen. De uit Polen ontvangen bedragen moeten bestempeld worden als commissie. Hierdoor dient de over 1992 aangegeven belastbare winst verhoogd te worden met ƒ 250.000,- en over 1993 met ƒ 70.000,-. De in 1992 gemaakte liquidatiekosten ad ƒ 17.136,- kunnen ten laste van de winst worden gebracht, de totale correctie over 1992 is per saldo ƒ 232.864.”

2.9. In een brief aan de Belastingdienst van het ‘Department of International Economic Cooperation’ van de Republiek Polen, gedagtekend 14 juni 1995, is onder meer het volgende vermeld:

“1) (…) [XP Sp.] does not perform any economic activities (…)

2) Documentation collected by tax inspectors during investigation does not show any amount paid by [XP Sp.] as dividend to [belanghebbende] in 1992 and 1993. Enclosed please find copies of the annual accounts concerning years 1991, 1992, 1993 – we are not able to send you copies of the minutes of the meetings of shareholders concerning decisions to provide dividends.”

2.10. Blijkens een proces-verbaal van een verhoor door ambtenaren van de FIOD heeft X op 2 december 1997 onder meer het volgende verklaard:

“(Rel.: Vragen gehoorde naar de activiteiten van [XP Sp.])

“[XP Sp.] hield zich feitelijk alleen met souvenirs bezig. Eind jaren 1980 was er een onderzoek van de Belastingdienst (…). Dit (…) resulteerde in een compromis-bespreking met de heer B (…). Op dat moment was ik bezig met een transactie van Rusland naar Polen, die mij veel geld opleverde. Dit betrof handel in metaal. De opbrengst van deze transactie wilde ik op een normale manier in Nederland verantwoorden en heb deze situatie met B als volgt besproken: De opbrengsten van de Russisch-Poolse transactie zou ik als contant dividend via [XP Sp.] in Nederland verantwoorden. (…) B heeft (…) de aangifte 1992 van [belanghebbende] geregeld, met daarin de dividendverantwoording zoals ik met hem had afgesproken. (…) De dividenden (…) zijn via [XP Sp.] verantwoord. (…)”

(…)

(Rel.: Tonen gehoorde Poolse jaaroverzichten 1991, 1992 (t/m 30-09-1992) en 1993 (t/m 15-01-93) inzake [XP Sp.]) (…)

“Ik heb in 1991 bij de bespreking met B aangeboden alle benodigde stukken te overleggen. Dit was volgens hem niet nodig. Waarom dit dividend niet in de Poolse jaarstukken is verantwoord weet ik niet. Dit was wel degelijk de bedoeling, want in Polen waren er toch geen fiscale consequenties. R heeft ook meegedaan in de Russisch-Poolse transactie en had dit in de jaarstukken kunnen opnemen. (…)”

(…)

(Rel.: Delen gehoorde mede dat volgens de oprichtingsakte van [XP Sp.] niet [belanghebbende] de aandeelhouder van [XP Sp.] is, maar [ZHBV], dat het derhalve onmogelijk is dat [belanghebbende] dividend van [XP Sp.] heeft ontvangen, en dat terzake voor [belanghebbende] nimmer deelnemingsvrijstelling Vennootschapsbelas-ting van toepassing kan zijn, (…))

“Dat is een fout. [ZHBV] had hiermee niets te maken. Ik denk dat dit is veroorzaakt door de Poolse notaris (…). Alles uit het buitenland heet Holding in Polen. Ik besef dat [belanghebbende] feitelijk geen deelnemingsvrijstelling hiervoor kan krijgen. Dat dit verkeerd was had ik in 1991 al geconstateerd en met B besproken. Ik heb toen ook de oprichtingsakte overlegd. (…)”

(…)

(Rel. Tonen gehoorde de als bijlage bij de aangifte VPB 1992 van [belanghebbende] ontvangen jaarstukken 1992, wijzen gehoorde op de in de Verlies- en winstrekening 1992 opgenomen post “Ontvangen dividend fl. 250.000,-“, wijzen gehoorde op – vermoedelijk – zijn handtekening op deze jaarstukken en vragen gehoorde of deze jaarstukken juist zijn)

“Dit is mijn handtekening. Deze jaarstukken zijn juist, ik verwijs naar wat ik hiervoor heb verklaard.”

