Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU5710

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-02-2005
Datum publicatie
07-11-2005
Zaaknummer
1561/04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing in een gesloten inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 7 februari 2005 in de zaak met rekestnummer 1561/04 van:

[...],

thans verblijvende in de Justitiële Jeugdinrichting ‘de Heuvelrug’, locatie [...] te Zeist,

APPELLANTE,

procureur: mr. A. Volders,

t e g e n

DE STICHTING BUREAU JEUGDZORG UTRECHT,

Locatie Zuid,

gevestigd te Nieuwegein,

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk [de minderjarige] en BJU genoemd.

1.2. [De minderjarige] is in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 7 december 2004 en van 17 december 2004 van de kinderrechter van de rechtbank te Utrecht, met rekestnummer 187728 / JE RK 04-1457.

1.3. BJU heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 7 februari 2005 ter zitting behandeld. Na de behandeling van de zaak is door het hof terstond ter zitting in het openbaar uitspraak gedaan.

1.5. [...], hierna de vader, is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2. De feiten

2.1. [De minderjarige] is geboren [in] 1989 uit het huwelijk tussen de vader en [...] (hierna: de moeder). Het huwelijk is in 1991 door inschrijving van de echtscheidingsbeslissing ontbonden. De vader oefent het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige]. De moeder heeft geen contact met haar. [De minderjarige] heeft een oudere zus, [...].

2.2. [De minderjarige] is met ingang van 27 maart 1998 onder toezicht gesteld van BJU als gezinsvoogdij-instelling. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 25 maart 2004 van de kinderrechter van de rechtbank te Utrecht met ingang van 27 maart 2004 verlengd voor de duur van een jaar.

2.3. BJU heeft op 6 januari 2005 een evaluatie en hulpverleningsplan gezinsvoogdij opgesteld. Uit dit plan komt naar voren dat er sinds 1995 sprake is van een zorgelijke ontwikkeling van [de minderjarige]. Nadat er regelmatig meldingen kwamen van een zorgwekkende thuissituatie – er zou sprake zijn van verwaarlozing - werd [de minderjarige] in 1998 onder toezicht gesteld van BJU. Vanaf 2000 werd [de minderjarige] in verband met een zorgelijke schoolontwikkeling en toenemende gedragsproblemen eerst uit huis geplaatst in een netwerk-pleeggezin en daarna in diverse open en besloten instellingen voor jeugdzorg en behandeling. De gedragsproblemen van [de minderjarige] lijken, aldus het plan, voort te vloeien uit een problematische voorgeschiedenis. Vanaf haar kinderjaren is er sprake van discontinuïteit in sleutelfiguren en de vader heeft [de minderjarige], ondanks zijn liefde voor haar, onvoldoende zorg, structuur en continuïteit geboden.

Met betrekking tot haar ontwikkeling komt uit het plan naar voren dat [de minderjarige] cognitief op een laaggemiddeld niveau functioneert. Zij heeft een onderwijsachterstand, waardoor zij veel uitleg en begeleiding nodig heeft. Er zou sprake zijn van een lacunaire gewetensontwikkeling.

Het plan vermeldt voorts dat de huidige gedragsproblemen van [de minderjarige] bestaan uit het plegen van winkeldiefstallen en frequent weglopen. [De minderjarige] is gericht op invulling van haar wensen en zij is zeer moeilijk te motiveren. Sancties deren haar niet en het ontbreekt haar aan inzicht dat er iets moet veranderen. Daarnaast bestaan er zorgen over de psycho-seksuele ontwikkeling van [de minderjarige]: zij zoekt risicovolle situaties op doch zij ervaart deze situaties niet als risicovol.

De conclusie van het hulpverleningsplan luidt dat een besloten setting onvoldoende begrenzing kan bieden aan [de minderjarige] en dat een gesloten behandeling haar, naast begrenzing, bescherming kan bieden tegen de risico’s die zij opzoekt.

2.4. [De minderjarige] verblijft sinds 28 december 2004 in de Justitiële Jeugdinrichting ‘de Heuvelrug’, locatie [...] te Zeist.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking van 7 december 2004 is – in afwachting van het verhoor van belanghebbenden - met ingang van dezelfde datum machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten inrichting voor de duur van één maand en de beslissing voor het overige aangehouden.

Bij de bestreden beschikking van 17 december 2004 is deze machtiging met ingang van 17 december 2004 verlengd tot 27 maart 2005 en bepaald dat de machtiging zonodig ten uitvoer gelegd kan worden als sociale bewaring, uiterlijk tot en met 20 december 2004.

