Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:214

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
23-003650-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandstichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

.....

· "

arrestnummer: parketnummer: datum uitspraak:

23-003650-05

15 december 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 16 juni 2005 in de strafzaak onder parketnummer 13-067580-04 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

gd;oren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 juni 2005 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 23 augustus 2006 en 1 december 2006. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 maart 2005 en 2 juni 2005 op vordering van de officier van justitie toegestane wijzigingen tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

[verdachte]. /23-003650-05 - 2 -

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

hij op 4 december 2004 te Hilversum opzettelijk brand heeft gesticht in a) een container, welke in de steeg stond naast [naam 1], gevestigd [adres 2]) op een binnenplaats achter perceel [adres 3], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk a) met een aansteker papier dat in die container zat in brand gestoken en b) open vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan goederen op die binnenplaats en belendende panden (percelen [adres 3], [nummer 1] en [nummer 1] en [straat] [nummer 2] en [nummer 3]) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor diverse belendende woningen aan de [adres 3] en de [straat] en levensgevaar voor de (slapende) bewoners van die belendende woningen te duchten was;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op 4 december 2004 te [plaats 1], ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten bij een personenauto (merk Mercedes, kenteken [kenteken]), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die Mercedes en in de omgeving van voornoemde personenauto geparkeerd staande personenauto's te duchten was, met dat opzet met een aansteker een lap stof bij een voorwiel van die auto in brand heeft gestoken.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Het hof heeft voor de bewijslevering ten aanzien van feit 1 gebruik gemaakt van de verklaring van verdachte, afgelegd tegenover de politie op 6 december 2004 omstreeks 11.19 uur. De verdachte heeft deze verklaring, waarin hij heeft erkend dat hij papier in een container in een steegje om de hoek van het café (het hof begrijpt: [naam 1]) met een aansteker heeft aangestoken, bij gelegenheid van een tweede verhoor op diezelfde dag na de lunch omstreeks

14.37

uur herhaald.

Anders dan door de verdediging is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat verdachte deze verklaringen heeft afgelegd omdat hij zich in een psychische labiele toestand bevond en geen

.. .

[verdachte]. /23-003650-05 -3-

weerstand meer kon bieden aan de druk van de lange verhoren. Uit de verklaringen die de verhorende verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd, is niet gebleken dat tijdens deze verhoren op enigerlei wijze pressie op verdachte is uitgeoefend, dan wel dat verdachte zich in een zodanige psychisch labiele of emotionele toestand bevond, dat niet gezegd kan worden dat hij zijn verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde omstandigheden dat hij nimmer eerder door de politie op zodanige wijze was verhoord, hij het koud had omdat hij tijdens deze verhoren gekleed was in een soort doorkijkpak en hij niet in allerbeste conditie was, maken dat niet anders. Bovendien zijn de desbetreffende door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen niet strijdig met overige vaststaande feiten en omstandigheden.

Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte ook de tweede brandhaard, die tot de grote brand heeft geleid, heeft veroorzaakt. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat deze tweede brandhaard slechts op een afstand van 10 meter verwijderd was van de container waarvan verdachte heeft erkend dat hij het daarin bevindende papier heeft aangestoken, dat uit de verklaring van [getuige], de melder van de brand, is afte leiden dat beide brandhaarden vrijwel tegelijk zijn ontstaan en voorts dat uit het technisch onderzoek is gebleken dat een technische oorzaak voor het ontstaan van beide branden ontbrak. Op grond hiervan acht het hof het onaannemelijk dat in de nachtelijke uren op ongeveer hetzelfde moment als waarop verdachte de container in het begin van de steeg heeft aangestoken, een ander dan verdachte dieper in dezelfde steeg eveneens een brandhaard heeft veroorzaakt.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte:

poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

De psychologe drs. M.F. [naam 2] heeft, blijkens het daarvan opgemaakte rapport van 15 februari 2005, de verdachte onderzocht en is onder meer tot de conclusies gekomen dat:

bij onderzochte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en theatrale kenmerken;

ten tijde van het ten laste gelegde, indien bewezen, sprake was van de beschreven persoonlijkheidsstoornis;

het aannemelijk is dat de persoonlijkheidsstoornis onderzochtes gedragskeuzes c.q. zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde enigszins heeft beïnvloed;

onderzochte heeft gehandeld vanuit de beperkingen die voortvloeien uit de persoonlijkheidsstoornis, waarbij wraakgevoelens en een diepgewortelde krenking zijn

[verdachte]. /23-003650-05 -4-

gedrag in zekere mate gestuurd hebben. Betrokkene heeft weliswaar de ongeoorloofdheid van zijn handelen ten tijde van het ten laste gelegde kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest zijn wil in vrijheid te bepalen. Hij kan als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde worden beschouwd.

Het hof neemt deze conclusies van de deskundige over en maakt die tot de zijne.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder toezicht stelt van de Reclassering Nederland en zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt deelname aan een behandeling bij de Waag. Voorts heeft de rechtbank toegewezen de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot een bedrag van EUR 3.060,- en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van EUR 8.863,--.

