Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU6511

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
677/04 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Spoedeisend belang bij ontruiming aannemelijk maken. Afgewogen tegen belang huurder bij voortzetting bedrijf. Enkele aanwezigheid onder bedrijfsruimte van hennepkwekerij maakt ernstige, toerekenbare tekortkoming niet aannemelijk. Nader onderzoeken of huurder op de hoogte was. Leent kort geding zich niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DE RONDE VENEN,

zetelend te Mijdrecht,

APPELLANTE,

procureur: mr. C.B.M. Scholten van Aschat,

t e g e n

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. I. de Vos.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna de gemeente en [geïntimeerde] genoemd.

1.2. Bij dagvaarding van 24 maart 2004 is de gemeente in hoger beroep gekomen van een vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te Utrecht op 26 februari 2004 onder KG-nummer 172425/KGZA 04/42 heeft gewezen in het geding tussen de gemeente als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

1.3. Bij memorie van grieven heeft de gemeente drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd – zakelijk weergegeven – dat het hof het vonnis waarvan beroep, uitgesproken tussen de gemeente als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de gemeente strekkende tot ontruiming van het gehuurde door [geïntimeerde] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

1.4. Hierop heeft [geïntimeerde] bij memorie geantwoord, producties in het geding gebracht en geconcludeerd – naar het hof verstaat – dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep.

1.5. Tenslotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in 2 onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten in deze zaak vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, met dien verstande dat onder 2.4 een kennelijke verschrijving staat vermeld ten aanzien van de datum van opzegging ‘per 1 januari 2003’. Dit moet zijn ‘per 1 januari 2004’.

4. Beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

a) Op 7 november 1990 hebben de gemeente als verhuurster en [geïntimeerde] als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel grond met de daarop aanwezige bedrijfsruimte en toebehoren, staande en gelegen nabij de [adres] te [plaats].

b) Op of rond 12 december 2003 is door de politie – ten tijde van bluswerkzaamheden als gevolg van een brand in de bedrijfsruimte – onder de vloer van deze bedrijfsruimte aan de achterzijde een hennepkwekerij aangetroffen. De toegang tot de ruimte is slechts mogelijk vanuit een nabij de bedrijfsruimte gelegen hok, waarin zich in de bodem een luik bevindt. Als gevolg van de brand is de bedrijfsruimte ten dele beschadigd. De oorzaak van de brand is onbekend gebleven.

c) Bij brief van 9 oktober 2003 heeft de gemeente aan [geïntimeerde] meegedeeld, dat het gebruik van de bedrijfsruimte als hennepkwekerij strijdig is met de daartoe in de huurovereenkomst vastgestelde bestemming en voorts in strijd is met hetgeen een goed huurder betaamt. De gemeente heeft in genoemde brief de huurovereenkomst per 1 januari 2004 opgezegd en tevens ontruiming aangezegd.

d) Bij brief van 6 januari 2004 heeft de gemeente [geïntimeerde] meegedeeld dat er sprake was van een huurachterstand. In diezelfde brief heeft de gemeente [geïntimeerde] gesommeerd de gehuurde bedrijfsruimte uiterlijk op 15 januari 2004 te ontruimen. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

4.2. In de dit geding inleidende dagvaarding heeft de gemeente -kort gezegd – de ontruiming door [geïntimeerde] van het gehuurde gevorderd. In reconventie vorderde [geïntimeerde] veroordeling van de gemeente om het door de brand beschadigde deel van de bedrijfsruimte te herstellen op straffe van een dwangsom.

De voorzieningenrechter heeft de vordering in conventie van de gemeente afgewezen en de vordering in reconventie van [geïntimeerde] toegewezen.

4.3. Hoewel het petitum van de appèldagvaarding zich tevens richt tegen het vonnis, in reconventie gewezen, moet op grond van de (toelichting op de) grieven en de wijze waarop de conclusie van de memorie van grieven is geformuleerd worden aangenomen dat de gemeente haar appèl heeft beperkt tot de afwijzing van haar vordering in conventie.

4.4. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De gemeente bestrijdt het in rechtsoverweging 3.9 van het vonnis weergegeven oordeel van de voorzieningenrechter, dat op grond van de omstandigheden van dit geval niet langer gevreesd hoeft te worden voor de door de gemeente gestelde overlast of gevaar en dat de gevorderde ontruiming reeds daarom wegens gebrek aan spoedeisend belang dient te worden afgewezen.

4.5. De gemeente heeft ten aanzien van de spoedeisendheid van haar vordering slechts gesteld dat met de aard van haar vordering de spoedeisendheid reeds is gegeven. Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Mede gelet op de ingrijpendheid van een dergelijke voorziening dienen nadere omstandigheden te worden gesteld en aannemelijk gemaakt – zoals een ernstige, toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van diens uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen – en wel van zodanig ernstige aard dat zij ter voorkoming van verdere schade belang heeft bij onverwijlde ontruiming van het gehuurde.

4.6. Tussen partijen staat vast dat de hennepkwekerij inmiddels is verwijderd. Voorts bieden de stellingen van de gemeente onvoldoende aanknopingspunt om de gestelde vrees te rechtvaardigen, dat op of in het gehuurde wederom een dergelijke kwekerij zal worden opgezet. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de gemeente een zodanig spoedeisend belang heeft bij onverwijlde ontruiming van het gehuurde door [geïntimeerde], dat zij de uitkomst van een bodemprocedure niet behoeft af te wachten, een en ander afgewogen tegen het grote belang van [geïntimeerde] bij voortzetting van zijn bedrijf op en in het gehuurde.

De grieven stuiten reeds hierop af.

4.7. Ten overvloede wordt het volgende opgemerkt.

Anders dan de gemeente heeft verdedigd valt op grond van het enkele feit dat zich onder de bedrijfsruimte een hennepkwekerij heeft bevonden niet zonder meer aan te nemen dat [geïntimeerde] zich aan een ernstige, hem toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder heeft schuldig gemaakt, die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.

In dit verband heeft [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden dat hij van de aanwezigheid van die kwekerij op de hoogte was. Uit de ten processe overgelegde verklaringen, noch uit de door de gemeente overgelegde foto’s kan in dit stadium met voldoende mate van waarschijnlijkheid het tegendeel worden afgeleid. Op dit punt zal nader onderzoek moeten plaatsvinden, waarvoor een geding als het onderhavige zich niet leent. Ook hierop zou het hoger beroep hebben moeten stranden.

5. Slotsom

5.1. Nu de grieven falen moet het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd.

5.2. De gemeente zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de gemeente tot betaling van de proceskosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.182,-;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ingelse, Westermann-van Rooyen en Mout-Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2005.