Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AU9664

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
730/05 NOT en 793/05 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verplichte notariële tussenkomst bij het rechtsverkeer in onroerende zaken vindt mede haar rechtvaardiging in de bescherming van het belang van de doorgaans niet deskundige partijen die aan dat verkeer deelnemen. Op de notaris rust daarom een zware zorgplicht te bewerkstelligen dat de verwervende partij een goede titel krijgt met betrekking tot de onroerende zaak waarop de overeenkomst tussen partijen betrekking heeft. Indien blijkt dat aan een titel niettemin gebreken kleven wordt dat de notaris aangerekend tenzij hij alles heeft gedaan en niets heeft nagelaten wat het gebrek had kunnen voorkomen. Het hof tekent daarbij aan dat in het algemeen de notaris mag afgaan op de gegevens die uit de openbare registers en het kadaster blijken en niet verlangd kan worden dat de notaris zich ter plaatste begeeft; zulks kan echter aangewezen zijn indien de gegevens van de openbare registers en het kadaster aanleiding tot twijfel geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2006, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 12 januari 2006 in de zaak onder rekestnummer 730/2005 NOT van:

MR. [X],

notaris te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigden: mrs. B.W.A.M. Maasen en A. Knigge,

t e g e n

[L],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE

gemachtigde: mr. J.R. Smeets,

en de zaak onder rekestnummer 793/2005 NOT van:

[L],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J.R. Smeets

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigden: mrs. B.W.A.M. Maasen en A. Knigge.

1. Voeging van beide zaken in hoger beroep

De over en weer door partijen aangespannen procedures in hoger beroep tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Rotterdam, verder te noemen de kamer, van 21 april 2005, zijn door het hof gevoegd daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en tussen dezelfde partijen aanhangig zijn die ook in eerste aanleg tegenover elkaar stonden.

2. Het verloop van de procedure in de gevoegde zaken

2.1. Namens appellant in de zaak met rekestnummer 730/05 NOT, verder te noemen de notaris, is bij een op 12 mei 2005 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen - en namens appellant in de zaak met rekestnummer 793/05 NOT, verder te noemen klager, is bij een op 20 mei 2005 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift, tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte onder 1 genoemde beslissing van de kamer waarbij de klacht tegen de notaris gegrond is verklaard en aan de notaris de maatregel van waarschuwing is opgelegd.

2.2. Namens de notaris is op 1 juli 2005 een aanvullend verzoekschrift in de zaak met rekestnummer 730/05 NOT ter griffie van het hof ingediend, tevens verweerschrift in de zaak met rekestnummer 793/05 NOT ingediend.

2.3. Van de zijde van klager is op 12 augustus 2005 een verweerschrift in de zaak met rekestnummer 730/05 NOT ter griffie van het hof ingekomen.

2.4. Op 24 oktober 2005 is van de zijde van de gemachtigde van klager per faxbericht een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaken ter griffie ingekomen.

2.5. De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 oktober 2005. Verschenen zijn klager en zijn gemachtigde, alsmede de notaris, vergezeld van zijn gemachtigden. Partijen hebben het woord gevoerd, Mr. Maasen als één van de gemachtigden van de notaris aan de hand van een pleitnotitie.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze

beslissing derhalve vernietigen.

4. De stukken van de gedingen

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

5. De feiten in beide zaken

5.1. Bij akte op 18 februari 2002 verleden voor een waarnemer van notaris mr. F.H.A.A. Duynstee te Voorburg, deze akte verder te noemen: “de Duynstee-akte”, hebben C.M. [Z]-[B] en H.A. [Z], verder te noemen de verkopers, een gedeelte van een stuk grond kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie BC nummer 3489, groot circa 2.33 are, geleverd gekregen. In de omschrijving staat dat het stuk grond is gelegen nabij de Westvlietweg te [plaats] met vermelding: ‘met het daarop in opdracht van en voor rekening van koper in aanbouw zijnde woonhuis’. Aan de akte is een tekening gehecht, die echter niet is ingeschreven in de openbare registers.

5.2. Op 15 augustus 2002 is voor een waarnemer van notaris mr. J.W.M. Koch te ‘s-Gravenhage een akte verleden, deze akte verder te noemen: “de Koch-akte”, waarbij de verkopers geleverd kregen: een gedeelte van een stuk grond, plaatselijk bekend [adres] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie BC nummers 3489 en 3490, groot circa 2.10 are, met de daarop door verkopers voor eigen rekening en risico gestichte opstallen bestaande uit een vrijstaande villa met garage. Aan deze akte is een tekening gehecht, die mede is ingeschreven in de openbare registers.