De rechtbank heeft de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [bedrijf]

niet ontvankelijk in hun vorderingen verklaard.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met dezelfde bijzondere voorwaarde als door de rechtbank is beslist. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot een bedrag van EUR 3.060,--, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], die zich in hoger beroep opnieuw voor hun oorspronkelijke vordering hebben gevoegd, tot een bedrag van EUR 30.106,44 en [slachtoffer 6] tot een bedrag van EUR 8.863,--, met daarnaast de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36fvan het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van alle benadeelde partijen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof mede acht geslagen op de inhoud van voormeld rapport van drs. [naam 2] en op de inhoud van het over de verdachte door [naam 3] van de Reclassering Leger des Heils op 22 februari 2005 uitgebracht voorlichtingsrapport.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in de nachtelijke uren schuldig gemaakt aan het op twee plaatsen stichten van brand. De brandhaarden lagen ongeveer 10 meter van elkaar verwijderd en bevonden zich in de onmiddellijke nabijheid van verschillende percelen, die bestonden uit bedrijfspanden en woningen in het centrum van Hilversum. Door de brand is een zeer gevaarlijke situatie voor de

.[verdachte] /23-003650-05 - 5 -

bewoners van die woningen ontstaan. Door aldus te handelen heeft verdachte bewust het risico genomen dat tengevolge van die door hem veroorzaakte brand slachtoffers zouden vallen.

Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van de traumatische gevolgen voor de slachtof­ fers van zijn daad. Ook voor de samenleving geldt dat dergelijke misdrijven als zeer bedreigend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid met zich brengen.

Bovendien is ernstige materiële schade aan de panden en inboedels toegebracht. Voorts heeft verdachte zich diezelfde nacht schuldig gemaakt aan een poging tot brandstichting van een auto. Verdachte is, blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel uit het justitieel documentatieregister, niet eerder voor dergelijke misdrijven veroordeeld. Bij deze stand van zaken is de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, in beginsel alleszins gerechtvaardigd.

In voormeld rapport van drs. [naam 2] concludeert de deskundige dat toekomstige problemen op het gebied van relaties en nieuwe afwijzingen bij kunnen dragen aan de kans op herhaling.

Teneinde die kans te verminderen heeft de deskundige geadviseerd de verdachte te laten behandelen bij De Waag (Centrum voor ambulante forensische psychiatrie) en dat aan verdachte een verplicht reclasseringscontact wordt opgelegd. Bij de behandeling in hoger beroep is gebleken dat verdachte zich heeft gemeld voor behandeling bij de Waag en dat die behandeling reeds geruime tijd aan de gang is, maar nog wel enige tijd zal duren. Ook heeft de verdachte regelmatig contact met de Reclassering Nederland, die verdachte begeleidt. De verdachte heeft een betaalde werkkring en hij woont zelfstandig.

De verdachte heeft ruim een jaar in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden is weergegeven, en voorts in aanmerking genomen dat na het plegen van het bewezen verklaarde ten laste van verdachte geen andere strafbare feiten bekend zijn geworden, het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf niet langer moet zijn dan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis. Voorts dient een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm te worden opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan dergelijke misdrijven en dient in het kader van een verplicht reclasseringscontact aan verdachte de bijzondere voorwaarde te worden opgelegd dat hij zich verder door De Waag zal laten behandelen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof- anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren meer recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten en derhalve passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]:

De benadeelde partij als bedoeld in artikel Sla van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

[verdachte] /23-003650-05 - 6 -

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 4060,--.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

De benadeelde partij is in eerste aanleg niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 30106,48 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

- - - --- - - -------------------------------------------------- --- - ---

[verdachte]. /23-003650-05 - 7 -

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - zal dan ook worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte .

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

[verdachte]. /23-003650-05 - 8 -

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op de grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee} jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich onverwijld stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt deelname aan een behandeling bij de Waag.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partii [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], wonende te [plaats 2], rekeningnummer [rekeningnummer 1] een bedrag van EUR 3.060,00 (drieduizend zestig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 3.060,00 (drieduizend zestig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 (eenenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

[verdachte]. /23-003650-05 - 9 -

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partii [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], wonende te Hilversum, rekeningnummer [rekeningnummer 2], een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 1.000,00 (duizend euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in .wverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 6], wonende te Hilversum, rekeningnummer 9336569, een bedrag van EUR 8.863,00 (achtduizend achthonderddrieënzestig euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 8.863,00 (achtduizend achthonderddrieënzestig euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 6] voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 177 (honderdzevenenzeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

..

[verdachte]. /23-003650-05 - 10-

Dit arrest is gewezen door de 2e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.H. van Asperen, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. B.W.M. van der Lugt, in tegenwoordigheid van R.A.M. Truijens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2006.

Mrs. G.H. van Asperen en B.W.M. van der Lugt zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.