Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AU9258

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
357/05 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raambeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 5 januari 2006 in de zaak onder rekestnummer 357/05 GDW van:

[O],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT

t e g e n

1. MR. [X],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

2. MR. [Y],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEïNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 4 maart 2005 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 15 februari 2005, waarbij de klacht van klager tegen de geïntimeerden, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders, op één onderdeel gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel en voor het overige ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 8 april 2005 een verweerschrift - met één bijlage - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2005, alwaar klager is verschenen. De gerechtsdeurwaarders hebben bij brief, ingekomen op 5 september 2005, laten weten niet te zullen verschijnen. Klager heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie en heeft tevens vier foto’s overgelegd. Het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling, alsmede de pleitnotitie van klager en de foto’s, zijn door het hof aan de gerechtsdeurwaarders gezonden.

1.4. Het hof heeft voorts de verdere behandeling van de zaak op 8 september 2005 aangehouden, en bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op 24 november 2005. Partijen zijn voor deze mondelinge behandeling opgeroepen en verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft dit namens de gerechtsdeurwaarders gedaan aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt zodat ook het hof van deze feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders dat zij bij het leggen van beslag meerdere keren dezelfde omschrijving van de in beslag genomen roerende zaken hebben opgenomen in het exploot van beslaglegging. Dit terwijl klager in augustus 2001 andere meubels heeft gekocht en in zijn woonkamer heeft geplaatst, en de oude meubels heeft verkocht. Bovendien zijn niet alle in het proces-verbaal opgenomen roerende zaken te zien door het voorraam van de woonkamer.

4.2. Voorts verwijt klager de gerechtsdeurwaarders dat zij een door hem voorgestelde betalingsregeling niet hebben geaccepteerd.

4.3. Ten aanzien van twee op 31 januari 2002 gelegde beslagen stelt klager dat de gerechtsdeurwaarders tweemaal informatiekosten in rekening hebben gebracht.

4.4. Ook verwijt klager de gerechtsdeurwaarders dat zij de door hem gedane betalingen niet hebben afgeschreven op de door hem genoemde dossiers.

4.5. Tenslotte stelt klager dat de gerechtsdeurwaarders van het eerder kwijtgescholden restantbedrag betaling hebben geëist na indiening van de klacht.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

5.1. De gerechtsdeurwaarders stellen dat ten laste van klager op enig moment meerdere zaken ten kantore van de gerechtsdeurwaarders in behandeling waren voor welke dossiers op drie verschillende data in 2001 en 2002 executoriaal beslag is gelegd. De reden voor het leggen van deze executoriale beslagen was gelegen in het feit dat klager niet voldeed aan de tussen hem en het gerechtsdeurwaarderskantoor overeengekomen betalingsregeling. In de processen-verbaal zijn de roerende zaken opgenomen die eerder in 2000 in beslag zijn genomen. Er werd in principe vanuit gegaan dat klager nog steeds in het bezit was van deze roerende zaken. De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder stelt door het raam naar binnen te hebben gekeken en vervolgens op een lijst, die zij ter beschikking had, de zaken te hebben aangevinkt waarvan zij heeft geconstateerd dat deze nog in de woning aanwezig waren. Klager heeft dan ook geen bezwaar gemaakt tegen de opvolgende beslagen. Pas na het laatst gelegde executoriaal beslag heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder de vraag voorgelegd of het wel mogelijk is om telkens uit te gaan van een lijst van roerende zaken die in een ander dossier in beslag zijn genomen. Pas in de door klager ingediende klacht verzet klager zicht tegen de beslagleggingen door te stellen dat de destijds in beslag genomen roerende zaken niet meer zijn eigendom zijn.

5.2. Wat betreft de door klager voorgestelde betalingsregeling wijzen de gerechtsdeurwaarders erop dat zij een brief, gedateerd 2 april 2003, aan klager hebben gezonden waarin een voorstel tot afbetaling was opgenomen. Indien klager het eens was met dit voorstel moest hij het bijgaande formulier binnen vijf dagen geheel ingevuld retourneren, bij gebreke waarvan geen regeling zou worden getroffen. Dit hield in, aldus de gerechtsdeurwaarders, dat het formulier uiterlijk op 7 april 2003 in hun bezit diende te zijn. Op 8 april 2003 heeft klager telefonisch contact gehad met een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor en medegedeeld dat hij een betalingsregeling van zes maanden wilde treffen. De medewerker heeft toen aan klager medegedeeld dat hij geen ingevuld formulier had ontvangen en dat zijn verzoek niet in behandeling zou worden genomen. Pas op 16 april 2003 heeft klager opnieuw telefonisch contact opgenomen met de desbetreffende medewerker, met opnieuw een voorstel om af te betalen in zes maanden. De medewerker heeft klager toen terecht medegedeeld dat het treffen van een betalingsregeling niet meer mogelijk was, omdat de termijn voor het indienen van het formulier verstreken was.

