Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AU9281

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
02/4244 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van het faillissement van belanghebbende is door de douane een controle uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat de op 42 aangiften vermelde goederen niet meer (volledig) in het entrepot aanwezig waren.

De ambtenaren hadden geen toegang meer tot de goederen en konden de in de wet voorziene controles niet uitvoeren. De goederen zijn derhalve aan het douanetoezicht onttrokken in de zin van artikel 18 van de Wet OB. Deze onttrekking heeft in Nederland plaatsgevonden. Belanghebbende is terecht aansprakelijk gesteld. Aan een verzoek om herziening van de aangifte op grond van artikel 78 van het CDW kon in casu niet worden tegemoetgekomen.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 18
Wet op de omzetbelasting 1968 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 02/4244 DK

de dato 3 januari 2006

1. De procedure

1.1. Op 24 juli 2002 is ter griffie van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van mr. A, van advocatenkantoor B te Y, ingediend, namens mr. C, advocaat te Y in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., belanghebbende. Het beroep is gericht tegen 42 uitspraken van het hoofd van de Belastingdienst/Douane Post Q (hierna: de inspecteur), van 12 juni 2002; het bezwaar van belanghebbende tegen op 42 uitnodigingen tot betaling vermelde bedragen aan douanerechten en aan omzetbelasting, alsmede tegen de beschikkingen waarbij een verzuimboete is opgelegd, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 218,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 30 juni 2005. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende D en namens de inspecteur E. Partijen hebben een pleitnota overgelegd en voorgelezen, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 13 december 1999 is door de ambtenaren te Y, onder nummer...14, ten name van belanghebbende een document IM 7 afgegeven op een aangifte tot inslag in haar douane-entrepot, type B. De goederen zijn op het document omschreven als ”39 stuks aluminium T-bars”, onder vermelding van goederencode 7601 10 00 van het Gemeenschappelijk douanetarief.

2.2. Naar aanleiding van het faillissement van belanghebbende hebben de douaneambtenaren op 15 januari 2001 een loodscontrole uitgevoerd, waarbij werd vastgesteld dat de op 42 aangiften, waaronder de sub 2.1. genoemde aangifte, vermelde goederen niet meer (volledig) in het entrepot aanwezig waren, zonder dat zij op reguliere wijze waren uitgeslagen. De waarde van de goederen vermeld op de aangifte nr. ...14 werd daarbij geschat op f 99.600,--. Op 7 oktober 2001 zijn aan belanghebbende, onder verwijzing naar de artikelen 203 en 204 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) 42 uitnodigingen tot betaling gedaan voor de sub. 1.1. vermelde rechten bij invoer; voorts zijn aan haar verzuimboeten van telkens € 90,-- opgelegd. Belanghebbende heeft in eerste instantie tegen alle 42 gedane uitnodigingen tot betaling en de daarop betrekking hebbende uitspraken op bezwaar beroep aangetekend. Het totale belang in deze zaak bedraagt € 261.541,05. Tussen partijen is afgesproken dat uitsluitend over aangifte nr. ...14 zal worden geprocedeerd en dat de overige 41 uitnodigingen overeenkomstig de uitkomst van dit beroep zullen worden afgehandeld. Belanghebbende heeft het beroep voor wat de overige 41 uitnodigingen betreft ingetrokken.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil of het bedrag aan omzetbelasting vermeld op de uitnodiging tot betaling inzake aangifte nr. ...14 terecht van belanghebbende is geheven.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Het beroep richt zich tegen de op de uitnodiging tot betaling vermelde omzetbelasting. Het niet voldoen aan de formele verplichtingen dan wel de niet-zuivering van documenten is als zodanig geen belastbaar feit in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). De inspecteur is derhalve niet bevoegd om omzetbelasting te heffen. In dit verband beroep belanghebbende zich op het arrest van de Hoge Raad van 14 maart 2001, nr. 35 960, VN 2001/17.29

