Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU4653

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
20-10-2005
Zaaknummer
388/04
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het past een notaris niet om zonder uitdrukkelijke toestemming van zijn opdrachtgever in een ontwerpakte van verdeling de ten name van een derde gemaakte kosten ten laste van de opdrachtgever te brengen.Hoewel het klachtonderdeel gegrond is acht het hof geen termen aanwezig om de notaris dienaangaande een maatregel op te leggen. Dit geldt te meer nu de notaris naar het oordeel van het hof heeft gehandeld uit overwegingen van fatsoen en hij ter zitting heeft verklaard in te zien dat zijn handelen juridisch onjuist is en hij zulks niet had mogen doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 13 oktober 2005 in de zaak onder rekestnummer 388/04 NOT van:

[naam],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: [naam],

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 1 april 2004 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg, verder te noemen de kamer, van 3 maart 2004, waarbij zijn klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, ongegrond is verklaard

1.2. Van de zijde van de notaris is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 6 mei 2005.

1.3. Van de zijde van de notaris is op respectievelijk 14 januari 2005, 15 februari 2005, 18 april 2005 en 15 juli 2005 een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 september 2005. Verschenen zijn klager, vergezeld van zijn gemachtigde en de notaris. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klager aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, behoudens voor wat betreft de exacte datum van het opmaken van de conceptakte van verdeling. De datum van mei 2002 wordt door klager betwist. In zijn beoordeling zal het hof, voor zover dit noodzakelijk wordt geacht, dit feit betrekken.

3. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de notaris dat hij tot tweemaal toe een onjuiste aanpassing van de conceptakte van verdeling heeft voorgelegd.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij pas bereid was rente te vergoeden over de door hem vierentwintig dagen achtergehouden boedelgelden, nadat klager daarover een klacht bij de kamer had ingediend.

4.3. Ook verwijt klager de notaris dat hij de afwikkeling van de nalatenschap nodeloos heeft gerekt door niet in éénmaal maar in tweemaal te verdelen.

4.4. Bovendien wordt de notaris verweten dat hij heeft getracht de nota van mr. [naam] voor mevrouw [naam] te verrekenen.

4.5. Tevens verwijt klager de notaris dat hij, gezien zijn handelwijze, in samenhang met de door hem verrichte taken buitensporig heeft gedeclareerd.

4.6. Ten slotte stelt klager in hoger beroep nog dat de notaris onnodig lang over de aanpassing van zijn verdelingsvoorstel heeft gedaan. De notaris heeft geen aandacht besteed aan het belang van de overige deelgenoten bij een snelle afwikkeling. De notaris heeft meer gedeclareerd dan hij kon verantwoorden en ook heeft de notaris ten onrechte en onnodig een bedrag van € 22.491,86 onder zich gehouden gedurende 7 maanden.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist gedeeltelijk de stelling van klager en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris erkent dat hij aanvankelijk een foutieve aanpassing van de akte van verdeling heeft voorgelegd. Hij stelt dat het arrest van de Hoge Raad voor hem niet geheel duidelijk was. Hij heeft in eerste instantie aangenomen dat de begrippen schenking en vordering op twee verschillende rechtshandelingen betrekking hadden.

Na hernieuwde bestudering van de stukken en de toelichting van klager daarop is gebleken dat klager slechts eenmaal f. 10.000,-- als schenking had ontvangen en niet ook nog f. 10.000,-- schuld had aan de boedel.

5.3. De notaris stelt dat hij nimmer heeft geweigerd rente te vergoeden; hij heeft slechts aan enkele erfgenamen uitgelegd waarom hij even heeft gewacht met beleggen op een aparte rekening. De notaris wilde er in maart 2000 zeker van zijn dat cassatie was ingesteld. Ook zonder klacht zou de notaris rente hebben vergoed.

5.4. In mei 2002 is de ontwerpakte van verdeling opgesteld, waarna na enige correspondentie met klager aanpassingen hebben plaatsgevonden. In augustus 2002 is de ontwerpakte naar alle erven toegezonden. De akte kon pas na tussenkomst van de president in kort geding (het hof begrijpt: de voorzieningenrechter) op 14 april 2003 worden gepasseerd. De reden daarvoor was dat een aantal erfgenamen slechts met zeer grote moeite te overtuigen was om deze akte te ondertekenen, althans de volmacht daartoe. Uit de overgelegde kopie slotafrekening, die op 1 augustus 2003 is opgesteld, is gebleken dat na het opmaken van de ontwerpakte van verdeling in mei 2002 door de notaris nog ruim € 22.000,-- aan nakomende baten in deze boedel zijn ontvangen.