5.3. Vervolgens wordt op 30 september 2003 bij akte, verleden voor de notaris, aan klager door de verkopers geleverd de vrijstaande villa met garage en ondergrond [adres]. Dit stuk grond betreft een gedeelte van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie BC nummers 3489 en 3490, groot circa 2.10 are. In de akte wordt verwezen naar de tekening behorende bij de Koch-akte. De tekening is echter niet aangehecht.

5.4. In het voorjaar van 2004 is het stuk grond vanwege het kadaster uitgemeten. Gebleken is dat op het stuk grond zoals geleverd aan klager niet de villa [adres] staat. Het stuk grond dat door klager is gekocht beslaat slechts het voorterrein van de eerder genoemde villa, die zich bevindt op het stuk grond dat aan verkopers geleverd werd bij de Duynstee-akte.

6. Het standpunt van klager

6.1. Kort samengevat verwijt klager de notaris dat hij bij de afwikkeling van de verkoop van een vrijstaande villa met garage, ondergrond, tuin en erf gelegen aan [adres] te [plaats], er geen zorg voor heeft gedragen dat klager geleverd kreeg hetgeen hij had gekocht.

6.2. Voorts wordt de notaris verweten dat de tekening van het stuk grond niet bij de conceptakte is gevoegd, noch dat deze tekening tijdens het passeren van de akte ter tafel is gekomen. De notaris heeft in de akte slechts verwezen naar de tekening zoals die is gevoegd bij de Koch-akte, terwijl het op de weg van de notaris zou hebben gelegen om aan de akte van levering een tekening te hechten.

6.3. Ten slotte verwijt klager de notaris dat hij tijdens het passeren van de akte niet in het bezit was van een gelegaliseerde volmacht van de verkopers.

6.4. Klager biedt getuigenbewijs aan van zijn stellingen.

7. Het standpunt van de notaris

7.1. De notaris betwist de stellingen van klager gedeeltelijk en verweert zich als volgt.

7.2. In de eerste plaats heeft de notaris betoogd dat hij in beginsel mag afgaan op de door partijen verstrekte informatie, waaronder de aankomsttitel, in casu de Koch-akte. Dat hierin reeds foutief staat vermeld op welk stuk grond de villa zich bevindt kan de notaris niet worden verweten.

Bovendien heeft de notaris betoogd dat het op de weg van klager had gelegen om te controleren of de villa zich daadwerkelijk op het stuk grond zoals genoemd in de akte bevond.

7.3. In de tweede plaats heeft de notaris betoogd dat de tekening met betrekking tot het stuk grond tijdens het passeren van de akte van levering door klager is geverifieerd. De notaris heeft de tekening niet aangehecht teneinde te voorkomen dat er verschillende aanduidingen van het stuk grond in omloop zouden raken.

7.4. Tenslotte heeft de notaris betoogd dat klager niet heeft aangetoond, noch dat anderszins is gebleken dat de volmachten van de verkopers ondeugdelijk zijn. De notaris is van mening dat een gelegaliseerde volmacht geen voorwaarde is voor een deugdelijke levering.

7.5. De notaris biedt bewijs aan van al zijn stellingen door middel van het horen van getuigen.

8. De beoordeling

8.1. Het hof zal de klachtonderdelen met betrekking tot de levering en de tekening in samenhang behandelen, nu deze twee klachtonderdelen zo nauw met elkaar verweven zijn dat het een gezamenlijke behandeling rechtvaardigt.

8.2.1. De verplichte notariële tussenkomst bij het rechtsverkeer in onroerende zaken vindt mede haar rechtvaardiging in de bescherming van het belang van de doorgaans niet deskundige partijen die aan dat verkeer deelnemen. Op de notaris rust daarom een zware zorgplicht te bewerkstelligen dat de verwervende partij een goede titel krijgt met betrekking tot de onroerende zaak waarop de overeenkomst tussen partijen betrekking heeft. Indien blijkt dat aan een titel niettemin gebreken kleven wordt dat de notaris aangerekend tenzij hij alles heeft gedaan en niets heeft nagelaten wat het gebrek had kunnen voorkomen. Het hof tekent daarbij aan dat in het algemeen de notaris mag afgaan op de gegevens die uit de openbare registers en het kadaster blijken en niet verlangd kan worden dat de notaris zich ter plaatste begeeft; zulks kan echter aangewezen zijn indien de gegevens van de openbare registers en het kadaster aanleiding tot twijfel geven.

