Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8249

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
04/04608
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten liposuctiebehandeling van dochter zijn aftrekbaar als uitgaven wegens ziekte. Het Hof acht aannemelijk dat in casu een medische noodzaak aanwezig was.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/2.7
FutD 2005-2515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak met dagtekening 11 oktober 2004 van de Inspecteur van de Belastingdienst/

te P, de inspecteur, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 november 2005.

Beslissing

Het Hof -verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de bestreden uitspraak;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk

en woning van € 39.681;

-gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad € 37 aan belanghebbende te

vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar gehuwd. Tot de huishouding behoorden in 2002 drie kinderen. Een dochter van belanghebbende, AX, is op 29 december 1982 geboren. Zij onderging op 14 februari 2002, naar het Hof aannemelijk acht, onder verantwoordelijkheid van drs. B, plastisch en aesthetisch chirurg verbonden aan het C medisch centrum te Amsterdam, een liposuctiebehandeling (hierna ook: de behandeling), waarbij onder algehele verdoving 1400 ml vet en vloeistof werd geaspireerd. De kosten van deze ingreep bedroegen € 3.857 welk bedrag door belanghebbende is betaald. De betreffende kosten worden niet vergoed door de ziektekostenverzekering.

Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de kosten van de behandeling van de dochter niet kunnen worden aangemerkt als aftrekbare ziektekosten.

2. Onder de stukken bevindt zich een verklaring van D, ggz-arts, met dagtekening 11 januari 2002. Deze verklaring luidt als volgt.

“Patiente AX, geboren 29-12-1982, b-weg , te P heeft mij heden bezocht i.v.m. psychische klachten. Deze klachten leiden tot allerlei beperkingen in het dagelijks functioneren. Mijns inziens is er een direct verband tussen de klachten en de problemen welke patiente met haar aesthetiek heeft. Een aesthetische operatie zou in dit geval op zijn plaats zijn.”

Met dagtekening 30 juli 2004 heeft voormelde arts het navolgende aan zijn verklaring toegevoegd.

“In aanvulling op bovenstaande verklaring verklaar ik dat op medische indicatie de noodzaak voor de toegepaste operatieve ingreep aanwezig was.”

3. In artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet), voor zover hier van belang, is bepaald dat als uitgaven wegens ziekte worden aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees- en heelkundige hulp.

4. Naar het oordeel van het Hof is van genees- en heelkundige hulp onder meer sprake indien een medicus psychische dan wel lichamelijke klachten constateert en behandeling door of onder toezicht van een medicus erop gericht is dergelijke klachten te doen verdwijnen of verminderen. Gelet op de verklaring van de arts D, zoals hiervoor onder 2 weergegeven, acht het Hof het aannemelijk dat voor de behandeling die de dochter heeft ondergaan een medische noodzaak aanwezig was, omdat de behandeling die belanghebbende heeft ondergaan fungeerde ter bestrijding van de genoemde medicus geconstateerde psychische klachten. Nu ter bestrijding van deze klachten door dan wel onder toezicht van een medicus een behandeling heeft plaatsgevonden, is sprake van genees- of heelkundige hulp als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet.

5. De stelling van de inspecteur dat de medische noodzaak van een behandeling als gevolg van psychische klachten slechts kan worden vastgesteld door een psychiater berust naar het oordeel van het Hof op een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof Amsterdam van 15 juli 1999, nummer 98/04396, omdat in het desbetreffende geval de aanwezigheid van een psychische klacht niet door een medicus was vastgesteld en niet op grond van dergelijke klacht door een medicus tot de desbetreffende ingreep was geadviseerd. Weliswaar is in evenvermelde uitspraak sprake van een verklaring van een medicus, maar daarin verwijst die medicus (slechts) naar de klacht van een patiënt zonder zich daar verder als medicus over uit te spreken en zonder zich uit te spreken over de medische noodzaak van de door hem verrichte ingreep. Ook overigens is het Hof van oordeel dat voor de vraag of – in het kader van de toepassing van artikel 6.17 van de Wet – sprake is van psychische klachten en of op grond daarvan een bepaalde medische behandeling geboden is, in het algemeen niet noodzakelijk het oordeel van een psychiater vereist is. Het ligt in een voorkomend geval op de weg van de inspecteur om bijzondere omstandigheden aan te voeren die maken dat het oordeel van een nader gespecialiseerde medicus vereist is.

6 . Gelet op het vorenstaande komt het Hof tot de slotsom dat het beroep gegrond is.

Proceskosten

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht is niet gebleken.

De uitspraak is gedaan op 30 november 2005 door mr. E.A.G. van der Ouderaa, in tegenwoordigheid van mr. B.A.E.G. Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.