Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU6116

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
16-11-2005
Zaaknummer
04/00415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensbelasting. Waardering 100% aandelenpakket in technische handelsonderneming: uitgaan van tweemaal intrinsiek plus eenmaal rentabiliteitswaarde gedeeld door 3. De rentabiliteitswaarde wordt gesteld op 7 maal de jaarwinst na belastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 1618
FutD 2005-2271
V-N 2006/7.18

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 28 januari 2004, ingediend door A ( Accountantskantoor A te Y) als gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 december 2003, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 2000.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een vastgesteld vermogen van ? 2.211.189. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een vastgesteld vermogen van ? 2.005.275.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een vermogen van ? 787.151.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 22 november 2004 zijn verschenen de gemachtigde alsmede namens de inspecteur mr. B.

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is enig aandeelhouder van C Technische Handelsonderneming “D” Holding B.V. (verder: de B.V.). Deze B.V. houdt alle aandelen in C Technische Handelsonderneming “D” B.V. (verder: de dochtermaatschappij). Het bedrijf van de dochtermaatschappij is het inkopen en verkopen van onder andere kabels en andere installatiematerialen bestemd voor computerhardware. Klanten zijn vooral bankinstellingen. In de aangifte vermogensbelasting voor het jaar 2000 heeft belanghebbende omtrent de waarde van de aandelen in de B.V. het volgende vermeld (in guldens):

Aandelenkapitaal C

D Holding B.V. ? 39.239,--

Reserve 2.243.828,77

Af: Vpb 1999 550.792,--

1.693.036,77

Af: Vpb 1995/1996

naheffing 240.207,--

1.452.829,77

1.492.068,77

Waarderingscorrectie Onroerende Zaken 19.016,--

1.511.084,77

Ondernemingsvrijstelling

( ? 219.000 + 68% x ? 1.292.084,77) 1.097.617,64

? 413.467,13

Latente belastingschulden

Aanm. Belang

? 1.511.084,77 -/- ond.vrijst 413.467,13

Waarde fiscaal aandeel 39.239,--

6,25% x 374.228,13 ? 23.389,--

2.2. Blijkens de commerciële jaarrekening is het (geconsolideerde) vermogen van de B.V. per 31 december 1999 als volgt samengesteld (in guldens):

Eigen vermogen

Fiscaal vermogen ? 39.239,00

Reserves 2.217.793,79

Resultaat na belastingen

van het boekjaar 1.028.927,69

?3.285.960,48

Onder de “kortlopende schulden” is in de jaarrekening onder meer opgenomen een post vennootschapsbelasting ad ? 550.792.

2.3. Het (geconsolideerde) resultaat van de B.V. na vennootschapsbelasting beliep, blijkens de commerciële jaarrekening, in het jaar 1999 ? 1.028.927,69 en in het jaar 1998 ? 1.253.660,89. Het resultaat na vennootschapsbelasting van het jaar 1997 beliep meer dan ? 1 miljoen.

2.4. De inspecteur heeft bij de aanslagregeling de volgende correcties aangebracht:

Bij: meerwaarde pakket aanmerkelijk belangaandelen ? 4.174.875

Af: meer ondernemingsvrijstellling ? 2.838.916

Af: meer latente belastingschulden ? 83.498

Bij: Correctie belastingschulden IB/PVV 1996 ? 171.577

De meerwaarde van de aandelen ad ? 4.174.875 is als volgt berekend:

Intrinsieke waarde (conform Vpb 1999) ? 3.285.960

Goodwill 3.000.000

Latente vennootschapsbelasting 20% -600.000

Waarde 5.685.960

Aangegeven waarde 1.511.085

Correctie ? 4.174.875

2.5. In de uitspraak op bezwaar is de waarde van de aandelen als volgt berekend:

Winst na Vpb (gemiddelde 1998-99 afgerond) ? 1.100.000

Factor 10

Rentabiliteitswaarde 11.000.000

Intrinsieke waarde 3.286.000

Berekening:

(1 x RW + 2 x IW) / 3 ? 5.857.333

Daarnaast is alsnog rekening gehouden met een op de waarde van de aandelen in mindering te brengen bedrag aan vennootschapsbelasting, voortvloeiende uit een boekenonderzoek, van ? 240.207. De correctie belastingschulden IB/PVV 1996 ad ? 171.577 is ongedaan gemaakt.

2.6. Omtrent de bestemming van het resultaat van de B.V. is in artikel 14 van de statuten onder meer het volgende bepaald:

“De winst staat ter beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders, die deze geheel of gedeeltelijk kan bestemmen tot vorming van of storting in een of meer algemene of bijzondere reservefondsen.”

