Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU5261

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
01-11-2005
Zaaknummer
68/05 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

GDW kent geen termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend. Het komt het hof voor dat een termijn van drie jaar in het algemeen als redelijk kan worden aanvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 210

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 20 oktober 2005 in de zaak onder rekestnummer 068/05 GDW van:

[appellant],

wonende te [plaats],

APPELLANT

t e g e n

[geïntimeerde],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEïNTIMEERDE,

gemachtigde: B. Schild.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 29 december 2004 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 30 november 2004, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is op 18 februari 2005 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2005, alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de behandeling van de zaak in eerste aanleg, alsmede van de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld, met dien verstande dat, voor zover de feiten door klager zijn betwist, het hof in de beoordeling deze betwisting zal meewegen.

4. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer, met uitzondering van de vaststelling van de feiten, en zal deze beslissing derhalve in zoverre vernietigen.

5. Het standpunt van klager

5.1. Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat er niet afdoende is gereageerd op de brieven die klager aan de gerechtsdeurwaarder heeft geschreven op 25 juli 2002 en 28 januari 2003.

5.2. Voorts verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat deze hem niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat niet langer Albank B.V. te Amsterdam een vordering op klager heeft, doch dat deze vordering is overgegaan op IDM. Via een uittreksel van het bureau krediet registratie, hierna BKR, moest klager hier zelf achter komen.

5.3. Klager stelt dat de gerechtsdeurwaarder hem rente in rekening heeft gebracht over een periode waarin klager in staat van faillissement verkeerde. Dit is in strijd met de wet.

5.4. Tenslotte verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat deze hem zijn schuld niet heeft kwijtgescholden.

6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

6.1. De gerechtsdeurwaarder stelt dat klager zich met dezelfde problematiek, voor het eerst beschreven in zijn brief van 24 juni 2002 aan de gerechtsdeurwaarder, ook tot de IDM bank had gewend. Hierop stelde IDM bank de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder, Antera Incasso, op de hoogte van de ontvangen correspondentie. Tussen Antera Incasso en de gerechtsdeurwaarder werd vervolgens de afspraak gemaakt dat in eerste instantie Antera Incasso een reactie zou zenden aan klager, gevolgd door een nadere toelichting van de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft op 17 maart 2003 en 8 april 2003 brieven ontvangen van Antera Incasso, gevolgd door een brief van de gerechtsdeurwaarder op 27 mei 2003. De periode tussen laatstgenoemde brief en de brief van 25 juli 2002 van de gerechtsdeurwaarder is veroorzaakt door het feit dat de brief van klager is doorgezonden naar de opdrachtgever in verband met het verzoek van klager om hem het restant van het verschuldigde bedrag kwijt te schelden. De gerechtsdeurwaarder erkent dat het beter was geweest om klager schriftelijk er van in kennis te stellen dat zijn brief voor een inhoudelijke reactie was doorgestuurd naar de opdrachtgever.

6.2. Van een overgang van de vordering op klager van Albank B.V. naar IDM is geen sprake, stelt de gerechtsdeurwaarder. Albank B.V. valt onder IDM en derhalve heeft Albank B.V. geen eigen registratienummer bij IDM. Alle afgesloten contracten zijn door Albank B.V. onder het registratienummer van IDM bij BKR aangemeld.

6.3. Wat betreft de renteberekening stelt de gerechtsdeurwaarder dat gedurende de looptijd van het faillissement van klager geen rente werd berekend. Op 24 februari 1993 werd bij beschikking van de rechtbank te Zwolle het faillissement van klager wegens gebrek aan baten opgeheven. Na deze datum werd de renteberekening hervat. Nu in januari 1999 met klager een kwijtingsregeling is overeengekomen is een discussie over de renteberekening overigens niet meer relevant, aldus de gerechtsdeurwaarder.

6.4. Tot slot wijst de gerechtsdeurwaarder erop dat zijn cliënt in het verleden reeds een kwijtingsregeling is overeengekomen, die door klager is aanvaard op 21 januari 1999.

