Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU7910

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
13-12-2005
Zaaknummer
04/00011 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op vrijstelling van de omzetbelasting bij de invoer in Nederland van een in Zwitserland gekocht notebook. Belanghebbende voldoet niet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) 918/83, omdat het permanente centrum van zijn belangen ten tijde van deze invoer in Nederland lag.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 21
Douaneregeling 75
Douaneregeling 76
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/19.11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/00011 DK

de dato 22 november 2005

1. De procedure

1.1. Op 30 december 2003 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroep-schrift ingekomen van X te Z, belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 27 februari 2004.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst/Douane P (hierna: de inspecteur) van 14 november 2003, kenmerk ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen na te melden beschikking werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffie-recht van € 116 geheven. De inspecteur heeft op 7 april 2004 een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 30 juni 2005.

Ter zitting zijn verschenen belanghebbende, alsmede namens de inspecteur A en B. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De Douanekamer rekent de pleitnota tot de gedingstukken.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende, Brits staatsburger, bezit een permanente verblijfsvergunning voor Nederland. Volgens de gemeentelijke administratie was het woonadres van belanghebbende in de volgende tijdvakken:

14-01-1999 - 10-03-1999 a-straat (NL)

10-03-1999 - 17-05-2000 b-straat (NL)

17-05-2000 – datum zitting c-straat (NL)

2.2.1. Op 17 juni 2002 trad belanghebbende in dienst bij Swisslinx AG, Zürich, Zwitserland. In het tot de stukken behorende contract te dier zake is als begindatum vermeld 17 juni 2002 en als einddatum 31 december 2002. Als belanghebbendes adres is vermeld c-straat, Netherlands.

2.2.2. Bij overeenkomst van 16 december 2002 kwamen belanghebbende en C te Zürich overeen dat belanghebbende van 1 januari tot 30 juni 2003 bij C in dienst zou zijn. Als belanghebbendes adres is vermeld d-straat Zurich. Dit is het adres waar ook C is gevestigd.

2.3.1. Op 1 juli 2002 heeft het Migrationsamt des Kantons Zürich belanghebbende een Kurzaufenthaltsbewilligung, geldig tot 17 januari 2003 voor geheel Zwitserland, uitgereikt. Als adres van belanghebbende is vermeld c/o C, d-straat, Zürich.

2.3.2. Voorts is op 21 januari 2003 een Kurzaufenthaltsbewilligung, overigens gelijk aan de onder 2.3.1. vermelde, maar geldig tot 16 juni 2003, uitgereikt. Als belanghebbendes adres is vermeld e-straat Zürich.

2.4. Tot de stukken behoort een ‘Untermietvertrag für 2-Zimmer Wohnung’, gedateerd 18 december 2002. Als onderhuurder wordt belanghebbende genoemd, met vermelding van onder meer ‘lebt in Holland, arbeitet bei der D. De overeenkomst liep van 15 januari tot en met 30 juni 2003.

2.5.1. Op 4 juni 2003 kwam belanghebbende via Schiphol het douanegebied van de Europese Unie binnen. Hij verliet de aankomsthal via het groene kanaal als bedoeld in artikel 233, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aanhef en eerste gedachtestreepje, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW). Daarbij werd belanghebbende door de douane gevraagd of hij iets had aan te geven. Het antwoord luidde: “Neen”.

Vervolgens is belanghebbendes bagage gecontroleerd en is een Notebook ... (hierna: het notebook of de laptop) aangetroffen. Blijkens de aankoopfactuur had belanghebbende het notebook op 28 november 2002 gekocht voor Zw.fr. 2.006,55 inclusief Zw.fr. 141,73 aan omzetbelasting.

2.5.2. Tot de stukken behoort een Proces-verbaal, nr. 03/2331, van 4 juni 2003 (hierna: het p.v.). Het p.v. bestaat uit een voorblad met twee bijlagen. De drie bladen zijn alle voorzien van belanghebbendes handtekening. Het p.v. bevat de in het Engels aan belanghebbende gestelde vragen, alsmede de (Engelse) antwoorden daarop.

Kort samengevat staat in voormeld p.v.:

Belanghebbende kocht het notebook in Zürich, hij bezit sedert 1999 een verblijfsvergunning voor Nederland, hij bezit een huis in Nederland, hij is in (NL) ingeschreven, hij heeft sedert vijf of zes jaar een vriendin, die Europees staatsburger is, de verblijfsvergunning voor Zwitserland is gerelateerd aan belanghebbendes werk, belanghebbende had alleen informatie ingewonnen over aan te geven illegale zaken, zoals wapens en dergelijke; belanghebbende is nog steeds inwoner van Zwitserland.