3. Geschil

In geschil is de waarde van de aandelen, en in het bijzonder of voor de waardering uitsluitend moet worden uitgegaan van de intrinsieke waarde van de aandelen, zoals belanghebbende voorstaat. Daarbij is tevens in geschil of voor de bepaling van de intrinsieke waarde van de aandelen:

a. het resultaat van het jaar 1999 onderdeel uitmaakt van het in aanmerking te nemen vermogen van de B.V.;

b. de over het jaar 1999 te betalen vennootschapsbelasting in mindering moet worden gebracht op de in het vermogen van de B.V. opgenomen post “overige reserves”;

c. indien de onder a. weergegeven vraag bevestigend wordt beantwoord: belanghebbende desalniettemin het resultaat van het jaar 1999 voor de berekening van de intrinsieke waarde van de aandelen uit het vermogen van de B.V. mag elimineren op grond van het vertrouwensbeginsel.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

4.2. Namens belanghebbende is ter zitting het volgende gesteld:

Potentiële kopers van de aandelen kijken naar het aandelenkapitaal en de gerealiseerde reserves. Onverdeelde winsten zeggen hen niets. De onverdeelde winst hoeft niet aan de reserves te worden toegevoegd. De vergadering van aandeelhouders beslist of de winst aan de reserves wordt toegevoegd of wordt uitgedeeld. Het is ook mogelijk dat de winst onverdeeld blijft; zolang dat het geval is maakt de winst geen deel uit van de intrinsieke waarde. Niet kan worden gezegd dat de onverdeelde winst dan, indirect, tot het vermogen van belanghebbende behoort. Het is ook mogelijk dat de B.V. besluit de onverdeelde winst uit te keren aan een goed doel.

Het standpunt van belanghebbende is dat enerzijds met de bruto onverdeelde winst vóór vennootschapsbelasting geen rekening mag worden gehouden bij het bepalen van de intrinsieke waarde, maar dat anderzijds met die verschuldigde vennootschapsbelasting wel rekening gehouden moet worden omdat dat een reële schuld is. Het bedrag van die schuld moet dan in mindering worden gebracht op de reserves van de B.V. en verlaagt zo de intrinsieke waarde. Het kantoor van de gemachtigde berekent zo al jaren de intrinsieke waarde van aandelen en de inspecteur heeft daar nooit opmerkingen over gemaakt.

Er kon geen compromis worden bereikt over de waarde van de aandelen omdat de inspecteur bij de intrinsieke waarde wel de onverdeelde winst in aanmerking neemt. Belanghebbende heeft in 1998 geprobeerd de onderneming te verkopen. Toen werd er niet meer dan ? 500.000 voor de goodwill geboden. Er is niet of nauwelijks sprake van goodwill. Er is inderdaad veel winst gemaakt; belanghebbende heeft het personeelsbestand van de B.V. uitgebreid en dat personeel heeft goed werk gedaan. De omzet is inmiddels wel teruggelopen tot ongeveer 65% van de omzet in 1999. Belanghebbende is essentieel voor het succes van de B.V.

In de berekening van de goodwill op ? 1.420.650, zoals de inspecteur bij wege van compromis heeft voorgesteld, kon belanghebbende zich wel vinden.

Nu het kantoor van de gemachtigde al jarenlang voor de berekening van de intrinsieke waarde de onverdeelde winsten elimineerde, kan belanghebbende erop vertrouwen dat dat ook bij hem zo mag. Er is sprake van beleid van de inspecteur. Belanghebbende beroept zich niet zozeer op het gelijkheidsbeginsel.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting het volgende gesteld:

De gemachtigde verwijst naar aangiften die onder een bepaald beconnummer zijn gedaan voor zijn beroep op het vertrouwensbeginsel. Ik heb daar geen onderzoek naar gedaan. De bewijslast ligt echter bij belanghebbende en die heeft geen belastingplichtigen genoemd waarbij de intrinsieke waarde van aandelen zo is berekend als hij nu voorstaat. Uitdrukkelijk wordt betwist dat op de eenheid P of elders deze berekeningsmethodiek op grond van beleid wordt geaccepteerd.

Bij de inbreng van de onderneming in de B.V. heeft belanghebbende een goodwill van ? 260.000 berekend bij een veel lagere winst. Dat de inspecteur het met dat bedrag aan goodwill niet eens was, is niet relevant. Er is geen wanverhouding tussen de goodwill toen en nu, gezien de stijging van de winst.

Het is mogelijk dat een groot deel van de winstcapaciteit aan de persoon van de ondernemer kleeft. Belanghebbende heeft echter eerder zelf gesteld dat dat in het onderhavige geval niet zo is.

Voor de berekening van de rentabiliteitswaarde ben ik uitgegaan van een normaal rendement op staatsobligaties van 5% en van een risico-opslag van ook 5%. Het risico kan wat hoger zijn, maar niet zo hoog als belanghebbende stelt.