(…)

(Rel. Tonen gehoorde de als bijlage bij de aangifte VPB 1993 van [belanghebbende] ontvangen jaarstukken 1993, wijzen gehoorde op de in de Verlies- en winstrekening 1993 opgenomen post “dividend Polen fl. 70.000,-”, wijzen gehoorde op – vermoedelijk – zijn handtekening op deze jaarstukken en vragen gehoorde of deze jaarstukken juist zijn)

“”Dit is mijn handtekening. Deze jaarstukken zijn juist, ik verwijs naar wat ik hiervoor heb verklaard.””

2.11. In een overzichtsproces-verbaal van de FIOD van 19 december 1997 (pag. 4 en 6) is inzake belanghebbende als eerste verdachte en X als tweede verdachte onder meer het volgende vermeld:

“Kladaantekeningen (…) inzake een gesprek met B (…) van 10 maart 1995:

(…) B wist zich nog te herinneren dat er niet is getwist over een eventuele deelneming. Het enige probleem was de contante betaling; (…) Hij heeft geen jaarstukken gezien, wel een akte van oprichting, briefpapier en een vestigingsadres;

(…)

Volgens (…) jaarstukken heeft XP Sp. in de periode 1991 tot 15 januari 1993 uitsluitend verlies geleden. De verkopen bleven ver achter bij de gemaakte kosten.

2.12. Blijkens een proces-verbaal van een verhoor voor de rechter-commissaris heeft R. R op 29 november 2000 onder meer het volgende verklaard:

“Ik was directeur van [XP Sp.] (…). U houdt mij voor dat (…) XP Sp. uitsluitend verlies heeft geleden, en vraagt of door XP Sp. dividenden zijn uitgekeerd aan [X] of bedrijven van hem.

Nee, zo’n situatie heeft zich niet voorgedaan. En u zei al: er waren verliezen; dan worden natuurlijk geen dividenden uitgekeerd. (…) De handelsactiviteiten van XP Sp. waren niet breed, maar zouden dat wel kunnen zijn. Ik heb met [X] contact gehad over Russische handelspartners van hem, maar dat was heel algemeen. Mij is niets bekend over verdiensten daarvan. [X] had veel activiteiten; ik was daar niet over geïnformeerd. Ik hield mij bezig met de produktie in Polen en de export daarvan naar andere landen. (…)

Ik beschikte over heel algemene informatie over transacties (…) in metalen. Dat had met Rusland te maken. Onze firma was, de eerste drie jaar vanaf de dag van uitschrijving van de eerste factuur, vrijgesteld van belasting. Vanwege die vrijstellings-status was mijn suggestie om daar gebruik van te maken. Dus eventuele verdiensten uit transacties in of buiten Polen konden we bij deze firma bijtrekken, en door die belastingvrijstelling was dat gunstig. Dat heb ik als advies aan [X] gegeven, in de beginperiode dat XP Sp. handelsactiviteiten begon te ontplooien. Hieruit vloeide het advies voort provisies die in Rusland tot stand kwamen, in XP Sp. in te brengen en daarna te transfereren naar Nederland.

Om die suggestie te verwezenlijken, hadden wij documenten nodig. Op basis van zulke documenten konden we de transfer tot stand brengen. [X] en ik hebben daarover gesprekken gevoerd, en ik heb de boekhouder daarover gesproken en hem gevraagd of het mogelijk en legaal was. Dat was ’t geval.

Dit had kunnen gebeuren, als er zo’n document of bewijs was geweest. Maar volgens mij is het nooit zover gekomen. Ik heb nooit zo’n document gezien. Volgens mij zijn dergelijke papieren nooit bij de boekhouder gekomen, ook niet later, na het opmaken van de balans. Ik denk dat, omdat als ze gekomen waren, ze in de boeken hadden moeten staan. En dat is niet het geval.

(…)

Het klopt dat er, omdat er geen documenten waren over Russische transacties, niets van is opgenomen in de boekhouding van XP Sp..

Als [X] (tegen de FIOD) heeft verklaard dat ik op de hoogte was van dergelijke transacties en dat die zouden worden opgenomen in de boekhouding: Ja, inderdaad: dat was die gunstige situatie. Het was logisch om de verdiensten van transacties naar Nederland te transfereren. Als zulke documenten er waren geweest, zouden ze in de boekhouding worden opgenomen.”