2.6.1. Met dagtekening 4 juni 2003 is aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling, nummer ... uitgereikt ter zake van de invoer van het onder 2.5.1. vermelde notebook. De inspecteur hanteerde de op de aankoopfactuur vermelde waarde, omgerekend € 1.331,00, en berekende de verschuldigde omzetbelasting op 19% daarvan, ofwel op € 252,89.

2.6.2. Bij brief van 15 juli 2003 diende belanghebbende een verzoek in tot terugbetaling van de onder 2.6.1. vermelde omzetbelasting.

2.6.3. Bij beschikking van 24 juli 2003 op het onder 2.6.2. vermelde verzoek verleende de inspecteur een gedeeltelijke teruggaaf - € 58,52 - van omzetbelasting. De inspecteur ging hiervoor uit van een daling van de waarde van het notebook tussen 28 november 2002 en 4 juni 2003 tot € 1.023.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op vrijstelling van omzetbelasting ter zake van de invoer in Nederland van het onder 2.5.1. vermelde notebook.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij ruim twaalf maanden in Zwitserland woonachtig was en dat hij voor de laptop, die hij op 28 november 2002 in Zwitserland had gekocht, geen omzetbelasting in Nederland is verschuldigd. Daarbij komt dat hij omzetbelasting in Zwitserland heeft betaald.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd: De door mij in de arm genomen advocaat heeft gisteren afgezegd. Het is moeilijk mijzelf te vertegenwoordigen. Van juni 2002 tot januari 2003 woonde ik ook in een flat in Zürich. Daarvan heb ik geen officieel contract. Ik huurde hem van de heer C, die in Duitsland woonde. Na de verlenging van het arbeidscontract heb ik de laptop gekocht. Deze heb ik zes maanden in mijn bezit gehad toen ik weer naar Nederland ging. Eind juni 2003 had ik twaalf maanden in Zwitserland gewoond. Ik ging door het groene kanaal, omdat ik ingezetene van Zwitserland was. Het was een weekendtrip, ik kwam toen nog niet terug. De laptop ging na dat weekend weer mee terug. De regels zijn: minimaal twaalf maanden in het buitenland wonen en de laptop zes maanden in gebruik hebben bij terugkeer. Ik ben Europees ingezetene. Doorgaans is Nederland mijn basis. Naast mijn flat in Nederland heb ik een flat in Duitsland. Deze had ik ook al toen ik in Zwitserland woonde. Hetgeen in de pleitnota van de inspecteur staat, kan ik min of meer begrijpen. Een paar details zijn niet juist. Ik kwam niet iedere week in Nederland om mijn vriendin te bezoeken. De desbetreffende passage staat niet in de Engelse tekst, die ik heb getekend. De bij de stukken opgenomen verklaring in het Nederlands heb ik niet getekend. Zij geeft niet de juiste vertaling van de Engelse tekst weer. Het was te duur om iedere week naar Nederland te gaan. Ik ging zes à acht keer per jaar. Verder stond het huis leeg. Dat is ook duur, maar het is moeilijk in Nederland een huis tijdelijk te verhuren. Mijn huis in Duitsland was wel verhuurd. Daar is het opzeggen van de huur voor verhuurders gemakkelijker dan in Nederland. De vertaling impliceert ook dat mijn vriendin in Nederland woonde. Zij woonde in Spanje en Duitsland en ook in Zwitserland bij mij. De waarde waarvan de inspecteur is uitgegaan voor de berekening van de belasting, wordt door mij niet betwist.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1.1. Op grond van artikel 313, tweede lid, onderdeel a, UCDW wordt het notebook aangemerkt als een niet-communautair goed, tenzij de communautaire status naar behoren wordt aangetoond. Het notebook is in Zwitserland aangeschaft en had daarom de niet-communautaire status. Belanghebbende koos op Schiphol het groene kanaal “Niets aan te geven”. Dan worden goederen die tot de reizigersbagage behoren volgens de artikelen 230 en 233 UCDW geacht voor de douaneregeling “in het vrije verkeer brengen” te zijn aangegeven, indien zij voldoen aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) van 28 maart 1983, nr. 918/83, PbEG L 105 (hierna: Vrijstellingsverordening). Artikel 47 van de Vrijstellingsverordening houdt in dat de vrijstelling per reiziger beperkt is tot € 175,00. Aangezien de waarde van het notebook veel hoger is, heeft belanghebbende geen recht op de vrijstelling.