3.2. [De minderjarige] verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en BJU te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

3.3. BJU verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De eerste grief van [de minderjarige] richt zich tegen de beslissing van de kinderrechter, dat de verleende machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten voorziening zonodig ten uitvoer kan worden gelegd als sociale bewaring. [De minderjarige] heeft aangevoerd dat het verzoek van BJU tot sociale bewaring niet op de wet is gegrond en dat politiebureaus niet vallen onder de inrichtingen, welke op grond van artikel 1:261 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als gesloten in de zin van dit artikel worden aangemerkt. Het verzoek had haars inziens derhalve afgewezen moeten worden.

BJU heeft de ontvankelijkheid aan de orde gesteld en aangevoerd dat de termijn van de sociale bewaring inmiddels is verstreken zodat [de minderjarige] geen belang heeft bij haar hoger beroep.

4.2. Het hof overweegt dat de eerste grief in zoverre slaagt, dat een verzoek tot sociale bewaring niet op de wet is gegrond, doch dat [de minderjarige], gelet op het feit dat de termijn is verstreken en de maatregel ten uitvoer is gelegd, geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij deze grief. In dit verband wordt voorts nog overwogen dat dit onderdeel van de beslissing niet het dragend element van die beslissing was.

4.3. In haar tweede grief heeft [de minderjarige] aangevoerd dat de kinderrechter de beslissing tot het verlenen en verlengen van de machtiging op grond van onjuiste en oncontroleerbare informatie heeft genomen.

4.4. BJU heeft deze stelling betwist en aangevoerd dat zij die informatie aan de kinderrechter heeft verstrekt, die op dat moment beschikbaar was. BJU heeft voorts betoogd dat [de minderjarige] regelmatig het initiatief neemt om weg te lopen en risicovolle situaties op te zoeken. Zij onttrekt zich aan regels en staat niet open voor een behandeling, waardoor plaatsing in een open of besloten kader niet haalbaar is.

4.5. De Raad heeft ter zitting verklaard het van belang te achten dat de hulpverlening aan [de minderjarige] in een gesloten inrichting wordt voortgezet.

4.6. Ter zitting is gebleken dat er, naast de onderliggende gedrags-problematiek van [de minderjarige], ernstige zorgen over

haar bestaan in verband met de recente gebeurtenissen, die aanleiding zijn geweest voor het inleidend verzoek van BJU, en die te maken hebben met het weglopen van [de minderjarige] op 17 november 2004 uit Groot Emaus, een besloten inrichting. Gebleken is dat er geruime tijd onzekerheid heeft bestaan over de verblijfplaats van [de minderjarige] en dat zij eerst in de nacht van 18 op 19 december 2004 door de politie in Amsterdam is aangetroffen. BJU heeft verklaard dat [de minderjarige] zich in die periode in risicovolle situaties heeft begeven door verschillende mannen te benaderen en – zoals door [de minderjarige] ter zitting is bevestigd – seksuele contacten is aangegaan met twee volwassen mannen. BJU stelt zich op het standpunt dat [de minderjarige], gelet op haar nog zeer jeugdige leeftijd, beschermd dient te worden tegen de risico’s die zij opzoekt.

4.7. Het hof is van oordeel dat, wat er zij van de al dan niet juiste informatie aan de kinderrechter, er in de onderhavige zaak voldoende verifieerbare informatie voorhanden is, waaruit blijkt dat er sprake is van ernstige gedragsproblemen van [de minderjarige]. Onder de stukken bevinden zich, naast het hulpverleningsplan van BJU, meerdere evaluatieverslagen van instellingen voor open en besloten behandeling, waarin deze gedragsproblemen uitvoerig worden beschreven en waaruit blijkt dat [de minderjarige] behandeling nodig heeft. Het hof is dan ook van oordeel dat de kinderrechter terecht en op goede gronden de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting heeft verleend en vervolgens heeft verlengd.

Mede gelet op hetgeen uit de stukken en ter zitting is gebleken, is het hof van oordeel dat ook thans nog aan de grond van het sinds 1 januari 2005 geldende artikel 1:261 lid 5 BW wordt voldaan. Naar ’s hofs oordeel is er sprake van zodanig ernstige gedragsproblemen en is het frequente weglopen van [de minderjarige], waarbij zij zich aan het toezicht van de gezinsvoogd en aan het gezag van de vader alsmede aan een behandeling van haar gedragsproblemen onttrekt zodanig risicovol, dat plaatsing in een gesloten inrichting in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is.

4.8. Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure ziet het hof geen aanleiding BJU te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4.9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.P. Splint, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en S. Clement in tegenwoordigheid van mr. J. Cornel-Lubberts als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2005.