De berekening van de goodwill op ? 1.420.650 is een poging geweest om een compromis te bereiken.

In de brief van 4 december 2003 wordt voor de goodwillberekening uitgegaan van de gemiddelde winst van 1998 en 1999. De winst van het jaar 1997 was ongeveer even hoog en zeker meer dan ? 1 miljoen.

Bij de berekening van de intrinsieke waarde houdt belanghebbende geen rekening met het gegeven dat hij in de algemene vergadering van aandeelhouders, die aan een eventuele verkoop van de aandelen vooraf gaat, kan beschikken over de onverdeelde winst. Een potentiële koper gaat uit van wat er in kas is, en daar hoort de onverdeelde winst bij. Niets belette belanghebbende om op 31 december 1999 een algemene vergadering van aandeelhouders te houden om de bestemming van de winst te bepalen.

Ik constateer dat de gemachtigde geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat de inspecteur zijn wijze van berekening van de intrinsieke waarde heeft geaccepteerd.

De stelling van belanghebbende dat in 1998 ? 500.000 voor de onderneming is geboden, is niet eerder te berde gebracht en is tardief. Overigens wordt deze stelling betwist bij gebrek aan wetenschap.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op grond van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (verder: de Wet) - voor zover hier van belang - worden bezittingen in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, waarbij het derde lid van dat artikel bepaalt dat bezittingen die behoren tot wat in het economische verkeer als een eenheid wordt beschouwd in aanmerking moeten worden genomen met inachtneming van die omstandigheid. Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen in de B.V. op 1 januari 2000 tot belanghebbendes vermogen behoorden en klaarblijkelijk evenmin dat voor de waardering van deze aandelen de geconsolideerde balans en de geconsolideerde winsten van de B.V. en haar dochtervennootschap tot uitgangspunt kunnen worden genomen. Het Hof sluit zich hierbij aan. Alsdan dient voor de beoordeling van de waarde in het economische verkeer van de aandelen in de B.V. op dat tijdstip te worden uitgegaan van de prijs, die bij aanbieding van het gehele pakket aandelen ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde daarvoor zou worden besteed.

5.2. Uit de stukken blijkt dat de B.V. in de jaren 1997, 1998 en 1999 winsten heeft gemaakt van gemiddeld tenminste ? 1,1 miljoen na belastingen. Tevens blijkt dat tot de financiële vaste activa per 31 december 1998 alleen vorderingen behoorden tot een bedrag van ? 207.956, en per 31 december 1999 vorderingen tot een bedrag van ? 162.936,33 alsmede een in 1999 verworven deelneming in een chateau in Frankrijk van ? 1.193.499,24 en dat de winsten in zowel 1998 als 1999 nagenoeg geheel werd gerealiseerd in de technische handelsonderneming. Onder zodanige omstandigheden acht het Hof aannemelijk dat een koper van de aandelen voor de deelneming in het chateau, de liquide middelen en vorderingen in beginsel de intrinsieke waarde zou willen betalen en voor het vermogen van de B.V. voor zover dit betrokken is bij de technische handelsonderneming een aan de hand van de rentabiliteitswaarde van die onderneming te bepalen waarde, en dat hij op basis van deze uitgangspunten de prijs voor het totale aandelenpakket zou vaststellen op een combinatie van intrinsieke en rentabiliteitswaarde. Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat tweemaal de intrinsieke waarde en eenmaal de rentabiliteitswaarde gedeeld door drie een goede benadering is van de waarde van de aandelen voor een potentiële koper.

5.3. Het Hof zal allereerst vaststellen wat de intrinsieke waarde van de aandelen is per 1 januari 2000, nu dat het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is.

5.3.1. Uitgangspunt van de intrinsieke waarde vormt het eigen vermogen van de B.V. zoals dat uit de jaarrekening blijkt, gecorrigeerd voor stille reserves.

5.3.2. In het onderhavige geval is niet gesteld of gebleken dat in de op de balans vermelde activa, meer stille reserves zijn begrepen dan het door belanghebbende in de aangifte opgevoerde bedrag van ? 19.016. Nu het hierbij gaat om een relatief gering bedrag aan stille reserves en de inspecteur bij zijn berekening van de intrinsieke waarde van de aandelen met deze, overigens niet in geschil zijnde, post geen rekening houdt, zal ook het Hof dit bedrag niet in aanmerking nemen.