5.1.2. Voorts is het op grond van de artikelen 232, eerste lid, onderdeel a, en 233 UCDW mogelijk persoonlijke bezittingen als bedoeld in artikel 563 UCDW voor de douaneregeling “tijdelijke invoer” aan te geven. Dat is volgens artikel 137 van de Verordening (EEG) van 12 oktober 1992, nr. 2913/92, PbEG 1992, L 302 (hierna: CDW) mogelijk als de niet-communautaire goederen bestemd zijn om na de tijdelijke invoer weer te worden uitgevoerd. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, omdat belanghebbende na afloop van zijn arbeidscontract naar Nederland terugkwam.

5.1.3. Op grond van artikel 184 juncto artikel 212bis CDW kan een vrijstelling onder de daar vermelde voorwaarden eveneens van toepassing zijn, ingeval uit hoofde van artikel 202 CDW een douaneschuld ontstaat. Belanghebbende beroept zich kennelijk op de vrijstelling voor verhuisboedels als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 10 van de Vrijstellingsverordening. Belanghebbende beschikte echter bij de invoer niet over de daarvoor op grond van artikel 76, eerste lid, Douaneregeling vereiste vergunning. Bovendien is het notebook niet aan te merken als een persoonlijk goed, want belanghebbende heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat hij het voor zijn werk had aangeschaft. Ook kan niet worden gezegd dat belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Zwitserland had. Hij heeft een permanente verblijfsvergunning in Nederland, was en is ingeschreven in Nederland, heeft hier een woning, kwam regelmatig in Nederland om zijn vriendin te bezoeken en had een tijdelijk arbeidscontract in Zwitserland. De verblijfsvergunning voor Zwitserland was tijdelijk en hing samen met belanghebbendes werkzaamheden daar.

Ook al zou worden geoordeeld dat belanghebbende gedurende twaalf maanden in Zwitserland heeft gewoond, dan nog is de vrijstelling niet van toepassing, omdat hij niet voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 van de Vrijstellingsverordening

5.1.4. Artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) bepaalt dat omzetbelasting wordt geheven ter zake van de invoer van goederen. Het in Nederland brengen van niet-communautaire goederen wordt volgens artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB aangemerkt als invoer. Niet van belang is dat in Zwitserland reeds omzetbelasting is voldaan.

5.2. Of belanghebbende zijn vriendin iedere week bezocht of minder vaak, maakt geen verschil. Hij heeft al die tijd in Nederland gewoond en was hier ingeschreven. De inschrijvingen bij de gemeenten duiden niet erop dat het huis leeg stond. Voor de inkomstenbelasting is belanghebbende als binnenlands belastingplichtige aangemerkt. Belanghebbende was tijdelijk in Zwitserland voor zijn werk. Tot de stukken behoort alleen maar een huurcontract voor zes maanden. Volgens de inschrijvingen bij de gemeenten woont een dame bij belanghebbende en verhuist zij steeds met hem mee. Ook al woonde zij in Duitsland: zij had haar woonplaats in de E.U. Belanghebbende zegt dat hij de laptop voor zijn werk gebruikt. Artikel 563 UCDW kan dan geen toepassing vinden. Belanghebbende had het rode kanaal moeten gebruiken. Naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende verzoek om teruggaaf is een verlaging van de waarde toegepast. De waarde is niet in geschil.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In artikel 1, aanhef en onderdeel d, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) is bepaald dat omzetbelasting wordt geheven ter zake van de invoer van goederen. Artikel 18, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet OB bepaalt, voor zover hier van belang, dat invoer van goederen is het brengen in Nederland van niet-communautaire goederen.

6.2.1. Belanghebbendes stelling komt erop neer dat hij uit hoofde van zijn werkzaamheden gedurende twaalf maanden in Zwitserland heeft gewoond en dat hij bij zijn terugkeer in Nederland met betrekking tot de laptop recht kan doen gelden op de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 10 van de Vrijstellingsverordening (de vrijstelling voor verhuisboedels).

Ingevolge artikel 21 van de Wet op de omzetbelasting 1968 jo. de artikelen 75 en 76 van de Douaneregeling geldt deze vrijstelling mede voor de omzetbelasting.