De notaris heeft betoogd dat hij in mei 2002 niet had kunnen inschatten wanneer de akte gepasseerd zou kunnen worden om op basis daarvan de renteopbrengsten te berekenen. Voorts heeft de notaris betoogd dat niet het verdelen in tweemaal tot kosten heeft geleid, maar dat het moeite heeft gekost om de erfgenamen ervan te overtuigen om de akte te tekenen. Dit heeft tot extra kosten geleid.

5.5. Ten aanzien van het klachtonderdeel inzake mevrouw mr [naam], verder te noemen: [naam], heeft de notaris betoogd dat zij lang geleden door de rechtbank tot onzijdig persoon is benoemd. Zij heeft al geruime tijd de advocatuur verlaten en droeg van de hele zaak geen kennis. [naam] bleek geen behoefte te hebben om mee te werken aan de zaak. Toen zij als onzijdig persoon werd gedagvaard, diende zij een advocaat te nemen en daarvoor kosten te maken.

De notaris stelt dat, indien hij de door [naam] gemaakte kosten niet zou verrekenen, [naam] die voor haar rekening had gekregen en vervolgens de grootst mogelijke moeite zou hebben om deze kosten te verhalen.

5.6. De notaris heeft voorts betoogd dat in het concept van de op 14 april 2003 gepasseerde akte van verdeling van de nalatenschap een declaratie is opgenomen van in totaal € 15.145,46. Dit waren de kosten die tot mei 2002 (de datum van de oorspronkelijk ontwerpakte) te declareren waren. Iedere erfgenaam, onder wie klager, heeft een volmacht afgegeven de akte conform concept te passeren. De notaris vermag niet in te zien op grond waarvan klager nu nog over deze declaratie kan klagen. De notaris betwist bovendien dat de declaratie buitensporig hoog is. Gelet op de verrichte werkzaamheden in deze nalatenschap is de declaratie volkomen terecht. De declaratie van het bedrag van € 2.822,68, opgenomen in de slotafrekening van 1 augustus 2003 betreft werkzaamheden verricht na 1 mei 2002. De notaris stelt dat door het kantoor in deze periode in totaal € 8.532,20 aan kosten is gemaakt, zodat het bedrag van deze nadere declaratie bepaald niet overdreven is.

5.7. Ten slotte heeft de notaris betoogd dat klager in de klachtonderdelen die hij voor het eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6. De beoordeling

6.1. Het hof is van oordeel dat de klachtonderdelen zoals genoemd onder 4.2. a., b. en c. in de beslissing van de kamer terecht ongegrond zijn verklaard. Het hof zal de kamer op die punten volgen en zich haar standpunten eigen maken.

6.2. Dit geldt echter niet voor het klachtonderdeel met betrekking tot de bemoeienissen van de notaris met betrekking tot de declaratie van [naam]. Hoewel het hof begrip heeft voor de wijze waarop de notaris gemeend heeft voor de belangen van [naam] te moeten opkomen, past het een notaris niet om zonder uitdrukkelijke toestemming van zijn opdrachtgever in een ontwerpakte van verdeling de ten name van een derde gemaakte kosten ten laste van de opdrachtgever te brengen. Het hof acht de klacht terecht door klager naar voren gebracht en is van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond is. Het hof zal de beslissing van de kamer op dit punt vernietigen.

Hoewel het klachtonderdeel gegrond is acht het hof geen termen aanwezig om de notaris dienaangaande een maatregel op te leggen. Dit geldt te meer nu de notaris naar het oordeel van het hof heeft gehandeld uit overwegingen van fatsoen en hij ter zitting heeft verklaard in te zien dat zijn handelen juridisch onjuist is en hij zulks niet had mogen doen.

6.3. Met betrekking tot de klachtonderdelen zoals weergegeven onder rubriek 4.6. geldt het navolgende. Reeds omdat klager deze klachtonderdelen voor het eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht, behoeven deze naar ’s hofs oordeel geen nadere bespreking en behoort klager in zoverre in zijn klacht niet ontvankelijk te worden verklaard.

6.4. Het hof is van oordeel dat ingevolge artikel 55, tweede lid, van de Wet op het notarisambt een geschil over de hoogte van declaraties door de meest gerede partij aan de voorzitter van het bestuur van de ring van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie kan worden voorgelegd. De ringvoorzitter toetst alsdan volledig. Tegen de beslissing van de ringvoorzitter staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het hof kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, een dergelijk geschil slechts marginaal toetsen. Het hof komt aldus tot het oordeel dat hem geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die tot het oordeel nopen dat de notaris in redelijkheid niet tot zijn declaratie had kunnen komen.