4.2. Ter zitting is namens belanghebbende daaraan het volgende toegevoegd. De inspecteur heeft gesteld noch bewezen dat er sprake is van een fysieke onttrekking van de goederen. De inspecteur stelt slechts dat de goederen niet meer in het douane-entrepot aanwezig waren. Deze theoretische onttrekking is geen belastbaar feit als bedoeld in artikel 18 van de Wet OB. Gelet op de grote omvang van de goederen, ruim 350 ton, is een onttrekking onwaarschijnlijk. Alle goederen die werden verwijderd uit het entrepot werden gecontroleerd. Het is eerder waarschijnlijk dat de aangiften onjuist waren dan dat de goederen onttrokken zijn uit de loods. Dit levert een belastbaar feit op in de zin van artikel 204 van het CDW, maar geen belastbaar feit in de zin van de wet OB. Maar zelfs als er sprake zou zijn van een onttrekking, dient de inspecteur aannemelijk te maken dat deze onttrekking in Nederland heeft plaatsgevonden. De inspecteur is hierin niet geslaagd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Bij een ambtelijke controle is vastgesteld dat de goederen zich niet meer het entrepot bevonden. Een reguliere uitslag kon niet worden vastgesteld. In een dergelijke situatie is sprake van onttrekking van goederen aan het douanetoezicht in de zin van artikel 203 van het CDW. Ten gevolge van een onttrekking, ook al is deze maar tijdelijk en is er geen sprake van opzet, ontstaat op grond van artikel 203, lid 1, van het CDW een douaneschuld. Zie hiervoor ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 2001, nr. C-66/99, inzake Wandel GmbH. De schuldenaar is, ingevolge artikel 203, lid 3, vierde streepje, van het CDW de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit het gebruik van de regeling waaronder de goederen waren geplaatst, dient na te komen, in dit geval belanghebbende.

5.2. Een onttrekking, zoals hiervoor omschreven, levert niet alleen een douaneschuld op, maar vormt op grond van het bepaalde in artikel 18, lid 1, onderdeel c, van de Wet OB een belastbaar feit. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 juli 2002, nr. C-371/99 (Liberexim), kan worden opgemaakt dat voor de heffing van omzetbelasting onverkort aansluiting moet worden gezocht bij de communautaire regelingen inzake de heffing van douanerechten. Het arrest van de Hoge Raad, waarnaar belanghebbende verwijst, betreft de niet-zuivering van een vervoersdocument waarbij de douaneschuld ontstaat op grond van artikel 204 van het CDW. In deze zaak is echter sprake van een vermis in entrepot, welk vermis moet worden aangemerkt als een onttrekking in de zin van artikel 203 van het CDW.

Maar zelfs indien de Douanekamer van oordeel zou zijn dat in de onderhavige situatie een douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW, is er sprake van een verschuldigdheid van omzetbelasting op grond van artikel 18 van de Wet OB. Immers door het arrest inzake Liberexim is er gerede twijfel ontstaan of de door de Hoge Raad in het arrest van 14 maart 2001 neergelegde andersluidende opvatting op dit onderdeel nog juist te achten is.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 11 april 2003, nr. 37 519 (BNB 2003/252c*) en van 21 januari 2005, nr. 38 528 (BNB 2005/141c*), waaruit volgt dat een onttrekking uit een douane-entrepot moet worden aangemerkt als invoer in de zin van de Wet OB. Bovendien is Nederland, gelet op artikel 215 van het CDW, in deze zaak de heffingsbevoegde lidstaat.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet OB wordt omzetbelasting geheven ter zake van de invoer van goederen. Onder invoer wordt onder meer verstaan het onttrekken van goederen aan een douaneregime (artikel 18, eerste lid , onderdeel c, van de Wet OB). Uit artikel 18, tweede lid, van voornoemde wet volgt dat onder douaneregime mede wordt verstaan de regeling douane-entrepot, waarvan te dezen sprake is. Onttrekken in de zin van artikel 18 van de Wet OB heeft geen andere betekenis dan hetzelfde begrip in artikel 7, derde lid, van de Zesde Richtlijn.