6.2.2. Blijkens artikel 2 Vrijstellingsverordening zijn van rechten van invoer vrijgesteld de persoonlijke goederen, ingevoerd door natuurlijke personen die hun normale verblijfplaats naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengen. Ingevolge artikel 4 Vrijstellingsverordening komen voor deze vrijstelling alleen personen in aanmerking die hun normale verblijfplaats sedert tenminste twaalf opeenvolgende maanden buiten het douanegebied van de Gemeenschap hebben gehad.

Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of belanghebbende gedurende de periode 17 juni 2002 tot en met 16 juni 2003 zijn normale verblijfplaats in Zwitserland heeft gehad. Het Hof van Justitie heeft ten aanzien van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ geoordeeld dat dit de plaats is waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft (onder meer de arresten van 23 april 1991, zaak nr. C-297/89 (Ryborg), Jur. 1991, blz. 1943 en van 12 juli 2001, C-262/99 (Louloudakis), Jur. 2001, I-5547). In deze arresten heeft het Hof van Justitie ten aanzien van de gewone verblijfplaats in artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 83/182/EEG van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap overwogen dat het permanente centrum van de belangen moet worden bepaald aan de hand van alle in voormelde bepaling vermelde criteria en van alle relevante feitelijke elementen. Voorts overwoog het Hof van Justitie dat, ingeval het niet mogelijk is vast te stellen waar dat centrum is gelegen, voorrang moet worden gegeven aan de persoonlijke bindingen. In zijn arrest van 20 december 2002, nummer 36 579 (DR 2003/26) heeft de Hoge Raad in 3.2. overwogen dat voor de toepassing van artikel 2 Vrijstellingsverordening met voorbijgaan aan nationale wettelijke bepalingen, zoals in het bijzonder artikel 75, tweede lid, van de Douaneregeling, moet worden vastgesteld welke de betekenis is van het communautaire begrip normale verblijfplaats. Voorts overwoog de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3. dat, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, in de communautaire douanewetgeving de begrippen “normale verblijfplaats” en “gewone verblijfplaats” als synoniemen worden gebruikt.

6.2.3. Op grond van het onder 6.2.2. overwogene moet mitsdien worden vastgesteld waar belanghebbende gedurende de periode 17 juni 2002 tot en met 16 juni 2003 het permanente centrum van zijn belangen had. Voor de vaststelling daarvan acht de Douanekamer de volgende feiten en omstandigheden van belang:

- belanghebbende heeft een permanente verblijfsvergunning voor

Nederland;

- belanghebbende is vanaf 14 januari 1999 tot aan de datum van de zitting zonder onderbreking in Nederlandse gemeentelijke administraties opgenomen;

- belanghebbende is eigenaar van de woning te ..(NL)n waarin hij vanaf 17 mei 2000 als bewoner staat geregistreerd;

- belanghebbende wordt als binnenlands belastingplichtige in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt;

- belanghebbende bezocht in de bewuste periode diverse malen zijn vriendin, sedert 17 juni 1999 woonachtig op hetzelfde adres in Nederland als belanghebbende;

- belanghebbende verbleef in Zwitserland op basis van twee voor zes maanden met C gesloten arbeidscontracten;

- de aan belanghebbende verstrekte Kurzaufenthaltsbewilligungen waren gerelateerd aan de twee tijdelijke arbeidscontracten bij C;

- belanghebbende had in Zwitserland een onderhuurcontract voor vijf en een halve maand.

Op grond van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de Douanekamer van oordeel dat belanghebbende in de genoemde periode het permanente centrum van zijn belangen in Nederland had.

6.2.4. Aan het hiervoor overwogene doet niet af dat belanghebbendes huis in ..(NL) volgens zeggen van belanghebbende doorgaans leeg stond, omdat verhuur voor korte tijd vanwege de hier te lande geldende huurbescherming niet haalbaar was, anders dan in Duitsland waar een andere aan belanghebbende toebehorende woning wel op tijdelijke basis wordt verhuurd. Evenmin doet hieraan af dat belanghebbende in Zürich ook vóór 15 januari 2003 een woning in onderhuur zou hebben gehad.

6.3. Belanghebbende heeft derhalve geen recht op de vrijstelling voor verhuisboedels, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 10 van de Vrijstellingsverordening. Voor zover belanghebbende zich beroept op de vrijstelling, genoemd onder 5.1.1., of op de regeling voor tijdelijke invoer, genoemd onder 5.1.2., faalt het beroep eveneens, aangezien aan de voor de toepassing van die bepalingen geldende voorwaarden evenmin is voldaan.

6.4. Op grond van al het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 22 november 2005 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. H.J. Bronkhorst, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.