7. De beoordeling

7.1. Ten aanzien van het klachtonderdeel waarin de gerechtsdeurwaarder wordt verweten dat hij niet afdoende heeft gereageerd op brieven van klager oordeelt het hof als volgt. Het hof begrijpt dat de gerechtsdeurwaarder met zijn opdrachtgever afspraken heeft gemaakt omtrent de beantwoording van de brieven van klager. Alhoewel het hof zich kan voorstellen dat een dergelijke afstemming noodzakelijk was komt het het hof voor dat het te lang heeft geduurd voordat klager een antwoord ontving. Klagers eerste brief dateert van 24 juni 2002, het eerste inhoudelijke antwoord volgde pas in 2003. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder, in deze optredend als gemachtigde van zijn opdrachtgever, klager eerder in kennis had moeten stellen van de wijze waarop een antwoord op zijn brief tot stand zou komen en zijn opdrachtgever tot grotere spoed had moeten manen terzake van de totstandkoming van dit antwoord. De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat het beter ware geweest indien klager was geïnformeerd over deze gang van zaken. Desondanks is het hof van oordeel dat dit onderdeel van de klacht gegrond is, doch het hof zal het opleggen van een maatregel terzake achterwege laten.

7.2. Wat betreft de door klager gestelde overgang van de vordering van Albank B.V. naar IDM oordeelt het hof als volgt. Daargelaten of Albank B.V. een eigen registratienummer heeft bij het BKR, is het hof van oordeel dat klager er niet vanuit mag gaan dat registratie onder een nummer van IDM inhoudt dat de genoemde vordering is overgegaan op IDM. De gerechtsdeurwaarder heeft een plausibele verklaring hiervoor gegeven. Het komt het hof voor dat klager over deze gang van zaken door Albank B.V. geïnformeerd had moeten worden. Dit kan echter de gerechtsdeurwaarder niet worden verweten. Het hof oordeelt dan ook dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

7.3. Ten aanzien van het klachtonderdeel waarin de gerechtsdeurwaarder wordt verweten dat hij klager rente in rekening heeft gebracht over een periode waarin klager in staat van faillissement verkeerde oordeelt het hof als volgt. Het hof heeft moeten vaststellen dat het hier een handelen van de gerechtsdeurwaarder betreft op 3 augustus 1995, de datum van de dagvaarding gericht aan klager. Uit deze dagvaarding blijkt dat de vordering op klager mede bestaat uit een rentebedrag, berekend vanaf 5 juni 1989 tot de datum van de dagvaarding.

De Gerechtsdeurwaarderswet, hierna: GDW, kent geen termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend. In de verhouding tussen partijen in tuchtrechtelijke procedures als deze geldt dat de gerechtsdeurwaarder, mede gelet op het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens krachtens een op de behandelingstermijn van toepassing zijnde ongeschreven redelijkheidsnorm, zich in beginsel kan beroepen op een tijdsverloop tussen enerzijds het ontstaan en ter kennis van de klager gekomen zijn van een klachtfeit en anderzijds het indienen van de klacht. Dit voor het geval dat het tijdsverloop de toets van de redelijkheid en de daarmee verband houdende behoorlijke procesorde niet kan doorstaan. Het komt het hof voor dat een termijn van drie jaar in tuchtprocedures tegen gerechtsdeurwaarders in het algemeen als redelijk kan worden aanvaard. Deze termijn begint te lopen op de dag waarop de klager van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat gerechtsdeurwaarders in hoog tempo een grote hoeveelheid ambtshandelingen plegen. De herinnering aan verrichte ambtshandelingen zal als gevolg daarvan bij gerechtsdeurwaarders sneller vervagen. Hierdoor worden de gerechtsdeurwaarders bij tijdsverloop bemoeilijkt in het voeren van verweer tegen klachten.

Nu klager zijn klacht bij de kamer heeft ingediend op 14 juli 2003 is het hof van oordeel dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht betreffende het handelen van de gerechtsdeurwaarder op 3 augustus 1995.

7.4. Tenslotte kan het hof klager niet volgen in zijn klacht dat de gerechtsdeurwaarder hem zijn schuld niet heeft kwijtgescholden. In de eerste plaats is het niet aan een gerechtsdeurwaarder om een schuld kwijt te schelden. Bovendien is de opdrachtgever reeds in 1999 een kwijtingsregeling overeengekomen met klager. Het hof verklaart dit onderdeel van de klacht ongegrond.