Uit de door de notaris overgelegde urenstaat blijkt dat na het passeren van de akte van verdeling – met daarin opgenomen een reeds door klager geaccordeerde declaratie van € 15.145,46, - nog 74,70 uur is gedeclareerd over de periode van 1 mei 2002 tot en met december 2003. Het bedrag ad € 2.822,68 dat de notaris over deze periode heeft gedeclareerd, terwijl het bedrag aan declarabele uren € 8.532,20 bedraagt, komt het hof niet bovenmatig voor.

De klacht is in zoverre ongegrond.

6.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.6. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing met betrekking tot rubriek 4.2.d. en opnieuw rechtdoende;

- verklaart dit klachtonderdeel gegrond;

- verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klachten voorzover deze in hoger beroep voor het eerst zijn ingediend;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, A.D.R.M Boumans en P.J.N. van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 13 oktober 2005.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE MIDDELBURG

Beslissing van 3 maart 2004 in de zaak van:

KvT 3/2002

[naam],

wonende te [plaats],

klager,

in persoon,

tegen:

mr. [naam],

notaris te [plaats],

verweerder,

in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Partijen worden verder aangeduid als klager respectievelijk de notaris.

Klager heeft zich bij brief van 7 maart 2002 met bijlagen gewend tot de Kamer van Toezicht te Middelburg, hierna de Kamer, met een klacht tegen de notaris.

De notaris heeft bij brief van 27 maart 2002 op de klacht gereageerd. Een afschrift van deze brief is verzonden aan klager.

Door de voorzitter is de klacht ter kennis van de Kamer gebracht.

Op verzoek van klager is de behandeling van de klacht die gepland stond op 4 september 2002 aangehouden. Bij brief van 3 juni 2003 heeft de voorzitter klager verzocht mee te delen of de klacht als beëindigd kan worden beschouwd dan wel of klager een behandeling wenst. Hierop heeft klager bij brief van 2 juli 2003 meegedeeld zijn klacht te handhaven. Vervolgens heeft klager bij brief van 28 oktober 2003 zijn klacht toegelicht en uitgebreid. Hierop is door de notaris bij brief van 19 december 2003 gereageerd.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden ter openbare vergadering van de Kamer van 21 januari 2004. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten

2.1. Op 31 augustus 1964 overleed mevrouw [naam], verder: erflaatster.

2.2. Erflaatster heeft bij testament, opgemaakt op 30 juli 1963, haar vijftien kinderen aangewezen als erfgenamen. Klager is één van hen.

2.3. De notaris treedt thans op als boedelnotaris.

2.4. Op 4 augustus 1983 heeft de vorige boedelnotaris een ontwerpakte van beschrijving en van scheiding en deling aan de erfgenamen toegezonden.

2.5. In 1990 is door klager en enkele andere erfgenamen een zwarighedenprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Middelburg. Hierin is vonnis gewezen, welk vonnis in hoger beroep door het hof ‘s-Gravenhage bij arrest van 27 augustus 1999 deels is bekrachtigd en deels is vernietigd.

2.6. Ter uitvoering van voornoemd arrest heeft een van de erfgenamen, [naam], op 24 maart 2000 een bedrag van f. 817.212,-- gestort op de derdenrekening van de notaris.

De notaris heeft dit bedrag op 17 april 2000 doorgestort op een boedelrekening.

2.7. Bij arrest van 11 januari 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie beslist.

2.8. In mei 2002 is door de notaris een conceptakte van verdeling opgesteld. Deze conceptakte is in augustus 2002 aan de erven toegestuurd.

2.9. Klager en enkele andere erfgenamen hebben in maart 2003 een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Middelburg waarin - naast enkele overige erfgenamen - mevrouw [naam] werd gedagvaard om als onzijdig persoon mee te werken aan de (totstandkoming van de akte van) verdeling namens de onwillige erfgenamen. Mevrouw [naam] werd bijgestaan door mr. [naam]. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 22 april 2003 zijn klager c.s. veroordeeld in de proceskosten van mevrouw [naam].

2.10. Op 14 april 2003 is de akte van verdeling van de nalatenschap gepasseerd. In die akte is een bedrag van € 15.145,46 aan notariskosten opgenomen.

2.11. Op 1 augustus 2003 is door de notaris een slotafrekening opgesteld. Hierin is opgenomen een bedrag van € 2.822,68 wegens nakomende notariskosten.