Nu klager geen eigenaar is geworden van de door hem gekochte villa c.a. maar van een stuk grond waarop die villa niet staat dient het hof derhalve te beoordelen of de notaris alles heeft gedaan en niets heeft nagelaten wat de vergissing had kunnen voorkomen.

8.2.2. Het door klager gekochte betrof een nog niet uitgemeten gedeelte van twee kadastrale percelen, terwijl noch op de kadastrale kaart noch op de kaart gehecht aan de Koch-akte de plaats van de villa was ingetekend. Dat betekent dat slechts met kennis van de situatie ter plaatse aan de hand van de tekening was vast te stellen of de gekochte villa zich op het te leveren stuk grond bevond. Bij die vaststelling mocht de notaris zonder zich ter plaatste te begeven gebruik maken van de kennis van klager van de situatie, maar hij diende klager onder overlegging van relevante stukken zoals tekeningen daartoe expliciet te bevragen.

Zulks is naar het oordeel van het hof niet in voldoende mate geschied:

Uit de stukken is gebleken en ook ter zitting is komen vast te staan dat bij het voor de levering aan klager gezonden concept niet was gevoegd een kopie van de tekening gehecht aan de Koch-akte waarnaar het concept verwees. Slechts door kennisname van die tekening had klager kunnen constateren dat zich op het aan hem te leveren stuk grond niet de door hem gekochte villa bevond. Door het ontbreken van de tekening voldeed het concept niet aan de daaraan te stellen eisen.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of de tekening gehecht aan de Koch-akte zich bij het passeren van de akte ter tafel bevond. Klager stelt dat zulks niet het geval was, de notaris bestrijdt dat en stelt dat de tekening bij het passeren van de akte door klager is geverifieerd. Het standpunt van de notaris vindt bevestiging in de schriftelijke verklaring van Putman. Vaststaat bovendien dat de notaris bij de voorbereiding van de akte gebruik heeft gemaakt van het in de openbare registers ingeschreven afschrift van de Koch-akte; nu ook de daarbij behorende tekening in de openbare registers is ingeschreven acht het hof het aannemelijk dat de tekening zich in het dossier van de notaris bevond en bij het passeren van de akte voorlag. In zoverre is dit onderdeel van de klacht ongegrond. Het hof is echter van oordeel dat de notaris niet had mogen volstaan met (de mogelijkheid van) verificatie door de klager. De verificatie had door de notaris dienen te geschieden door de tekening met de klager te bespreken en hem expliciet te vragen of de villa op het gearceerde gedeelte van de tekening stond waarna hij er verstandig aan had gedaan de tekening door klager voor akkoord te laten tekenen.

Tenslotte verwijt klager de notaris dat hij niet een eigen tekening aan zijn akte heeft gehecht, maar heeft volstaan met verwijzing naar de tekening gehecht aan de Koch-akte. Het hof is van oordeel dat het de notaris vrij stond deze keuze te maken en acht dit klachtonderdeel ongegrond. Zoals overwogen laat dit onverlet de verplichting van de notaris er voor zorg te dragen dat partijen de tekening waarnaar wordt verwezen, kennen en deze met hen te verifiëren.

Resumerend is het hof van oordeel dat de notaris niet de zorg heeft betracht die van hem mocht worden verwacht zoals hiervoor overwogen, zodat de klacht in zoverre terecht door klager is voorgesteld en gegrond is.

8.3. Ten aanzien van het klachtonderdeel betreffende de ondeugdelijkheid van de volmachten is het hof van oordeel dat dit faalt.