7.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

7.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing behoudens voor wat betreft de daarin vervatte vaststelling van de feiten;

- verklaart klager niet ontvankelijk in het onderdeel van de klacht zoals genoemd in rubriek 5.3.;

- verklaart de klacht gegrond zoals genoemd in rubriek 5.1., zonder oplegging van een maatregel;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en

L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op donderdag 20 oktober 2005.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 30 november 2004 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met zaaknummer 206.2003 van:

[ ],

wonende te [ ],

klager,

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde [ ].

Verloop van de procedure

Bij brief van 12 juli 2003 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij aangehechte brief van 14 augustus 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

Bij brief met bijlagen van 6 oktober 2004 heeft klager medegedeeld dat het voor hem niet mogelijk is ter zitting te verschijnen.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 19 oktober 2004, alwaar klager niet en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder wel is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 30 november 2004.

Gronden van de beslissing

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Klager is op 11 september 1986 een huurkoopovereenkomst aangegaan met [ ] B.V. toen gevestigd te Amersfoort, thans te Amsterdam op grond waarvan klager aan [ ] B.V. verschuldigd was geworden een bedrag van ƒ15.000,00 te betalen in maandelijkse termijnen. Klager heeft niet voldaan aan zijn verplichting uit voormelde overeenkomst.

b) Klager is op enig moment in staat van faillissement geraakt, welk faillissement bij gebrek aan baten in 1993 is opgeheven, waarna tussen klager en [ ] B.V. een betalingsregeling tot stand is gekomen.

c) De gerechtsdeurwaarder is door [ ] belast met de invordering van het door klager aan [ ] B.V. verschuldigde.

d) Bij brief van 15 januari 1999 heeft de gerechtsdeurwaarder klager onder meer geschreven dat zijn cliënte akkoord kon gaan met betaling van een bedrag ad ƒ 8.000,00 tegen finale kwijting te voldoen in maandelijkse termijnen van ƒ 100,00.

e) Bij brief van 21 januari 1999 is klager akkoord gegaan met het door de gerechtsdeurwaarder namens zijn cliënte gedane kwijtingsvoorstel.

f) Bij brief van 24 juni 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarder onder meer verzocht om kwijtschelding van het restant verschuldigde, bezwaar gemaakt tegen de berekende vertragingsrente en verzocht om doorhaling bij het Bureau Krediet Registratie.

g) Bij brief van 25 juli 2002 heeft de gerechtsdeurwaarder klager de ontvangst van zijn brief bevestigd en medegedeeld inhoudelijk bij klager op de zaak terug te komen.

h) Bij brieven van 28 januari 2003 en 14 maart 2003 heeft klager bij de gerechtsdeurwaarder gerappelleerd.

i) Bij brief van 8 april 2003 heeft klager onder meer medegedeeld niet op zijn verzoeken in te gaan.

j) Bij brief van 27 mei 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder klager in aansluiting op het schrijven van zijn cliënte en in antwoord op voorgaande brieven van klager medegedeeld dat zijn cliënte bereid was het kwijtingsaanbod te handhaven op voorwaarde dat met ingang van juni 2003 de maandelijkse betalingen zouden worden hervat.

k) Bij brief van 30 mei 2003 heeft klager de gerechtsdeurwaarder onder meer medegedeeld nog steeds geen antwoord te hebben gekregen op zijn vraag omtrent de renteberekening tijdens zijn faillissement.

