Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU9051

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2005
Datum publicatie
05-01-2006
Zaaknummer
21-003471-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Behandeling na verwijzing door de Hoge Raad.

Wetsverwijzingen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen
Wet vervoer gevaarlijke stoffen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2006/14 met annotatie van WR
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003471-05

Uitspraak d.d.: 28 november 2005

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

economische kamer

Na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden, bij arrest van 19 april 2005, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Utrecht van 20 december 2002 in de strafzaak tegen

DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP [VERDACHTE]

gevestigd te [vestigingsplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 november 2005 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 11 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat parkeren van met gevaarlijke stoffen geladen vrachtauto’s binnen de bebouwde kom, dat plaatsvindt in overeenstemming met de bepalingen van het ADR, niet strafbaar moet worden geacht. Die situatie doet zich voor ten aanzien van verdachte, zodat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Artikel 11 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. Degene die met een voertuig langs de weg gevaarlijke stoffen vervoert is verplicht de

krachtens de Wegenverkeerswet 1994 als zodanig aangeduide bebouwde kommen

van gemeenten te vermijden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het vervoer binnen de bebouwde kom

noodzakelijk is: a. ten behoeve van het laden of lossen, of

b. omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom

beschikbaar is.”

Het hof stelt vast dat het onder het tweede lid van de hiervoor weergegeven bepaling een uitzondering oplevert op het in het eerste lid van die bepaling gegeven gebod. Bij de beoordeling of van een zodanige uitzondering sprake is, zal gelet op het in deze zaak gewezen arrest van de Hoge Raad van 19 april 2005, mede in aanmerking genomen moeten worden dat het bepaalde in artikel 11 Wvgs zich mede uit kan strekken tot de route naar een binnen de bebouwde kom gelegen parkeervoorziening, die gelet op de terzake geldende bepalingen voor het parkeren van vervoermiddelen geladen met gevaarlijke stoffen mag worden gebezigd.

In de in deze zaak van toepassing zijnde Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG) wordt, voor zover hier van belang, ten aanzien van de voor dat vervoer geldende voorschriften verwezen naar bijlage I bij die Regeling, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR (het Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route). In hoofdstuk 8.4. is een parkeerregeling opgenomen. Op grond van die parkeerregeling dienen voertuigen die gevaarlijke stoffen vervoeren onder toezicht te worden gesteld of -in plaats daarvan- in een beveiligd depot of op een beveiligd fabrieksterrein te worden geparkeerd. Indien dergelijke parkeermogelijkheden niet beschikbaar zijn, mag het voertuig, nadat passende veiligheidsmaatregelen zijn genomen, op een afgelegen plaats worden geparkeerd, indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften:

a) een door een bewaker gecontroleerde parkeerplaats voor voertuigen, waarbij de bewaker van de aard van de lading en de verblijfplaats van de bestuurder op de hoogte is gebracht;

b) een openbare of particuliere parkeerplaats voor voertuigen waar de kans dat het voertuig schade van andere voertuigen zal ondervinden, uitgesloten geacht moet worden;

c) een geschikte open ruimte, afgescheiden van de openbare weg en van woningen, waar het publiek in de regel niet passeert of bijeenkomt.

Uit het opsporingsonderzoek blijkt dat de tankauto’s onbeheerd stonden geparkeerd op de Archimedesweg en de Ampèreweg. Beide wegen zijn openbare wegen gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Bunschoten. Ter plaatse was in beide gevallen niemand aanwezig om toezicht uit te oefenen, zodat aan het hiervoor onder a) genoemde voorschrift niet is voldaan. Van belang is voorts dat de tankwagens telkens geparkeerd stonden op de openbare weg, waarbij -gelet op de zich in het dossier bevindende plattegrond van de gemeente Bunschoten en de daarbij behorende luchtfoto- aangenomen moet worden dat ter plekke geregeld ander (vracht-)verkeer zal passeren. De kans dat de tankwagens dientengevolge schade van andere voertuigen konden ondervinden, kan naar het oordeel van het hof geenszins als uit te sluiten worden beschouwd. Om die reden is ook niet voldaan aan de onder b) en c) genoemde vereisten, zodat van een uitzondering op het in het eerste lid van artikel 11 Wvgs gegeven verbod geen sprake is. Gelet hierop moet het verweer verworpen worden.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat verdachte geen reële mogelijkheid had om parkeergelegenheid met een hogere voorkeur te organiseren voor de tankauto’s, omdat het tenlastegelegde werd geverbaliseerd slechts enkele dagen nadat het college van Burgemeester en Wethouders verdachte had aangeschreven om dergelijke auto’s daar niet meer te stallen. Het hof begrijpt het verweer aldus, dat verdachte daarmee een beroep doet op overmacht.

Het hof stelt vast dat op verdachte een zorgplicht rust zich ervan te vergewissen dat het transport van gevaarlijke stoffen op een veilige en verantwoorde wijze geschiedt. Dat omvat mede het parkeren en het geparkeerd laten staan. In het onderhavige geval werden met LPG beladen tankauto’s op de openbare weg binnen de bebouwde kom van de gemeente Bunschoten geparkeerd, zonder dat voorzieningen waren getroffen als bedoeld in het ADR.

Die gang van zaken is niet anders te beschouwen dan als gevaarlijk voor de openbare veiligheid, gelet op de mogelijk catastrofale gevolgen van een ongeval en de nabijheid van andere gebouwen, personen en goederen. Het feit dat het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bunschoten een einde maakt aan een gedoogsituatie en activiteiten ontplooit om een acuut veiligheidsprobleem te beëindigen, laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid die verdachte voordien, ondanks dat gedogen, had te nemen in dergelijke situaties. Van verdachte kon met het oog op de belangen die op het spel stonden, in redelijkheid worden gevergd dat hij onverwijld maatregelen trof om een einde te maken aan een bestaande onveilige situatie, ook in dit geval waarin die situatie voordien werd gedoogd. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte redelijkerwijs geen reële mogelijkheid had om de tankauto’s met inachtneming van de wettelijke voorschriften elders te parkeren. Gelet hierop moet het verweer worden verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a (oud), 2 en 6 (oud) van de Wet op de economische delicten en artikel 11 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro).

Beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mrs C.G. Nunnikhoven en B.P.J.A.M. van der Pol, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr H.G. Kuipers, griffier,

en op 28 november 2005 ter openbare terechtzitting uitgesproken.