Artikel 39 lid 1 van de Wet op het notarisambt, hierna te noemen: de Wna, schrijft voor hoe de notaris de identiteit van comparanten bij een akte dient vast te stellen. Een voorschrift met betrekking tot de vaststelling van de identiteit van partijen die niet zelf bij de akte compareren geeft de wet echter niet. Het is echter een goed gebruik binnen het notariaat om, indien de notaris niet-verschijnende partijen niet zelf kent, hun handtekeningen op een door hen af te geven volmacht door een collega ter verificatie te doen legaliseren bij welke gelegenheid zij zich uiteraard voor die notaris zullen dienen te legitimeren. Bij een voor de notaris onbekende partij, zoals verkopers in het onderhavige geval, voldoet verificatie van de handtekeningen op de volmacht aan de hand van een kopie van het paspoort niet, omdat de notaris niet in de gelegenheid is geweest de identiteit en de handtekeningen van de verkopers aan de hand van het origineel te verifiëren.

Nu aan dit oordeel geen wets- of beroepsregel ten grondslag ligt heeft een notaris echter een zekere beleidsvrijheid om in een bepaald geval met verificatie aan de hand van een kopie van een identiteitsbewijs genoegen te nemen indien hij meent dat zulks onder de omstandigheden verantwoord is; hij doet dit echter wel op eigen risico. In het onderhavige geval is niet gebleken dat het gebrek in de levering is veroorzaakt door een vergissing in de identiteit van de verkopers of de verificatie van hun handtekeningen. Dit leidt er toe dat het klachtonderdeel ongegrond is.

8.4. In aanmerking nemend de klachten voor zover gegrond bevonden onder 8.2. is het hof van oordeel dat de maatregel van waarschuwing op zijn plaats is. Het hof tekent hierbij aan dat deze maatregel in de plaats komt van de maatregel zoals deze door de kamer in haar beslissing van 21 april 2005 is bepaald, nu het hof deze beslissing zal vernietigen.

8.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

8.6. Het hof zal het bewijsaanbod van zowel klager als de notaris passeren, omdat dit thans niet meer ter zake dienend is.

9. De mededeling van de opgelegde maatregel

9.1. Tot voor kort placht dit hof bij oplegging in hoger beroep van de maatregelen waarschuwing en berisping in de uitspraak te bepalen dat de desbetreffende notaris of kandidaat-notaris door de griffier zal worden opgeroepen om te verschijnen op een nader bepaalde terechtzitting teneinde aanwezig te zijn bij de alsdan door de voorzitter uit te spreken maatregel.

9.2. Een en ander was gegrond op het ingevolge artikel 107, derde lid, Wna in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijnde voorschrift van artikel 103, vijfde lid, Wna inhoudende dat in een vergadering van de kamer van toezicht de voorzitter de waarschuwing of berisping uitspreekt in aanwezigheid van de notaris of kandidaat-notaris, die daarvoor bij aangetekende brief wordt opgeroepen. Van het uitspreken dient volgens het hiervoor bedoelde voorschrift een proces-verbaal te worden opgemaakt waarvan bij aangetekende brief een afschrift aan de notaris of kandidaat-notaris moet worden gezonden. Indien deze niet verschijnt deelt de secretaris de inhoud van de waarschuwing of berisping bij aangetekende brief met bericht van ontvangst aan hem mee.

9.3. Tegen een beslissing van de kamer van toezicht kan ingevolge artikel 107 Wna hoger beroep worden ingesteld bij dit hof. Het gevolg hiervan is dat de beslissing van de kamer ten tijde van de uitspraak nog niet onherroepelijk is en dus op dat moment nog niet vaststaat dat een bij die beslissing opgelegde waarschuwing of berisping gehandhaafd blijft. Het voorschrift van artikel 103, vijfde lid, Wna kan dan ook als zinvol worden aangemerkt voor de beslissing en de tenuitvoerlegging daarvan in eerste aanleg door de kamer van toezicht.

9.4. Ingevolge artikel 98, tweede lid, Wna is tegen de beslissing in hoger beroep van dit hof geen hogere voorziening toegelaten. Het gevolg hiervan is dat een beslissing van het hof ten tijde van de uitspraak onherroepelijk is en de daarbij opgelegde waarschuwing of berisping dus vaststaat. Verder is van belang dat het hof een vergadering als bedoeld in artikel 103, vijfde lid, Wna niet kent. Het uitspreken van de waarschuwing of berisping vindt dan ook plaats ter terechtzitting van het hof. Het uitspreken voordien van de beslissing van het hof - waaronder het mededelen van een eventueel oplegde maatregel – vindt ingevolge het samenstel van bepalingen van de artikelen 107, derde lid, en 104, eerste lid, Wna eveneens ter terechtzitting plaats terwijl een afschrift van deze beslissing bij aangetekende brief aan de betrokken notaris of kandidaat-notaris wordt gezonden. Toepassing van het voorschrift van artikel 103, vijfde lid, Wna voor de beslissing en tenuitvoerlegging daarvan in hoger beroep door het hof, kan daarom niet als zinvol worden aangemerkt.