6.2. In zijn arrest van 11 juli 2002, nr. C-371/99 (Liberexim), BNB 2003/158, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat onttrekking in de zin van artikel 7, derde lid, van de Zesde richtlijn plaatsvindt door elk handelen of nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot de onder douanetoezicht staande goederen en de in de douanewetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren. Tevens heeft het Hof van Justitie in dit arrest geoordeeld dat de plaats waar de onttrekking in de zin van artikel 7, derde lid, van de Zesde richtlijn plaatsvindt, niet alleen samenvalt met de plaats waar volgens deze richtlijn de belastingschuld ontstaat, maar ook met die waar de douaneschuld ontstaat. Uit dit een en ander volgt dat voor de toepassing van de Wet OB de vraag of in een geval als het onderhavige een omzetbelastingschuld is ontstaan in Nederland, dient te worden beantwoord aan de hand van de vigerende communautaire bepalingen inzake het ontstaan van de douaneschuld, neergelegd in het CDW en de Uitvoeringsverordening CDW (HR 21 januari 2005, nr. 38 528, BNB 2005/141c*).

6.3. Belanghebbende heeft niet, althans onvoldoende, weersproken hetgeen de inspecteur heeft gesteld inzake de bevindingen van zijn ambtenaren bij de controle van het douane-entrepot van belanghebbende. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de goederen aldaar niet meer aanwezig waren en dat er geen sprake was van een reguliere uitslag. Omtrent een nieuwe douanebestemming van de goederen is niets komen vast te staan. Ten gevolge van hiervan hadden de ambtenaren geen toegang meer tot de ontbrekende goederen en konden zij de in de wetgeving voorziene controles niet meer uitvoeren. De goederen zijn derhalve aan het douanetoezicht onttrokken. Daarmee staat vast dat belanghebbende haar uit artikel 101 van het CDW voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen.

6.4. Aan het sub 6.3. gegeven oordeel kan de stelling dat het gezien de omvang van de goederen onwaarschijnlijk is, dat goederen zijn onttrokken, niet afdoen. De in verband daarmee naar voren gebrachte stelling dat het eerder waarschijnlijk is dat onjuiste aangiften voor het stelsel van douane-entrepots zijn gedaan, kan belanghebbende evenmin baten.

Zo deze stellingen moeten worden verstaan als een verzoek om herziening van de aangifte als voorzien in artikel 78 van het CDW, kan daaraan niet worden tegemoetgekomen, nu belanghebbende - op wie te dezen de bewijslast rust - geen, althans onvoldoende, feiten en/of omstandigheden heeft bijgebracht op grond waarvan een dergelijk verzoek zou kunnen worden ingewilligd.

6.5. Ingevolge 215, eerste lid, aanhef en eerste streepje, van het CDW ontstaat de douaneschuld op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden. De onttrekking heeft plaatsgevonden op een tijdstip - gelegen tussen de inslag van de goederen in het douane-entrepot van belanghebbende en de sub 2.2. genoemde loodscontrole - dat de goederen hier te lande aanwezig waren. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de goederen in Nederland aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Derhalve zijn de goederen ingevoerd in Nederland in de zin van de artikelen 1, onderdeel d, en 18, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet OB.

6.6. Belanghebbende is op grond van artikel 22, eerste lid, van de Wet OB juncto artikel 203, derde lid, vierde streepje, van het CDW op goede gronden als belastingplichtige aangemerkt.

6.7. Uit al het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende terecht is uitgenodigd tot betaling van de onderhavige omzetbelastingschuld; het beroep is mitsdien ongegrond.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 3 januari 2006 door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, J.J.A.M. Kennis en H.J. Bronkhorst, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.