5.3. Ten aanzien van het twee keer in rekening brengen van informatiekosten voor beslagen gelegd op 31 januari 2002 stellen de gerechtsdeurwaarders dat dit dossiers betreft waarvoor handelingen zijn verricht vóór 1 juli 2001, te weten vóór de inwerkingtreding van de BTAG, en dat het gerechtsdeurwaarders destijds was toegestaan de kosten van informaties aan de debiteur door te berekenen.

5.4. Wat betreft het onderdeel van de klacht dat zich richt op de afboeking van betalingen op verschillende dossiers stellen de gerechtsdeurwaarders het volgende. Op enig moment had klager drie dossiers lopen ten kantore van de gerechtsdeurwaarder. Voor deze dossiers had klager één betalingsregeling. Indien een dergelijke betalingsregeling wordt getroffen worden de gelden die worden voldaan verdeeld over de dossiers, ook als er bij de overboeking slechts één dossiernummer wordt vermeld. Klager kan niet eenzijdig afwijken van deze betalingsregeling.

5.5. Tenslotte stellen de gerechtsdeurwaarders ter zake van de kwijtschelding van het bedrag van € 72,07 dat dit gebeurde tijdens een telefonisch gesprek dat gerechtsdeurwaarder sub 1. heeft gevoerd met klager omtrent de gang van zaken. Klager bevestigde tijdens dit gesprek dat al zijn grieven waren verholpen, waarop het resterende bedrag werd kwijtgescholden zodat het dossier gesloten kon worden. Klager heeft vervolgens echter - buiten medeweten van de gerechtsdeurwaarders om - een klacht ingediend.

6. De beoordeling

6.1. Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht, waarin de gerechtsdeurwaarders wordt verweten dat zij bij het leggen van beslag meerdere keren dezelfde omschrijving van de in beslag genomen roerende zaken hebben opgenomen in het exploot van beslaglegging, overweegt het hof als volgt. Evenals de kamer is het hof van oordeel dat uit de bij de kamer onder ede afgelegde verklaringen door getuige [O] en getuige Bakker kan worden afgeleid dat er op 31 januari 2002 andere meubels in de woonkamer van klager aanwezig waren. Hetgeen klager tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verklaard, geïllustreerd met foto’s van de meubels, ondersteunt deze verklaringen. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij door het raam heeft gekeken en vervolgens op een lijst, afkomstig van een eerder beslag, heeft doorgehaald welke meubels zich volgens haar waarneming niet in de woning bevonden. Zij heeft tevens gesteld dat het gebruikelijk is dat bij dit soort raambeslagen processen-verbaal van tevoren worden opgemaakt en dat men ervan uitgaat dat het proces-verbaal klopt zolang de debiteur zich niet meldt. (In de toelichting d.d. 25 juli 2003 naar aanleiding van de klacht bij de kamer schrijft de kandidaat-gerechtsdeurwaarder: “In principe werd ervan uitgegaan dat de debiteur, i.c. dhr. [O], nog steeds in het bezit was van de roerende zaken die eerder in beslag werden genomen.”)Voorts is uit de door klager afgelegde verklaring en de door hem overgelegde foto’s af te leiden dat het zicht op de meubels door het raam in beperkte mate mogelijk was. Dit tezamen leidt tot het oordeel van het hof dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder haar overtuiging dat het om dezelfde meubels ging op zijn minst genomen niet voldoende heeft geverifieerd. Het hof acht dit onzorgvuldig. Aangezien deze gang van zaken niet ongebruikelijk is binnen de praktijk van deze gerechtsdeurwaarders, zoals blijkt uit eerdergenoemde verklaringen van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder tijdens de mondelinge behandeling, is het hof van oordeel dat deze onzorgvuldige gang van zaken tevens is toe te rekenen aan de gerechtsdeurwaarder sub 1. Gezien de ernst van dit verwijt is het hof van oordeel dat zowel de kandidaat-gerechtsdeurwaarder als de gerechtsdeurwaarder sub 1. een berisping dient te worden opgelegd. Het oordeel van de kamer ten aanzien van dit onderdeel van de klacht dient te worden vernietigd.