9.5. Op grond van het al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat er aanleiding bestaat om een notaris of kandidaat-notaris aan wie bij beslissing in hoger beroep een waarschuwing of berisping is opgelegd, niet meer op te roepen om te verschijnen op een nader bepaalde terechtzitting. Het hof is van oordeel dat een maatregel als hiervoor bedoeld als medegedeeld geldt op het tijdstip waarop de beslissing waarbij deze is opgelegd, wordt uitgesproken. Oproeping om te verschijnen op een nader bepaalde terechtzitting kan dus achterwege blijven. Wel zal het hof in de gevallen waarin een notaris of kandidaat-notaris niet bij de behandeling ter terechtzitting is verschenen, bepalen dat een afschrift van de beslissing bij aangetekende brief met bericht van ontvangst aan deze zal worden verzonden.

9.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

10. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende

- verklaart de klachtonderdelen omschreven onder 6.1. en 6.2. gedeeltelijk gegrond onder oplegging van de maatregel van waarschuwing aan de notaris;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 12 januari 2006.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam

Reg.nr. 31/04

Beslissing op een klacht als bedoeld in artikel 99 van de Wet op het notarisambt van:

dhr. [L]

wonende te [plaats],

klager,

- tegen -

mr. [X],

notaris te [plaats],

hierna te noemen de notaris.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De Kamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- klaagschrift d.d. 11 december 2004;

- verweerschrift d.d. 27 januari 2005;

- aanvulling op het verweerschrift d.d. 17 februari 2005;

- pleitnota van klager overgelegd ter zitting;

- pleitnota van de notaris overgelegd ter zitting.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden tijdens de vergadering van de Kamer op 17 maart 2005. Hierbij zijn zowel klager, bijgestaan door mr. J.R. Smeets, als de notaris, bijgestaan door mr. A. Knigge, advocaat te Amsterdam, verschenen. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht.

2. Inhoud van de klacht

2.1

In essentie stelt klager dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld bij de afwikkeling van de verkoop van een vrijstaande villa met garage, ondergrond, tuin en erf gelegen aan [adres] te [plaats]. In de akte van levering is dit perceel kadastraal aangeduid als gemeente [plaats], sectie BC nummer 3489 en 3490, beiden gedeeltelijk en wel dat gedeelte groot ongeveer 2,10 are.

2.2

Het verkochte is in het voorjaar van 2004 door het Kadaster uitgemeten. Bij deze meting kwam aan het licht dat op het perceel dat door klager is gekocht, niet de villa aan [adres] staat. Het door klager gekochte betreft het voorterrein van de bewuste villa. In feite staat de villa aan [adres] op het gedeelte van het perceel kadastraal aangeduid als gemeente [plaats], sectie BC nummer 3489 groot ongeveer 2,33 are.

2.3

De verkopende partij in deze waren mevrouw C.M. [Z]-[B] en haar zoon (hierna te noemen [Z]). Het perceel waarop de villa is gesitueerd heeft [Z] bij akte verleden door notaris mr. H.F.A.A. Duynstee, op 18 februari 2002 geleverd gekregen. Het perceel dat aan klager is verkocht, heeft [Z] bij akte verleden door notaris mr. J.W.M. Koch op 15 augustus 2002 geleverd gekregen. Ten onrechte, staat in de akte van notaris Koch het perceel aangeduid als [adres] met de omschrijving van een villa met garage.

2.4

Klager verwijt de notaris dat deze onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van de akte van levering, waardoor klager een verkeerd perceelgedeelte geleverd heeft gekregen. Klager stelt dat de notaris niet heeft gecontroleerd of het door klager gekochte perceel wel het juiste was.

2.5

Voorts verwijt klager de notaris dat de tekening van het perceelsgedeelte niet bij de conceptakte was gevoegd. Tevens stelt klager dat bij het passeren van de akte van levering, de tekening van het perceelsgedeelte niet ter tafel is geweest. Klager verwijt de notaris voorts dat deze in de akte van levering verwijst naar de tekening aan de akte van levering van notaris Koch. Klager stelt dat het op de weg van de notaris had gelegen om aan zijn akte van levering een tekening te hechten.