2.13. In een brief aan belanghebbende van 29 november 1996 schrijft de inspecteur aan belanghebbende onder meer het volgende:

“Naar het zich laat aanzien kan het boekenonderzoek van [belanghebbende] over de jaren 1991 tot en met 1993 niet voor het einde van dit jaar worden afgerond. (…) Daarom leggen wij, ter behoud van rechten, (…) een primitieve aanslag over 1993 op.

(…)

Conclusie 1993

Aangegeven belastbaar bedrag f 32.302,-

Correctie deelnemingsvrijstelling f 70.000,-

Correctie niet aftrekbaar bedrag f 3.964,-

Correctie lagere afschrijving f 850,-

Gecorrigeerd belastbaar bedrag f 107.116,-“

3. Geschil

In geschil zijn de volgende vragen:

1. Behoort het onder 2.6 vermelde bedrag ad ƒ 70.000 tot de belastbare winst van belanghebbende?

2. Indien vraag 1. bevestigend wordt beantwoord: staat in enige vorm jegens belanghebbende gewekt vertrouwen aan belastingheffing over dit bedrag in de weg?

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat X op 4 februari 1993 een bedrag groot ƒ 70.000 in contanten (hierna: het bedrag) heeft gestort op een door belanghebbende bij de ABN-AMRO-bank te Z aangehouden bankrekening en dat het voormelde bedrag voortvloeit uit een of meer Pools-Russische handelstransacties waarbij voornoemde X betrokken was.

5.2. Vaststaat voorts dat belanghebbende het bedrag tot haar winst heeft gerekend, dat het in de jaarstukken van XP Sp. over 1993 niet is verantwoord, dat deze jaarstukken door X zijn ondertekend en dat hij tegenover de FIOD heeft verklaard dat die jaarstukken juist zijn.

5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat ter zake van het bedrag sprake is van een voordeel dat zij uit hoofde van haar deelneming in XP Sp. heeft genoten en dat bij haar op de voet van artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) is vrijgesteld.

5.4. De inspecteur heeft daarentegen gesteld dat geen sprake kan zijn van een vrijgesteld deelnemingsvoordeel, omdat XP Sp. geen dochtervennootschap was van belanghebbende, zij daarin derhalve geen deelneming kon hebben en voorts dat het bedrag rechtstreeks door belanghebbende is genoten en dit haar niet via XP Sp. heeft bereikt.

5.5. Nu XP Sp. het bedrag, evenals een in 1992 door belanghebbende genoten bedrag ad

ƒ 250.000 dat door belanghebbende eveneens als voordeel uit hoofde van haar deelneming in XP Sp. is aangemerkt, niet als winst heeft verantwoord, en belanghebbende ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat XP Sp. gerechtigd was tot deze bedragen, gaat het Hof ervan uit dat zijniet als een resultaat van XP Sp. kunnen worden beschouwd. Dit oordeel wordt bevestigd door de verklaring van R (zie 2.12). Uit deze verklaring begrijpt het Hof dat kennelijk, in verband met een Poolse tax holiday van XP Sp., is overwogen om het resultaat van de Pools-Russische handelstransacties via XP Sp. te laten lopen, maar dat het nooit zover is gekomen. Deze verklaring stemt overeen met de jaarstukken van XP Sp.. In het bewijs dat XP Sp. desondanks het bedrag heeft genoten, voordat zij dit bedrag aan belanghebbende heeft uitgekeerd, acht het Hof belanghebbende niet geslaagd.

5.6. Aangezien het bedrag niet door XP Sp. aan belanghebbende is uitgekeerd, kan er geen sprake zijn van een deelnemingsvoordeel en dientengevolge mist de deelnemingsvrijstelling toepassing. Nu niettemin X het bedrag op een bankrekening van belanghebbende heeft gestort en belanghebbende dit tot haar resultaat heeft gerekend, gaat het Hof in beginsel ervan uit dat het tot de belastbare winst van belanghebbende behoort. Dit uitgangspunt vindt bevestiging in de omstandigheid dat het bedrag voortvloeit uit activiteiten waarbij X betrokken is geweest en dat X in 1993 enig directeur van belanghebbende was.