l) Bij brief van 8 augustus 2003 heeft de gerechtsdeurwaarder klager voor zover van belang onder meer geschreven:”....Gedurende de looptijd van het faillissement werd vanzelfsprekend geen rente berekend. Op 24 februari 1993 werd bij beschikking van de Rechtbank te uw faillissement wegens gebrek aan baten opgeheven. Na deze datum werd de renteberekening hervat, hetgeen geoorloofd is. Overigens is met het oog op de in januari 1999 met u overeengekomen kwijtingsregeling een gedachtewisseling over het al dan niet berekenen van rente niet meer relevant. Na voldoening van het overeengekomen kwijtingsbedrag wordt u finaal gekweten voor het restant van de vordering. Overigens was dit reeds af te leiden uit het schrijven van mijn cliënte van 8 april 2003 en mijn schrijven van 27 mei 2003. Uw opvatting inzake de door u veronderstelde overgang van B.V. naar kan niet anders dan op een misvatting berusten. Er is nooit sprake geweest van een dergelijke wijziging. Wel heeft met betrekking tot [ ] B.V. de volgende verandering plaatsgevonden: per 1 januari 2001 werd de economische eigendom overgedragen aan [ ] Lease B.V. en op 14 mei 2002 werd bij notariële akte de naam [ ] Lease B.V. gewijzigd in [ ] Lease B.V. Van een registratie van de vordering van mijn cliënte bij het BKR onder de benaming “[ ]”kan dan ook geen sprake zijn.....”.

m) Vervolgens heeft klager een schriftelijk voorstel gedaan voor een regeling met een maandelijkse betaling voor een lager bedrag.

2. De klacht

Naar de Kamer begrijpt verwijt klager de gerechtsdeurwaarder het volgende.

A. De gerechtsdeurwaarder heeft onvoldoende gereageerd op zijn brieven d.d. 25 juli 2002 en 28 januari 2003.

B. De gerechtsdeurwaarder heeft hem niet in kennis gesteld van een overgang van de vordering naar [ ].

C. De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte rente berekend over een periode waarin klager in staat van faillissement verkeerde.

D. De schuld is niet kwijtgescholden.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klachten gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt dit verweer hierna besproken.

4. De beoordeling van de klacht

Uit de stukken en hetgeen tijdens de behandeling ter zitting door de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder naar voren is gebracht, is de Kamer het volgende gebleken.

Ad A.

Ter zitting heeft de gemachtigde medegedeeld dat de gerechtsdeurwaarder de brief van klager d.d. 25 juli 2002 bij zijn opdrachtgever had neergelegd in verband met het verzoek van klager om het restantverschuldigde kwijt te schelden. Uit kontakten met de opdrachtgever was de gerechtsdeurwaarder inmiddels gebleken dat klager zich ook rechtstreeks tot zijn opdrachtgever had gewend.

De gemachtigde heeft tevens medegedeeld dat achteraf bezien de gerechtsdeurwaarder er beter aan had gedaan om klager schriftelijk in kennis te stellen van het feit dat de brief van klager voor een inhoudelijke reactie naar de opdrachtgever was doorgeleid.

De Kamer is van oordeel dat onder de door de gemachtigde geschetste omstandigheden het enkele feit dat klager niet in kennis is gesteld van het feit dat zijn voorstel aan de opdrachtgever was doorgeleid niet kan leiden tot gegrondverklaring van dit onderdeel van de klacht. De Kamer neemt daarbij in aanmerking dat de brieven van klager zij het laat afdoende door de gerechtsdeurwaarder zijn beantwoord.

Ad B.

In geen van zijn brieven heeft de gerechtsdeurwaarder grond gegeven voor de stelling van klager dat de vordering van [ ] was overgegaan naar [ ]. Naar het oordeel van de Kamer is van een overgang van de vordering naar [ ] niet gebleken zodat dit onderdeel van de klacht ongegrond zal worden verklaard.

Ad C.

Van een renteberekening gedurende het faillissement van klager is evenmin gebleken. Eerst na de opheffing van het faillissement is de renteberekening hervat hetgeen wettelijk is toegestaan. Van enig klachtwaardig handelen op dit punt is de Kamer niet gebleken. Ook dit onderdeel van de klacht zal ongegrond worden verklaard.

Ad D.

Het is niet aan de gerechtsdeurwaarder om klager het restant verschuldigde kwijt te schelden maar aan zijn opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarder heeft het verzoek van klager aan zijn opdrachtgever voorgelegd die niet met het voorstel van klager in kon stemmen. Dit kan derhalve niet aan de gerechtsdeurwaarder worden tegen geworpen.

5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klachten ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en J.P.J.J. Timmermans, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2004 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.