5.3.3. Tot het eigen vermogen van de B.V. behoort naar het oordeel van het Hof naast het gestorte aandelenkapitaal de gehele winstreserve, derhalve zowel de in voorgaande jaren gerealiseerde winsten welke bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (verder: ava) aan de reserves zijn toegevoegd als de in het aan de balansdatum voorafgaande boekjaar gerealiseerde winst waaromtrent nog geen bestemming is bepaald. Uit hetgeen omtrent de winstbestemming in de statuten is bepaald volgt immers dat de winst ter beschikking van de vergadering van aandeelhouders staat en daarmee tot het vermogen van de B.V. behoort zolang de algemene vergadering van aandeelhouders omtrent de bestemming van die winst nog geen beslissing heeft genomen.

5.3.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het in de jaarstukken vermelde vermogen dient te worden gecorrigeerd met een bedrag van ? 240.207 in verband met nog in aanmerking te nemen vennootschapsbelasting.

5.3.5. Op grond van het onder 5.3.1. tot en met 5.3.4. overwogene kan de intrinsieke waarde dan worden berekend op ? 3.285.960 min ? 240.207 is afgerond ? 3.045.000.

5.3.6. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat bij de hiervoor opgenomen berekening van de intrinsieke waarde nog rekening moet worden gehouden met een aftrekpost van ? 550.792 wegens over het jaar 1999 verschuldigde vennootschapsbelasting, is die stelling ongegrond. Uit de jaarstukken van de B.V. leidt het Hof af dat met die aftrekpost reeds is rekening gehouden bij het bepalen van de schulden van de B.V.

5.4. Voor wat betreft de rentabiliteitswaarde dient naar het oordeel van het Hof uitgegaan te worden van de gemiddelde winsten na belastingen van de jaren 1997 tot en met 1999. Niet in geschil is dat die winsten gemiddeld uitkomen op ongeveer ? 1,1 miljoen. Het Hof volgt de inspecteur in zijn – door belanghebbende niet weersproken – uitgangspunt dat als normrendement kan gelden het rendement op staatsobligaties van 5%. Maar het Hof is van oordeel dat de risico’s die zijn verbonden aan de aard van een handelsonderneming met een beperkt aantal specifieke producten, mede gezien de aard van die producten, een hogere risico-opslag rechtvaardigen dan de door de inspecteur gehanteerde opslag van 5%. Het Hof stelt in goede justitie de rentabiliteitswaarde van de aandelen vast op 7 x de winst na belastingen of ? 7,7 miljoen.

5.5. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde ontkenning van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake is of is geweest van een beleid van de inspecteur om bij de bepaling van de intrinsieke waarde van aandelen geen rekening te houden met de in het aan de balansdatum voorafgaande boekjaar gerealiseerde winst waaromtrent nog geen bestemming is bepaald. Evenmin heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat een dergelijk – onjuist – uitgangspunt door de inspecteur is of pleegde te worden gehanteerd ten aanzien van andere belastingplichtigen. Tot slot is ook niet aannemelijk geworden dat de inspecteur hieromtrent enige toezegging aan belanghebbende heeft gedaan. Het enkel volgen door de inspecteur van de aangiften van belanghebbende in voorgaande jaren kan niet tot het in rechte te honoreren vertrouwen leiden dat de inspecteur de wijze waarop in die aangiften de waarde van de aandelen is berekend, heeft geaccordeerd of dat de inspecteur ook voor volgende jaren de aangifte zal volgen. Het Hof verwerpt mitsdien belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel en, voor zover belanghebbende zich ook op het gelijkheidsbeginsel heeft willen beroepen, eveneens belanghebbendes beroep op dat beginsel.

5.6. Het onder 5.1. tot en met 5.5. overwogene leidt tot een waarde van de aandelen van (? 7.700.000 + ? 3.045.000 + ? 3.045.000) gedeeld door 3 = afgerond ? 4.600.000.

5.7. Belanghebbendes vermogen per 1 januari 2000 kan dan als volgt worden berekend:

Aangegeven vermogen ? 787.151

Meerwaarde aandelen

Waarde aandelen 4.600.000

Aangegeven 1.511.084

Correctie 3.088.916

Ondernemingsvrijstelling

Basisvrijstelling 219.000

Meerdere: 68%x(4.600.000-219.000) 2.979.080

Vrijstelling totaal 3.198.080

Aangegeven 1.097.618

Correctie -2.100.462

Latente inkomstenbelasting

6,25%x(4.600.000-3.198.080-39.239) 85.168

Aangegeven 23.389

Correctie -61.779

Vermogen wordt ? 1.713.826

Nu bij de uitspraak het vermogen was vastgesteld op ? 2.005.275 is het beroep derhalve gegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten gesteld op € 966 (2 punten voor proceshandelingen à € 322, met toepassing van factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een vermogen van ƒ 1.713.000 (€ 777.325,51);

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 966 en wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende zal voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 26 januari 2005 door mrs. D.B. Bijl, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van mr. H.H. de Rijk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.