5.7. Belanghebbende heeft (meer) subsidiair gesteld dat het bedrag niet tot haar belastbare winst behoort te worden gerekend, omdat het door X in privé zou zijn genoten. Gelet op de omstandigheid dat het bedrag door X op een bankrekening van belanghebbende is gestort, het in haar jaarstukken als winst is verantwoord en zij het in haar aangifte tot haar belastbare winst heeft gerekend, ligt het op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat het bedrag desondanks door X in privé is genoten. In dit bewijs acht het Hof belanghebbende niet geslaagd. Hetzelfde geldt voor de stelling van belanghebbende dat het bedrag tot de winst behoort van een door haar gedreven Poolse vaste inrichting; zulks temeer daar van een in Polen gevestigde vaste inrichting uit de aangifte vennootschapsbelasting 1993 van belanghebbende niets is gebleken. Ook overigens is het bestaan van een Poolse vaste inrichting van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Het Hof gaat in dit verband voorbij aan een buiten het formele proces-verbaal van X door de relatanten opgetekende verklaring van X als vermeld op pagina 12 van bijlage 14 bij het beroepschrift.

5.8. Belanghebbende heeft gesteld dat zij door de extreem lange duur van behandeling van het bezwaarschrift in bewijsnood verkeert. Het Hof oordeelt dat daarvan geen sprake is aangezien belanghebbende reeds met het verslag van een boekenonderzoek van 16 augustus 1995 en bij brief van 29 november 1996 over de bijtelling van het bedrag is geïnformeerd en zij zich op basis van die brief nader op de kwalificatie van het bedrag en op het in dat kader mogelijk van haar te verlangen bewijs heeft kunnen beraden.

5.9. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het bedrag haar heeft bereikt als een (informele) storting van kapitaal, oordeelt het Hof dat ook met betrekking tot deze stelling de bewijslast op belanghebbende rust, in welk bewijs zij evenmin is geslaagd.

5.10. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat X op 19 december 1991 een bespreking heeft gehad met de inspecteur en omdat deze in die bespreking en een daarop gevolgde briefwisseling (zie 2.4. en 2.5.) ermee zou hebben ingestemd dat het bedrag door haar als deelnemingsdividend zou worden aangemerkt. De inspecteur heeft dit standpunt betwist.

5.11. In de brief van X aan de inspecteur van 19 december 1991 is gesteld dat belanghebbende dividend in contanten zal genieten uit hoofde van haar deelneming in XP Sp.. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt evenwel dat deze stelling niet wordt gesteund door de feiten en omstandigheden die omtrent het bedrag bekend zijn geworden. Nu de informatie die X destijds omtrent het bedrag heeft verstrekt niet overeenstemt met hetgeen daaromtrent overigens is komen vast te staan, kan de inspecteur niet gehouden worden aan zijn reactie op het destijds namens belanghebbende gedane verzoek. Reeds op deze grond is van gewekt vertrouwen dan wel een zodanige bij belanghebbende gewekte indruk geen sprake. Overigens biedt ook de reactie van de inspecteur op de brief van 19 december 1991 geen steun aan de stelling dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden. Dit geldt eveneens voor het verslag van 17 april 1995 van een bespreking namens X met de ambtsvoorganger van de inspecteur, een aantekening van C, de toenmalige gemachtigde van X, van 10 maart 1995, alsmede het proces-verbaal van een verhoor van B, van 8 december 1997, op welke stukken belanghebbende zich in deze beroept.

5.11. Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep van belanghebbende ongegrond is. Ter zitting heeft de inspecteur evenwel ermee ingestemd dat de kosten van liquidatie van XP Sp. ad ƒ 17.136, welke kosten de inspecteur in het jaar 1992 niet in aftrek heeft toegestaan omdat hij zich voor dat jaar – naar het Hof begrijpt – op het standpunt heeft gesteld dat de vereffening van XP Sp. nog niet was voltooid, in 1993 ten laste van de winst kunnen komen. Dit leidt ertoe dat de aanslag moet worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 89.980 (= ƒ 107.116 -/- ƒ 17.136). In zoverre is het beroep van belanghebbende gegrond.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ad € 644 (€ 322 x 2 wegens proceshandelingen x 1 wegens het gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 89.980;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 273 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 18 januari 2006 door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en J.P.F. Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.