Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AV0200

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
30-01-2006
Zaaknummer
R05/1624
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing executie strafvonnis behandeld door voorzieningenrechter van de rechtbank en door het hof in een strafvorderlijke procedure. Vermelding van ‘voorzieningenrechter in kort geding’, opmerking over de kosten van het geding en behandeling door ‘burgerlijke’ kamer, veranderen de aard van de procedure niet. Staat is niet ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 21
Wetboek van Strafvordering 24
Wetboek van Strafvordering 449
Wetboek van Strafvordering 557
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van justitie; openbaar ministerie), zetelende te Den Haag,

APPELLANT,

advocaat: mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag,

t e g e n

[...], wonende te [...] (België),

VERWEERDER IN HOGER BEROEP,

raadsman: mr. D.A. Harff te Rotterdam.

1. Verloop van het geding

Partijen worden hierna de Staat respectievelijk verweerder genoemd.

De Staat heeft bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van het hof op 17 oktober 2005, beroep ingesteld tegen de beschikking van 20 september 2005, onder nummer 324391/KG 05-2615 SR gegeven door de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam tussen verweerder als verzoeker en het openbaar ministerie als verweerder. De Staat heeft twee grieven voorgesteld tegen de beschikking, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en – opnieuw rechtdoende – verweerder in zijn verzoek niet ontvankelijk zal verklaren, althans dit verzoek zal afwijzen, met veroordeling van verweerder in de kosten van het geding.

Het hof heeft het beroep met gesloten deuren behandeld ter terechtzitting van heden. Verschenen zijn voor de Staat mr. L.P. Plas, advocaat-generaal bij dit hof, bijgestaan door de advocaat van de Staat, en voor verweerder zijn raadsman. Bij die gelegenheid heeft verweerder een verweerschrift overgelegd en dit doen voordragen tot en met punt 11 van dat verweerschrift. Hij heeft producties overgelegd en voorts geconcludeerd dat het hof de Staat niet ontvankelijk zal verklaren in het beroep. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.

Het hof heeft na de behandeling en na beraad in raadkamer onmiddellijk in het openbaar uitspraak gedaan.

De inhoud van alle bovenstaande stukken wordt geacht hier te zijn ingelast.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1 Bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 7 augustus 2003 (parketnummer 13/120032-01) is verweerder bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Op 22 augustus 2003 is verweerder van dit vonnis bij het gerechtshof te Amsterdam in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 31 mei 2005 heeft dit hof verweerder, aan wie de dagvaarding om ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen in persoon was betekend, bij verstek wegens overschrijding van de appeltermijn in het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard.

Tegen het arrest van het hof heeft verweerder op 3 augustus 2005 cassatieberoep ingesteld.

Sinds 25 juli 2005 heeft verweerder zich ter uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van het vonnis van de rechtbank in detentie bevonden, eerst in België, daarna in Nederland.

2.2 Op het verzoek van verweerder heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (nadat de zaak naar hem was verwezen bij beschikking van 7 [september] 2005 van de voorzieningenrechter van dit hof) bij de beschikking waarvan beroep op de voet van artikel 557 lid 3 Sv de executie van voormeld vonnis van 7 augustus 2003 geschorst totdat onherroepelijk op het ingestelde cassatieberoep is beslist. Het beroep van de Staat in deze zaak richt zich tegen deze beslissing.

2.3 De Staat heeft opgemerkt dat de Staat het beroepschrift heeft ingediend – en niet het openbaar ministerie, dat in eerste aanleg verweerder was – omdat het openbaar ministerie ‘niet zelf in een civielrechtelijke procedure (kan) optreden’(beroepschrift onder 1.6). Voorts heeft de Staat betoogd ‘dat art. 557 lid 3 sub 2 Sv een strafvorderlijke rechtsgang betreft’ (beroepschrift 4.1.2) en dat de voorzieningenrechter het verzoekschrift kennelijk – en ten onrechte – als civielrechtelijk verzoekschrift heeft aangemerkt en behandeld. Naar de mening van de Staat had de voorzieningenrechter de zaak moeten verwijzen naar de strafrechter en wel – aldus de Staat ter terechtzitting in hoger beroep – naar de voorzitter van de kamer die de strafzaak heeft behandeld.

Voorts heeft de Staat meegedeeld dat het openbaar ministerie naast de indiening van dit beroepschrift tevens beroep heeft ingesteld op de voet van artikel 449 Sv alsmede dat dat beroep nog aanhangig is.

2.4 Het hof oordeelt als volgt.

De voorzieningenrechter heeft, haars inziens daartoe aangewezen door artikel 557 lid 3 Sv, het verzoek op de voet van die bepaling behandeld en beslist. Dat betekent dat het hier ging om een strafvorderlijke procedure in de zin van artikel 21 Sv, welke procedure heeft geleid tot een beschikking als bedoeld in artikel 24 Sv. Dat de voorzieningenrechter – kennelijk per vergissing – in de kop van de beschikking ‘voorzieningenrechter in kort geding’ heeft vermeld en een opmerking heeft gemaakt over de kosten van het geding kan aan dit een en ander niet afdoen.

Voor het door het beroepschrift ingeleide hoger beroep geldt mutatis mutandis hetzelfde. Het hof dient de zaak te beoordelen aan de hand van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering. Dat de zaak is toegewezen aan en wordt behandeld door de vierde burgerlijke kamer van het hof, de kamer die doorgaans de appellen tegen de beslissingen van de voorzieningenrechter in het ressort behandelt, verandert de aard van de procedure niet.

Hoewel omstreden is of de vermelding van ‘de voorzieningenrechter’ in artikel 557 lid 3 Sv niet op een vergissing van de wetgever berust en of de zaak in eerste aanleg niet had moeten worden behandeld door de voorzitter van de strafkamer die de hoofdzaak heeft behandeld en in hoger beroep door een strafkamer van het hof, heeft het hof – deze kwestie thans in het midden latend – uit praktische overwegingen beslist dat deze kamer het hoger beroep tegen de beschikking van de voorzieningenrechter thans afhandelt en beslist.

2.5 Nu het hier – zoals uit het voorgaaande voortvloeit – gaat om het beroep tegen een beschikking als bedoeld in artikel 24 Sv moet over de ontvankelijkheid van dit hoger beroep als volgt worden beslist.

Indien tegen de beschikking beroep heeft open gestaan - of dat zo is, is omstreden maar kan in het midden blijven – kon dat uitsluitend op de wijze als bedoeld in artikel 449 Sv. Aan het door het beroepschrift ingeleide beroep ligt echter geen verklaring ter griffie als bedoeld in die bepaling, afgelegd door het openbaar ministerie, ten grondslag. Dit betekent dat hier de weg van artikel 449 Sv niet is gevolgd, dat het hier te beoordelen beroep niet is ingesteld door het openbaar ministerie en dat de Staat in dat beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Slotsom

Het hof zal de Staat niet ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart de Staat niet ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P. Ingelse, N. van Lingen en H. Sorgdrager en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2005.