6.2. Het verwijt dat de gerechtsdeurwaarders een door klager voorgestelde betalingsregeling niet hebben geaccepteerd wordt door het hof als volgt beoordeeld. De gerechtsdeurwaarders hebben de gang van zaken beschreven rondom het voorstel voor afbetaling, welke beschrijving door klager niet is bestreden. Hieruit blijkt dat klager het aan hem toegezonden formulier, bedoeld om een betalingsregeling voor te stellen, niet heeft geretourneerd aan het kantoor van de gerechtsdeurwaarders. Naar het oordeel van het hof is dit onderdeel van de klacht ongegrond.

6.3. Ten aanzien van het onderdeel van de klacht waarin de gerechtsdeurwaarders wordt verweten twee keer informatiekosten in rekening te hebben gebracht overweegt het hof, evenals de kamer, dat deze kosten voor inwerkingtreding van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders, op 1 juli 2001, bij de debiteur in rekening mochten worden gebracht. Het betreft hier kosten die zijn gemaakt voor informatie bij recherchebureaus, GBA, GAK en sociale dienst, op 20 juni 2000, 14 en 15 augustus 2000, 20 maart 2001 en 24 april 2001, en derhalve vóór 1 juli 2001. Dit onderdeel van de klacht kan dan ook niet slagen.

6.4. Door klager is niet betwist dat hij met de gerechtsdeurwaarders een afspraak had gemaakt om de door hem te storten bedragen te verdelen over de dossiers, die ten kantore van de gerechtsdeurwaarders aanhangig waren. Onder deze omstandigheden lag het op de weg van klager om die afspraak te herzien, zo hij dat wilde. De enkele vermelding van één dossiernummer bij de overboeking was daartoe onvoldoende. Het hof is daarom met de gerechtsdeurwaarders van oordeel dat klager niet eenzijdig van een overeengekomen betalingsregeling kan afwijken. Evenals de kamer is het hof van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

6.5. Tenslotte oordeelt het hof ten aanzien van de gang van zaken rondom een eerder kwijtgescholden bedrag aan klager dat de gerechtsdeurwaarder sub 1. niet eenzijdig kan terugkomen van deze afspraak. Dat klager na de gemaakte afspraak en buiten medeweten van de gerechtsdeurwaarders een klacht heeft ingediend mag geen aanleiding zijn om eenzijdig van een dergelijke afspraak terug te komen. Dit aan gerechtsdeurwaarder sub 1. toe te rekenen klachtonderdeel wordt door het hof gegrond bevonden.

6.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- Vernietigt het oordeel van de kamer zoals weergegeven in de bestreden beslissing onder punt 4.;

- Verklaart het onderdeel van de klacht zoals weergegeven onder 6.1. ten aanzien van de gerechtsdeurwaarders gegrond en legt hun hiervoor de maatregel van berisping op;

- Verklaart het onderdeel van de klacht zoals weergegeven onder 6.5. gegrond ten aanzien van gerechtsdeurwaarder sub 1.;

- Verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en

L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op donderdag 5 januari 2006.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 16 november 2004 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 119.2003 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

1. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

2. [ ],

kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen ingekomen 23 april 2003 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders.

Bij brief met bijlagen ingekomen 22 mei 2003 heeft klager een aanvullende klacht ingediend.

Bij brief ingekomen 28 juli 2003 hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 5 oktober 2004.

Klager en de gerechtsdeurwaarder hebben schriftelijk medegedeeld niet te zullen verschijnen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 16 november 2004.

Gronden van de beslissing

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Op 4 april 2000 heeft gerechtsdeurwaarder [ ] ten laste van klager executoriaal beslag gelegd op roerende zaken. In het daartoe door de gerechtsdeurwaarder opgemaakte proces-verbaal staat vermeld dat beslag is gelegd op de navolgende roerende zaken te weten: “Eikenhouten tafel plus 6 rieten stoelen, Twee stoffen 2 zitsbanken, Twee leren fauteuills, Een kleuren TV (Toshiba), Een TV kastje met glazen deuren, Twee stoffen clubs plus hocker, Een theekastje, Een salontafeltje, Een side Table, Een vloerkleed, Een schemerlamp, Complete audio apparatuur met luidspeakers, Een schemerlamp, Een complete tuinset (kunststof), *”

b) Ten verzoeke van verscheidene schuldeisers heeft gerechtsdeurwaarder sub 2. op 21 december 2001, op 31 januari 2002 tweemaal en op 21 maart 2002 ten laste van klager executoriaal beslag op roerende zaken gelegd. In de processen-verbaal betreffende deze beslagen zijn telkens opgenomen dezelfde roerende zaken die eerder op 4 april 2000 in beslag waren genomen.

c) Klager heeft op 29 juni 2001 en op 5 september 2001 respectievelijk fl. 400,00 en

fl. 800,00 gestort, waarbij hij één dossiernummer heeft vermeld. Deze betalingen zijn door de gerechtsdeurwaarders evenredig verdeeld over drie verschillende dossiers.

d) Bij brief van 4 maart 2002 hebben de gerechtsdeurwaarders klager geschreven –voor zover hier van belang:”Betalingen d.d. 04-07-2001 en 10-09-2001: Deze betalingen zijn naar rato verdeeld in de dossiers van de [ ], [ ] en [ ]. U heeft op 26-03-2001 een betalingsregeling getroffen ad ƒ 400,00 per maand. Indien te mijner kantore meerdere zake lopen dan geldt de betreffende betaling voor alle zaken in niet voor een zaak in het bijzonder. (.....). Processen-verbaal executoriaal beslag roerende zaken: Op de datum vermeld op de processen-verbaal ben ik bij U aan de deur geweest teneinde deze aan U te betekenen. U was niet aanwezig derhalve zijn deze p.v.’s cf. Art. 47 RV in een envelop achtergelaten. Op deze betreffende datum is er beslag op Uw roerende zaken gelegd. Het is niet nodig U in persoon te treffen teneinde beslag roerende zaken te leggen, een raambeslag is ook mogelijk. Voorts is het niet verboden uit te gaan van een inboedellijst die bij een eerder beslaglegging is opgemaakt.”

e) Begin april 2003 heeft klager aan de gerechtsdeurwaarders het voorstel gedaan het alsdan totaal verschuldigde in termijnen te betalen. Daarop hebben de gerechtsdeurwaarders klager een regelingsformulier gezonden ter invulling, met het verzoek dit formulier binnen 5 dagen te retourneren ter vaststelling van een eventuele regeling.

f) In april 2003 heeft klager ten kantore van de gerechtsdeurwaarders van een openstaande schuld van € 1.272,02 een bedrag voldaan van € 1.200,00. Daarna is hem het restant bedrag van € 72,02 kwijt gescholden. Na indiening van onderhavige klacht door klager hebben de gerechtsdeurwaarders deze kwijtschelding bij brief van 28 april 2003 ingetrokken.

2. De klacht

De klacht van klager bestaat uit vijf onderdelen.

1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders telkens dezelfde omschrijving van de inbeslaggenomen zaken in het exploot van beslaglegging op te nemen. Klager stelt in augustus 2000 andere meubelen te hebben gekocht en de oude te hebben verkocht.

2. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders twee maal informatiekosten in rekening te hebben gebracht voor de beide beslagen van 31 januari 2002.

3. Voorts verwijt klager de gerechtdeurwaarders dat deze zijn betalingen niet hebben afgeschreven van het door hem genoemde dossiernummer, maar de betalingen hebben afgeboekt op drie verschillende dossiers.

4. Ook verwijt klager de gerechtsdeurwaarders een door hem voorgestelde afbetalingsregeling niet hebben geaccepteerd.

5. Als laatste verwijt klager de gerechtsdeurwaarders van het eerder kwijtgescholden restant bedrag betaling te hebben geëist na indiening van de klacht.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarders

De gerechtsdeurwaarders hebben de klachten gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt dit verweer hierna besproken.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Bij de beoordeling van de klacht neemt de Kamer het navolgende als uitgangspunt.

Een exploot is een authentieke akte, welke akte in het algemeen dwingend bewijs oplevert van hetgeen een ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheden omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen verklaart. Ingevolge het bepaalde in artikel 443 lid 1 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering dient de gerechtsdeurwaarder de inbeslaggenomen zaken nauwkeurig te beschrijven. De geëxecuteerde heeft er immers belang bij precies te weten welke zaken onder het beslag vallen.

4.2 Ten aanzien van het eerste onderdeel van de klacht heeft klager twee bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat in augustus 2001 door hem een aantal roerende zaken zijn verkocht en nieuwe roerende zaken zijn aangekocht. Klager stelt dat de door de gerechtsdeurwaarder opgemaakte processen-verbaal van beslaglegging daardoor onjuistheden bevatten. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting verklaard dat zij op het moment van het leggen van de beslagen door het raam naar binnen heeft gekeken en vervolgens op een lijst, die zij uit hoofde van een eerder gelegd beslag ter beschikking had, de zaken heeft aangevinkt waarvan zij heeft geconstateerd dat deze nog in de woning aanwezig waren. De gerechtsdeurwaarder heeft voorts verklaard te blijven bij hetgeen zij in de door haar opgemaakte processen-verbaal van beslaglegging heeft gerelateerd.

4.3 Naar het oordeel van de Kamer is op grond van het voorgaande twijfel ontstaan of de inbeslagneming (440 lid 1 Rv) en de beschrijving van de inbeslaggenomen zaken (art. 443 lid 1 Rv.) wel mogelijk was dan wel voldoende zorgvuldig is gedaan. Daarom zal klager in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen dat de hierna te melden zaken ten tijde van de beslagleggingen op 31 januari 2002 en 31 maart 2002 niet meer in zijn woning aanwezig waren. Tot die zaken behoren niet de twee stoffen tweezitsbanken nu naar het oordeel van de kamer niet onomstotelijk is komen vast te staan dat er ten tijde van de beslagleggingen geen bankstel aanwezig was. Voor wat betreft de zes rieten stoelen zal klager moeten aantonen dat deze niet door andere soortgelijke stoelen zijn vervangen.

De Kamer zal daartoe in elk geval de heer C. Bakker als getuige horen nu deze schriftelijk heeft verklaard een aantal zaken van klager te hebben gekocht. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om ook zelf als getuige te worden gehoord danwel getuigen voort te brengen. Zij zullen deze getuigen zelf naar de zitting mee dienen te brengen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

Laat klager toe te bewijzen dat de navolgende roerende zaken op 31 januari 2002 niet meer in zijn woning aan wezig waren:

? Twee stoffen clubs

? Een vloerkleed

? Een side Table

? 6 rieten stoelen

bepaalt een getuigenverhoor ten overstaan van de voorzitter van de Kamer op 14 december 2004 te 10.30 uur in de rechtbank te Amsterdam, gevestigd in het Justitiecomplex aan de Parnassusweg 220 te Amsterdam,

bepaalt dat getuige [ ] door de secretaris van de kamer zal worden opgeroepen,

bepaalt voorts dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig zullen zijn en dat zij indien gewenst zelf getuigenis af kunnen leggen of eventuele getuigen voor kunnen brengen,

bepaalt dat opgave hiervan dient te worden gedaan uiterlijk één week vóór de datum van het getuigenverhoor,

verstaat dat hoger beroep van deze beslissing alleen mogelijk is tegelijk met dat van de eindbeslissing,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en N.J.M. Tijhuis, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 november 2004 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 15 februari 2005 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 119.2003 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

3. [ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

4. [ ],

kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagden.

Verloop van de procedure

Op grond van de beschikking van 16 november 2004 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden op 14 december 2004.

Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is toegezonden.

De uitspraak is vervolgens bepaald op 15 februari 2005.

Gronden van de beslissing

1. Voor de feiten wordt verwezen naar de beschikking van 16 november 2004, welke feiten voor zover nodig als hier herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.

2. Bij genoemde beschikking is klager toegelaten tot het bewijs dat in de beschikking vermelde roerende zaken op 31 januari 2002 niet meer in zijn woning aanwezig waren. Hiertoe is een getuigenverhoor ten overstaan van de voorzitter van de Kamer bepaald en is iedere verdere beslissing op de klacht aangehouden.

3. Tijdens het gehouden getuigenverhoor hebben verklaard:

Getuige [ ]:

"Alle meubelen die in uw beslissing in het dictum zijn vermeld, heb ik in augustus 2001 verkocht en geleverd aan [ ]. De twee clubs waren bekleed met gladde stof. Ik kan zelf slecht kleuren onderscheiden maar mijn vrouw zegt dat het terra-cotta was. Ik heb twee nieuwe banken gekocht en een nieuwe club van donkerbruin buffelleer. Het vloerkleed had een lage pool en was geel met een vogelfiguur. Daarvoor in de plaatst is een lichtkleurig kleed gekomen met een hoge pool. De oude en de nieuwe side-tables zijn allebei van donkerkleurig hout ("colonial") met vier poten en een rechthoekig blad. Bij de eettafel had ik zes rieten stoelen, zonder armleuningen en met rieten zitting en rugleuning. Deze zijn vervangen door zes stoelen waarvan de poten, zitting en rugleuning in elkaar overlopend van donker riet zijn, ook zonder rugleuning."

Getuige [ ]:

"Ik ben een kennis van klager. Ik kom met enige regelmaat bij hem thuis, In 2001 heb ik onder meer van hem gekocht en ontvangen, twee clubs, een vloerkleed, een side-table en zes rieten stoelen. De clubs waren van roodachtige gladde stof. Het vloerkleed was okergeel met daarin een werkje, een tekening. Het kleed had een lage pool. De side-table was van lichtbruin hout, met vier poten en een rechthoekig blad. Bij de rieten stoelen was het riet lichter van kleur dan de poten. De stoelen hadden gescheiden zittingen en rugleuningen, allebei van riet. Ik weet dat klager een ander vloerkleed en andere stoelen heeft genomen, maar van het uiterlijk daarvan kan ik mij niet genoeg herinneren. Ik weet niet of klager een nieuwe club en/of een nieuwe side-table heeft genomen. Ik heb nu nog een van de clubs en het vloerkleed. De rest van de hiervoor genoemde zaken heb ik inmiddels weggedaan."

4. Naar het oordeel van de Kamer kan op grond van de hiervoor vermelde verklaringen slechts worden vastgesteld dat er op 31 januari 2002 andere meubelen in de woning van klager aanwezig waren. Hieruit volgt naar het oordeel van de Kamer niet dat de door de gerechtsdeurwaarder opgemaakte processen-verbaal onjuistheden bevatten. In het licht van de door de getuigen afgelegde verklaringen kan bij het leggen van een raambeslag de indruk zijn ontstaan dat de zaken waarop eerder beslag is gelegd nog steeds aanwezig waren. De gerechtsdeurwaarder heeft daaromtrent ter zitting van 5 oktober 2004 verklaard dat zij op het moment van het leggen van de beslagen door het raam naar binnen heeft gekeken en vervolgens op een lijst, die zij uit hoofde van een eerder gelegd beslag ter beschikking had, de zaken heeft aangevinkt waarvan zij heeft geconstateerd dat deze nog in de woning aanwezig waren. De door de gerechtsdeurwaarder gegeven uitleg wordt door de Kamer thans afdoende aannemelijk geacht. Handelen in strijd met de tuchtrechtelijke norm op dit punt kan derhalve niet worden aangenomen.

5. Ten aanzien van de klacht dat de gerechtsdeurwaarder tweemaal informatiekosten in rekening heeft gebracht geldt dat deze kosten voor inwerkingtreding van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders per 1 juli 2001 bij de debiteur in rekening mochten worden gebracht. Nu deze kosten voor deze datum aan klager in rekening zijn gebracht, slaagt dit onderdeel van de klacht niet.

6. Ten aanzien van de klacht dat de gerechtsdeurwaarders klagers betalingen niet hebben afgeschreven van het door hem genoemde dossiernummer geldt dat klager voor bij het gerechtsdeurwaarderskantoor lopende dossiers een betalingsregeling had getroffen. Bij een dergelijke regeling worden de door klager overgemaakte bedragen verdeeld over de lopende dossiers. Naar het oordeel van de Kamer kan klager van een dergelijke afspraak niet eenzijdig afwijken door bij betalingen een bepaald dossiernummer te vermelden. Ook dit onderdeel van de klacht slaagt niet.

4. Klager kan evenmin worden gevolgd in zijn verwijt dat de gerechtsdeurwaarders een door hem voorgestelde afbetalingsregeling niet hebben geaccepteerd, aangezien klager het door de gerechtsdeurwaarders aan hem daartoe toegezonden formulier niet heeft geretourneerd.

5. Als laatste verwijt klager de gerechtsdeurwaarders van het eerder kwijtgescholden restant bedrag betaling te hebben geëist na indiening van de klacht. Deze klacht - die door de Kamer wordt toegerekend aan gerechtsdeurwaarder sub 1.- is terecht voorgesteld aangezien ook voor de gerechtsdeurwaarder geldt dat hij niet eenzijdig terug kan komen op een met klager gemaakte afspraak dat hem bepaalde kosten werden kwijtgescholden.

6. De klacht is derhalve op één onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond. Naar het oordeel van de kamer is er geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel over te gaan zodat op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klacht voor het innen van het eerder kwijtgescholden bedrag gegrond,

? laat het opleggen van een maatregel achterwege,

? wijst de klachten voor het overige af.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en N.J.M. Tijhuis, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 februari 2005 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.