2.6

Ten slotte verwijt klager de notaris dat hij ten tijde van het passeren van de akte van levering niet in het bezit was van een gelegaliseerde volmacht van verkopers.

3. Standpunt van de notaris

3.1

De notaris ontkent onzorgvuldig te hebben gehandeld. De notaris stelt dat hij de akte van notaris Koch als aankomsttitel heeft gebruikt en dat gebleken is dat daarin reeds foutief staat aangeduid op welk perceel de villa zich bevindt. Voorts meent de notaris dat, hoewel er een zwaarwegende zorgplicht op zijn ambt rust, hij in beginsel mag afgaan op de aankomsttitel en de door partijen verstrekte informatie en dat het op de weg van klager had gelegen om te controleren of de door hem gekocht villa zich ook daadwerkelijk op het perceel zoals genoemd in de akte bevond. Ten slotte voert de notaris aan dat, daar het aan klager is om het door hem gekochte te verifiëren, hem in dit opzicht geen verwijt kan worden gemaakt.

3.2

Voorts stelt de notaris dat de tekening van het perceelsgedeelte wel degelijk aan klager is getoond tijdens het passeren van de akte van levering en dat klager tijdens het passeren de juistheid van de tekening heeft geverifieerd en hierbij niet te kennen heeft gegeven dat het verkeerde perceelsgedeelte werd geleverd. De notaris heeft de tekening van het perceelgedeelte niet aan de akte van levering gehecht, teneinde te voorkomen dat er verschillende aanduidingen van het perceelsgedeelte in omloop zouden raken.

3.3

De notaris meent ten slotte dat aangetoond noch gebleken is dat de volmachten van verkopers ondeugdelijk zijn en dat de stelling van klager, dat een gelegaliseerde volmacht voorwaarde is voor een rechtsgeldige levering, onjuist is.

4. De beoordeling

4.1

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 98 van de WNA. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

4.2

Uit al hetgeen is overgelegd en partijen ter mondelinge behandeling nog hebben toegelicht, is de Kamer van oordeel dat de notaris onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van de akte van levering. De notaris mag weliswaar afgaan op een oude akte, hij blijft zelf verantwoordelijk voor een deugdelijke recherche en zijn eigen akte van levering. Een zorgvuldige bestudering van de akte van levering van notaris Koch en de aan die akte gehechte tekening, had duidelijk kunnen maken dat het in de tekst beschreven perceel niet overeenstemt met het aangeduide perceel op de aan die akte gehechte tekening en dat het beschreven perceel te klein is om een villa met garage te bevatten. Gelet op de deskundigheid van de notaris had hij, eerder dan klager, moeten signaleren dat de akte van notaris Koch onjuistheden bevat en dat op het aan klager verkochte perceel geen villa kan staan.

4.3

Tegen deze achtergrond doet het niet ter zake of de tekening van het perceelsgedeelte tijdens het passeren ter tafel is geweest, zoals door de notaris gesteld en door klager is betwist.

4.4

De Kamer is met de notaris van oordeel dat een gelegaliseerde volmacht geen voorwaarde is voor een rechtsgeldige levering. In principe kan een getekende volmacht volstaan voor de levering van een pand. Het is aan de notaris om te bepalen of hij hier genoegen mee neemt, of dat om een gelegaliseerde volmacht wordt gevraagd.

4.4

Gezien punt 4.2 oordeelt de Kamer dat de klacht gegrond is. De Kamer acht het handelen van de notaris dermate onzorgvuldig, dat zij daaraan de maatregel van waarschuwing verbindt

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam,

verklaart de klacht gegrond met oplegging van de maatregel van waarschuwing.

Deze beslissing is gegeven op 17 maart 2005 door mrs. F.W.H. van den Emster, mw. A.G. Scheele-Mülder, R. van der Galiën, J.H.J. Preller en R.G.M. Gores in tegenwoor-digheid van de plaatsvervangend secretaris, W. Blokland.

Uitgesproken ter openbare vergadering op 21 april 2005.

De plv. secretaris, De voorzitter,

W. Blokland F.W.H. van den Emster

Deze beslissing is verzonden op: