Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AU9256

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
1590/04
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 5 januari 2006 in de zaak onder rekestnummer 1590/2004 NOT van:

IR. [G],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder te noemen klager, is bij een op 31 december 2004 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met één bijlage - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, verder te noemen de kamer, van 6 december 2004, waarbij de klacht gericht tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, gedeeltelijk ongegrond en voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard.

1.2. Klager heeft zijn verzoekschrift toegelicht bij brief met zeven producties, ter griffie ontvangen op 17 februari 2005.

1.3. Van de zijde van de notaris is op 21 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

1.4. Klager heeft op 24 oktober 2005 nog een aanvullend stuk per fax ter griffie van het hof ingediend.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 oktober 2005. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de notaris – kort en zakelijk weergegeven – het volgende:

1. De notaris heeft de moeder van klager eind 1993 / begin 1994 geadviseerd omtrent de inhoud van haar testament en dit vervolgens gepasseerd. Klager stelt dat de notaris wist dat een deel van de erfgenamen reeds toen twijfelde aan de objectiviteit van de notaris en hem dit reeds hadden kenbaar gemaakt. Bovendien had de notaris zich in 1993 teruggetrokken uit de afhandeling van de erfenis van de vader van klager vanwege, in de eigen woorden van de notaris, “een familietwist die zijn weerga niet kent”.

2. Bij de boedelbeschrijving van 4 oktober 2000 heeft de notaris, in eerste instantie, ten onrechte geen rekening gehouden met de rente op schenkingen die de ouders van klager tussen 24 mei 1983 en 28 december 1988 hebben gedaan.

3. In genoemde boedelbeschrijving heeft de notaris de activa en passiva door twee gedeeld en aldus het erfdeel van de vader casu quo de moeder van klager vastgesteld. Klager stelt dat deze verdeling onjuist was, gelet op het testament van zijn moeder, en voorts in het voordeel van klagers zuster Irene.

Klager heeft hierop vragen aan de notaris gesteld, doch deze heeft hier niet of ongestructureerd op geantwoord. Hierdoor heeft klager geen mogelijkheden om op te komen tegen de verdeling van de erfenis.

4. De notaris heeft nagelaten om klager en zijn broers en zusters uit eigen beweging te informeren omtrent de taken, verantwoordelijkheden en verplichtingen van de executeur-testamentair. Ook na dringend verzoek van klager heeft de notaris nagelaten klager adequaat te informeren. Zo zond de notaris klager een wetsbundel in plaats van een conreet antwoord op vragen te geven. De informatie die de notaris uiteindelijk heeft gegeven was onjuist. De notaris heeft namelijk verzwegen dat de executeur-testamentair een verklaring van executele behoeft. Als gevolg van dit nalaten van de notaris kon klager niets doen tegen de gedragingen van de executeur-testamentair, waaronder het zich onrechtmatig toeëigenen en voor eigen doeleinden gebruiken van (onroerende) goederen.

5. De notaris heeft klager pas ruim een half jaar na een door klager gestelde vraag hieromtrent, geïnformeerd over het recht van toegang tot de woningen die deel uitmaken van de nalatenschap. Op dat moment had de executeur-testamentair reeds driekwart jaar eerder de woningen in bezit genomen. De overige erfgenamen en de executeur-testamentair heeft de notaris niet geïnformeerd.

6. Direct na het overlijden van de moeder van klager heeft de notaris de executeur-testamentair een alibi gegeven om de sleutels van de onroerende goederen te [plaats] onder zich te houden. Vervolgens heeft de notaris een zuster van klager geadviseerd om zich door middel van braak toegang tot een van de woningen te verschaffen. De notaris heeft geweigerd om dit advies op schrift te stellen. Nadat klager dit advies van de notaris aan de notaris heeft bevestigd heeft de notaris dit advies ingetrokken bij brief van 25 januari 2001.

7. De notaris heeft klager cruciale informatie onthouden met betrekking tot zijn positie als legitimaris. Hierdoor was klager onvoldoende op de hoogte van zijn rechten en heeft hij zich ook niet tijdig hierop kunnen beroepen. Tegelijkertijd doet de notaris klager verscheidene malen het voorstel om af te zien van gerechtelijke stappen met betrekking tot de afhandeling van de nalatenschappen van klagers ouders.

8. De notaris heeft nagelaten om duidelijkheid te bieden over de verwerping van de erfenis van moeder door klagers broer Rob. Op 23 mei 2001 heeft de notaris mondeling medegedeeld dat genoemde broer de erfenis verworpen heeft, doch hij legt dit niet schriftelijk vast, ook niet als klager daarom verzoekt. Pas nadat klager de kamer van toezicht heeft ingeschakeld ontvangt klager schriftelijk het bericht van de notaris dat zijn broer de erfenis heeft verworpen. De andere erfgenamen ontvangen echter niet een dergelijke mededeling. Als gevolg hiervan blijft er onduidelijkheid bestaan, waardoor klager wordt benadeeld.

9. De notaris heeft nagelaten om duidelijkheid te bieden, ondanks expliciet verzoek van klager daartoe, omtrent een vermeende vordering van klagers zuster Irene op de nalatenschap van moeder. Na eigen onderzoek heeft de notaris geconcludeerd dat Irene geen bewijzen kon overleggen voor deze vordering en vervolgens niet wilde overleggen. Deze conclusie heeft de notaris echter niet (schriftelijk) aan alle erfgenamen laten weten.

10. Tenslotte verwijt klager de notaris dat hij de vragen van klager niet, ontwijkend, onvolledig of onjuist beantwoordde. Hierdoor kon klager zich niet verweren dan wel voor zijn rechten opkomen. Eveneens laat de notaris na om de overige erfgenamen in te lichten in een aantal gevallen waarin hij wel het gelijk van klager heeft moeten erkennen. Klager stelt dat de notaris structureel en systematisch zijn ambtseed heeft geschonden met betrekking tot de aspecten eerlijkheid en onpartijdigheid.

5. Het standpunt van de notaris

De notaris betwist alle verwijten die klager hem maakt. Gedurende geruime tijd heeft de notaris al het mogelijke in het werk gesteld om de nalatenschappen van de vader en moeder van klager af te wikkelen, waarbij de notaris gepoogd heeft de belangen van alle erfgenamen zo goed mogelijk te behartigen. Niet alle erfgenamen bleken echter bereid mee te werken aan de afwikkeling van de nalatenschappen, onder wie klager. Zelfs omtrent de verkoop van de leegstaande ouderlijke woning kon tussen de erfgenamen geen overeenstemming worden bereikt.

Klager heeft de notaris bij voortduring allerlei vragen voorgelegd en verwijten gemaakt waardoor het de notaris onmogelijk werd gemaakt om tot een afwikkeling te komen. Uiteindelijk heeft de notaris zijn werkzaamheden beëindigd, omdat hij geen andere mogelijkheid zag om tot een afwikkeling te komen, en heeft hij dit aan de erfgenamen medegedeeld bij zijn schrijven van 15 oktober 2001. Hij heeft de erfgenamen naar de rechter verwezen.

6. De beoordeling

6.1. In hoger beroep maakt klager bezwaar tegen het oordeel van de kamer dat hij terzake van klachten voor zover zij zijn gebaseerd op handelen of nalaten van de notaris vóór 30 maart 2001 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu klager zijn klachten heeft ingediend op 30 maart 2004.

Klager is van mening dat de termijn van drie jaar bedoeld in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt, hierna: Wna, eerst begint te lopen zodra een klager kennis draagt van het klachtwaardig handelen of nalaten van een notaris, dat wil zeggen de betekenis van het handelen of nalaten van de notaris ten volle begrijpt. Het hof volgt klager niet in zijn mening.

Artikel 99 lid 12 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis als volgt verwoord:

“(..)

De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen.

(...)”

(Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12)

6.2. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof voorts niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.4. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 5 januari 2006.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE LEEUWARDEN

Reg.nr.: KvT 5-2004

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, hierna te noemen de Kamer, in de zaak van:

ir. [G],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: klager,

tegen

mr. [X],

notaris te [plaats],

hierna te noemen: de notaris.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 25 maart 2004, ontvangen op 30 maart 2004, heeft klager een klacht ingediend tegen de notaris. De notaris heeft schriftelijk verweer gevoerd bij brief van 30 september 2004. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2004 ter vergadering van de voltallige Kamer. Klager en de notaris zijn daarbij verschenen.

2. DE FEITEN

In november 1989 is de vader van klager overleden. Als gevolg van onenigheden ontstonden twee partijen binnen de familie, waarbij, voorzover hier van belang, klager tegenover zijn broer Rob en zijn zuster Irene kwam te staan.

Eind 1992 verzocht klager de notaris, als opvolger van de oorspronkelijke notaris, de boedelverdeling op zich te nemen. Op 3 november 1993 liet de notaris weten zijn opdracht terug te geven, omdat hij tegen zijn zin in een “familietwist zonder weerga” was beland.

Op 4 mei 2000 overleed de moeder van klager. Haar testament was in februari 1994 opgesteld door de notaris. Alle kinderen kregen de legitieme portie, behalve Rob, op grond dat deze onterfd zou zijn; de rest ging naar zuster Irene. Broer Rob was aangewezen als executeur testamentair van de erfenis.

3. DE KLACHT

3.1 Klager verwijt de notaris - zakelijk weergegeven - het volgende.

3.2 Vanuit zijn voorkennis en gelet op de vereiste eerlijkheid en onpartijdigheid bij de uitoefening van het notarisambt, had de notaris in 1994 niet het testament van klagers moeder mogen opstellen.

3.3 Bij de boedelbeschrijving heeft de notaris ten onrechte in eerste instantie geen rekening gehouden met de rente op de schenkingen die klagers ouders tussen 24 mei 1983 en 28 december 1988 aan de kinderen, waaronder klager, hebben gedaan.

3.4 De notaris heeft de erfenis onjuist verdeeld door bij de boedelbeschrijving de activa en passiva door twee te delen en aldus het erfdeel in de nalatenschap van vader c.q. moeder vast te stellen. Gelet op het testament van klagers moeder is deze verdeling in het voordeel van klagers zuster Irene. Doordat de notaris klagers vragen omtrent deze verdeling niet dan wel niet gestructureerd heeft beantwoord, kan klager niet opkomen tegen deze verdeling van de erfenis.

3.5 De notaris heeft klager en zijn broers en zusters niet uit eigen beweging, noch op herhaalde verzoeken van klager, geïnformeerd over de verantwoordelijkheden en verplichtingen van klagers broer Rob als executeur testamentair. De notaris heeft klager uiteindelijk onjuist geïnformeerd. De notaris heeft klager nimmer een verklaring van berusting voorgelegd. Voorts heeft hij verzwegen dat de executeur een verklaring van executele behoeft. De executeur had derhalve geen bevoegdheid. Als gevolg van het handelen van de notaris kon klager niets doen tegen de onrechtmatige toe-eigening en het gebruik van panden en goederen door zijn broer Rob.

3.6 De notaris bevestigde aan klager eerst ruim een half jaar na zijn stellingen en vragen omtrent het recht van de erfgenamen op toegang tot het pand en driekwart jaar na de inbezitneming door de executeur testamentair, dit recht tot toegang van de erfgenamen. De notaris heeft de overige erfgenamen dit recht nooit gemeld.

3.7 De notaris heeft de executeur testamentair aangespoord om de sleutels van onder andere de ouderlijke woning onder zich te houden. Hij heeft de erfgenamen in eerste instantie niet laten weten dat zij recht op toegang hebben, maar heeft hen mondeling aangespoord om zich geforceerd toegang te verschaffen. De notaris heeft geweigerd om dit advies op schrift te stellen. Eerst nadat klager het advies van de notaris om in te breken aan het licht had gebracht, heeft de notaris zijn advies bij brief van 25 januari 2001 ingetrokken.

3.8 De notaris heeft klager cruciale informatie met betrekking tot zijn rechtspositie als legitimaris onthouden, en heeft daarentegen wel meermalen voorgesteld dat klager afziet van gerechtelijke stappen/procedures ten aanzien van de nalatenschappen.

3.9 De notaris vermijdt duidelijkheid te geven over de verwerping van de erfenis door klagers broer Rob. De notaris heeft op 23 mei 2001 mondeling gemeld dat Rob de erfenis van zijn moeder verworpen heeft, maar hij heeft dit noch op eigen initiatief, noch op klagers verzoek schriftelijk vastgelegd. Eerst na inschakeling van de Kamer van Toezicht heeft hij klager schriftelijk bericht dat Rob de erfenis heeft verworpen, maar hij heeft hiervan de overige erfgenamen niet in kennis gesteld. Als gevolg hiervan blijft de onduidelijkheid over de erfenis voortbestaan, waardoor klager wordt benadeeld. Klager vraagt zich in dit kader af of Rob wel echt van de erfenis heeft afgezien.

3.10 De notaris vermijdt duidelijkheid te geven over de vordering die zuster Irene stelt te hebben op de erfenis. De notaris heeft nagelaten om zijn conclusie uit eigen onderzoek, dat Irene geen bewijzen voor haar vordering kan overleggen en vervolgens deze niet wil overleggen, (schriftelijk) aan alle erfgenamen te laten weten.

3.11 Samenvattend verwijt klager de notaris ten slotte dat hij structureel kritische vragen ontwijkt, dat hij structureel vermijdt de overige erfgenamen in te lichten en dat hij een bewuste strategie voert om klager te benadelen. Voorts heeft hij structureel en systematisch zijn ambtseed met betrekking tot de aspecten eerlijkheid en onpartijdigheid geschonden.

4. HET STANDPUNT VAN DE NOTARIS

De notaris betwist alle klachten. Hij heeft gedurende geruime tijd al het mogelijke in het werk gesteld om de nalatenschap van klagers ouders te kunnen afwikkelen, waarbij hij de belangen van alle erfgenamen zo goed mogelijk heeft geprobeerd te behartigen.

Met betrekking tot de geschilpunten rond de afwikkeling van de nalatenschappen heeft het kantoor van de notaris diverse oplossingen aangereikt en zijn er verschillende berekeningen gemaakt. Uit uitlatingen van klager bleek echter steeds opnieuw dat hij eigenlijk niet bereid was om de afwikkeling van de nalatenschappen tot een goed einde te brengen.

De notaris heeft er steeds op aangedrongen de woning van klagers ouders te verkopen om waardevermindering tegen te gaan, maar zelfs hierover kon tussen de erfgenamen geen overeenstemming worden bereikt.

Klager schiep er volgens de notaris behagen in hem voortdurend op zijn handelingen aan te spreken. Hij zette de notaris onder druk om te reageren op allerlei nieuwe vragen en verwijten en hij maakte het de notaris onmogelijk om tot een afwikkeling van de nalatenschappen te komen. Om deze reden heeft de notaris zijn werkzaamheden beëindigd en heeft hij de erfgenamen op 15 oktober 2001 naar de rechter verwezen.

5. DE BEOORDELING DOOR DE KAMER

5.1 De Kamer ziet zich gesteld voor de vraag of de notaris tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Alvorens zij tot deze beoordeling kan overgaan, dient de Kamer echter eerst vast te stellen of de klager in zijn klachten ontvankelijk is. De Kamer overweegt hieromtrent het volgende.

5.2 Op grond van artikel 99, twaalfde lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

5.3 De Kamer overweegt dat klager zich in de jaren 2001 en 2002 reeds meermalen tot de Kamer heeft gewend in verband met zijn problemen met de notaris. Bij brief van 3 april 2002 heeft de voorzitter van de Kamer aan klager bericht dat zijn dossier zal worden gesloten en dat de Kamer zich van verdere actie zal onthouden, omdat klager geen klacht heeft ingediend tegen de notaris, hoewel de Kamer hem hiertoe herhaalde malen uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld. Klager heeft bij schrijven van 10 april 2002 gemeld dat hij nog altijd voornemens is een klacht in te dienen en wel binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn, genoemd in artikel 99, twaalfde lid, Wna.

Klager heeft vervolgens echter pas een klacht ingediend op 30 maart 2004. Bij brief van 9 april 2004 is klager gewezen op de termijn van drie jaren genoemd in het twaalfde lid van artikel 99 Wna waarbinnen een klacht moet worden ingediend. In dit kader is klager verzocht om aan te geven welk naar zijn mening specifiek klachtwaardig handelen of nalaten van de notaris in de periode vanaf 30 maart 2001 heeft plaatsgevonden. Klager heeft hierop bij schrijven van 14 mei 2004 een reactie ingediend, die (zakelijk weergegeven) inhoudt dat hij van mening is dat zijn klacht ontvankelijk is. De Kamer dient na deze gang van zaken thans per klachtonderdeel te onderzoeken of (telkens) sprake is van klachtwaardig handelen of nalaten in de periode vanaf 30 maart 2001.

5.4 In dit kader overweegt de Kamer met betrekking tot klagers eerste klacht, genoemd onder 3.2, als volgt. De notaris heeft het testament van klagers moeder in 1994 opgesteld en klager is hiervan na het overlijden van zijn moeder op 4 mei 2000 op de hoogte geraakt. Op het moment van indienen van de klacht op 30 maart 2004 was klager van deze omstandigheid derhalve reeds meer dan drie jaren op de hoogte, zodat deze klacht niet binnen de termijn van drie jaren, genoemd in artikel 99, twaalfde lid, Wna, is ingediend en klager derhalve terzake van dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

5.5 Met betrekking tot klagers klacht, genoemd onder 3.3, overweegt de Kamer als volgt. Klager heeft de notaris op 15 oktober 2000 bericht dat de notaris bij de boedelbeschrijving ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de rente op de schenkingen. Vervolgens heeft klager zich op 6 maart 2001 tot de Kamer gewend, omdat de notaris hem had medegedeeld dat de rente verjaard zou zijn. Na inwinning van deskundig advies heeft klager de notaris op 22 maart 2001 op de hoogte gebracht van zijn bevindingen, waarna de notaris zijn ongelijk omtrent de rente heeft toegegeven. De Kamer overweegt dat klager, toen hij de klacht op 30 maart 2004 indiende, reeds drie jaren op de hoogte was van de vergissing van de notaris. De Kamer oordeelt daarom dat ook hier sprake is van niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van voormelde termijn.

5.6 Klagers klacht, genoemd onder 3.4, brengt de Kamer tot het volgende oordeel. De briefwisseling tussen klager en de notaris over de vaststelling van het erfdeel in de nalatenschap van klagers vader respectievelijk moeder in het kader van de boedelbeschrijving heeft plaatsgevonden tussen 15 oktober 2000 en 30 januari 2001. Ten tijde van het indienen van de klacht op 30 maart 2004 was klager derhalve reeds drie jaren op de hoogte van de verdeling van de erfenis, zodat klager ook terzake van dit onderdeel van zijn klacht op grond van artikel 99, twaalfde lid, Wna, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

5.7 Ten aanzien van de klacht, genoemd onder 3.5, overweegt de Kamer als volgt. Blijkens de stukken in het dossier is klager al veel langer dan drie jaren van mening dat de notaris in gebreke is gebleven wat betreft het informeren van klager en zijn broers en zusters over de verantwoordelijkheden van klagers broer Rob als executeur testamentair en dat de notaris hem uiteindelijk onjuist hierover heeft geïnformeerd. Klagers brief van 1 oktober 2001 komt er in essentie op neer, dat hij voornoemde kwestie opnieuw bij de notaris aan de orde wil stellen. Nu klager echter kennelijk toen al meer dan drie jaren op de hoogte was van hetgeen hij de notaris hieromtrent verwijt, dient de Kamer onder verwijzing naar artikel 99, twaalfde lid, Wna, klager ook voor dit onderdeel van de klacht niet-ontvankelijk te verklaren.

5.8 De Kamer stelt vast dat ook het klachtonderdeel, genoemd onder 3.6, niet binnen de termijn van drie jaren, zoals bepaald in het twaalfde lid van artikel 99 Wna, is ingediend. De notaris heeft bij brief van 15 januari 2001 bevestigd dat de erfgenamen het recht op toegang tot het pand hebben. Klagers verwijt, dat de notaris vóór voornoemde bevestigingsbrief in gebreke is gebleven met betrekking tot het geven van duidelijkheid over het recht op toegang tot het pand, dateert dus van vóór de in deze zaak op 30 maart 2001 ingegane ontvankelijkheidstermijn van drie jaren. Klager is dus ook op dit punt niet-ontvankelijk.

5.9 Met betrekking tot de klacht, genoemd onder 3.7, overweegt de Kamer als volgt. Bij brief van 25 januari 2001 heeft de notaris klager medegedeeld dat hij hem voortaan niet meer zal adviseren om de woning geforceerd te betreden. Nu klager eerst met de klacht van 30 maart 2004 het handelen van de notaris in dit kader aan de kaak stelt, dient te worden geoordeeld dat deze klacht is ingediend buiten de termijn van drie jaren, genoemd in artikel 99, twaalfde lid, van de Wna. Klager is ook hier niet-ontvankelijk.

5.10 De Kamer komt tot het volgende oordeel met betrekking tot het klachtonderdeel, omschreven onder 3.8. Klager was ten tijde van het indienen van de klacht op 30 maart 2004 kennelijk al meer dan drie jaren op de hoogte van de door hem gestelde tekortkomingen van de zijde van de notaris met betrekking tot het onthouden van informatie omtrent zijn rechtspositie als legitimaris. De problemen die klager met voornoemd handelen dan wel nalaten van de notaris had, speelden blijkens het dossier in het jaar 2000. Ook hier is klager niet-ontvankelijk.

5.11 Klager verwijt de notaris voorts, zoals hiervoor weergegeven onder 3.9, dat hij hem te lang in het ongewisse heeft gelaten omtrent de vraag, of klagers broer Rob de erfenis van zijn moeder heeft verworpen of niet. De notaris heeft klager hierover geschreven op 3 augustus 2001 en dus binnen de ontvankelijkheidstermijn. De Kamer gaat er daarom van uit dat klager zijn klacht op dit punt binnen die termijn heeft ingediend en daarin dus kan worden ontvangen. De Kamer acht dit klachtonderdeel echter ongegrond. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat Rob aan de notaris ooit ondubbelzinnig heeft bericht dat hij van de erfenis wilde afzien. In zijn brief van 3 augustus 2001 schrijft de notaris op dit punt slechts, dat hij klager mondeling heeft medegedeeld dat Rob hem heeft verteld (1) dat hij executeur testamentair wenste te zijn en (2) zelf bewindvoerder over het vermogen van hun mongoloïde broer wilde zijn, en (3) dat hij zou berusten in zijn onterving door zijn moeder. Bij de mondelinge behandeling van de klacht door de Kamer verklaarde de notaris dat hij tot op heden geen duidelijke en schriftelijke standpuntbepaling van Rob heeft gekregen of hij de erfenis van zijn moeder al dan niet verwerpt. Uit deze feitelijke gang van zaken kan de Kamer niet afleiden dat de notaris in gebreke is gebleven met het verschaffen van duidelijkheid jegens klager over de vraag, of Rob de erfenis van klagers moeder nu wel, of juist niet wilde verwerpen. Immers: de notaris had op dit punt zelf geen duidelijkheid van Rob gekregen. Uit de stukken blijkt niet dat de notaris tegenover klager heeft gepretendeerd dat hij deze duidelijkheid wel had. De Kamer zal deze klacht dan ook ongegrond verklaren.

5.12 Met betrekking tot de klacht, genoemd onder 3.10, overweegt de Kamer als volgt. Uit het dossier en de mondelinge behandeling van de klacht komt naar voren dat de door Irene gepretendeerde vordering kennelijk niet of moeilijk bewijsbaar is, en dat alle betrokkenen dit ook al vele jaren weten, alleen al omdat ook notaris [Y], die was belast met de boedelbeschrijving van de nalatenschap van klagers vader (die overleed in 1989), de kwestie van de vordering heeft onderzocht maar niet heeft kunnen ophelderen. Uit niets blijkt dat het handelen dan wel het nalaten, dat klager de notaris in dit kader verwijt, valt binnen de termijn van drie jaren, genoemd in artikel 99, twaalfde lid, Wna. Klagers brief aan de notaris van 20 juni 2001 kan in dit kader niet tot een ander oordeel leiden. De Kamer zal dit onderdeel van de klacht dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

5.13 De Kamer overweegt met betrekking tot klagers samenvattende verwijt in het klachtonderdeel, genoemd onder 3.11, als volgt. De Kamer deelt de visie van klager op deze zaak niet. Uit de stukken en uit de mondelinge behandeling van de klacht komt naar voren, dat de notaris zich jarenlang, zonder daarvoor ook maar iets in rekening te brengen, heeft ingespannen om de erfeniskwesties tussen klager en zijn broers en zusters in der minne op te lossen. De Kamer vindt noch in de overgelegde stukken, noch in de mondelinge behandeling van de klacht, enige onderbouwing van klagers zware verwijten dat de notaris niet onpartijdig en oneerlijk heeft gehandeld, klagers kritische vragen heeft ontweken, zijn broers en zusters bewust niet heeft ingelicht over zaken betreffende de erfenis en klager bewust heeft benadeeld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

6. DE BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht voor wat betreft de onderdelen, genoemd

onder 3.2 tot en met 3.8 en 3.10;

- verklaart de onderdelen van de klacht, genoemd onder 3.9 en 3.11, ongegrond.

Deze beslissing is genomen te Leeuwarden door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzitter,

mr. G. Gast, lid, mrs. A. van der Meer, J.G. de Beer en R.A. Rispens, plaatsvervangend leden, bijgestaan door mr. M.J.C. ten Hoopen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op

6 december 2004.

De beslissing is verzonden op

7 december 2004

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.