3. De klacht en het verweer van de notaris

3.1. Klager stelt dat de notaris heeft gehandeld in strijd met de zorg die een notaris behoort te betrachten. Hij verwijt de notaris onzorgvuldig handelen als boedelnotaris.

Klager voert hiertoe het volgende aan:

a. De notaris heeft tot tweemaal toe een foutieve aanpassing van de conceptakte van verdeling voorgelegd.

b. De notaris was pas bereid rente te vergoeden over de door hem vierentwintig dagen achtergehouden boedelgelden, nadat klager daarover een klacht bij de Kamer had ingediend.

c. De notaris heeft de afwikkeling van de nalatenschap nodeloos gerekt door niet in éénmaal maar in tweemaal te verdelen.

d. De notaris heeft getracht de nota van mr. [naam] voor mevrouw [naam] te verrekenen.

e. De notaris heeft gezien zijn handelwijze, in samenhang met de door hem verrichte taken buitensporig gedeclareerd.

3.2. De notaris betwist de stellingen van klager als volgt:

a. De notaris erkent dat hij aanvankelijk een foutieve aanpassing van de akte van verdeling heeft voorgelegd. Hij stelt dat het arrest van de Hoge Raad voor hem niet geheel duidelijk was. Hij heeft in eerste instantie de begrippen schenking en vordering als twee verschillende begrippen beschouwd. Na (opnieuw) uitvoerige bestudering van de rechterlijke uitspraken en de toelichting door klager was de notaris met klager van mening dat klager (en de zes andere deelgenoten) slechts eenmaal f. 10.000,-- aan schenking had(den) ontvangen en niet ook nog f. 10.000,-- schuld had(den) aan de boedel.

b. De notaris stelt dat hij nimmer heeft geweigerd rente te vergoeden, hij heeft slechts aan enkele erfgenamen uitgelegd waarom hij even heeft gewacht met beleggen op een aparte rekening. De notaris wilde er in maart 2000 absoluut zeker van zijn dat cassatie was ingesteld. Ook als klager geen klacht had ingediend had hij de rente over de vierentwintig dagen (van 24 maart tot 17 april 2000) aan de boedel vergoed.

c. In mei 2002 is de ontwerpakte opgesteld, waarna na enige correspondentie met klager aanpassingen hebben plaatsgevonden. In augustus 2002 is de ontwerpakte naar alle erven toegezonden. De akte heeft pas na tussenkomst van de president in kort geding op 14 april 2003 kunnen passeren. De reden daarvoor was dat een aantal erfgenamen slechts met zeer grote moeite te overtuigen was om deze akte te ondertekenen, althans de volmacht daartoe. De notaris stelt dat hij zich in mei 2002, gezien de achtergrond van deze nalatenschap - er was immers al veertig jaar ruzie in deze familie - bij het opstellen van de akte heeft gerealiseerd dat hij niet per kerende post alle volmachten terug zou ontvangen. Het was dus logisch te verwachten dat er na het opmaken van de ontwerpafrekening nog veel rentebaten zouden worden ontvangen en wellicht nog kosten gemaakt zouden worden. Volgens de notaris blijkt uit de overgelegde kopie slotafrekening, die op 1 augustus 2003 is opgesteld, dat na het opmaken van de ontwerpakte van verdeling in mei 2002 door hem nog ruim € 22.000,-- aan nakomende baten in deze boedel zijn ontvangen. De notaris stelt dat hij in mei 2002 niet had kunnen inschatten wanneer de akte zou kunnen passeren om op basis daarvan de renteopbrengsten te berekenen. Overigens, zo stelt de notaris, is het niet het verdelen in tweemaal wat tot kosten heeft geleid. Het is de grote moeite die het heeft gekost om de erfgenamen ervan te overtuigen om de akte te tekenen, die tot extra kosten heeft geleid.

d. De notaris stelt dat mevrouw [naam] lang geleden tot onzijdig persoon is benoemd. Zij heeft echter al geruime tijd de advocatuur verlaten en zij droeg van de hele zaak geen kennis. Mevrouw [naam] had geen behoefte om mee te werken aan de zaak. De notaris acht het in hoge mate triest dat een reeds lang gepensioneerde oudere dame hoge kosten moet maken - zij moest uiteraard een advocaat nemen – om zich te verweren tegen een dagvaarding die voor haar als een donderslag bij heldere hemel kwam en dat zij de kosten daarvan dient te dragen. De notaris stelt dat het voor hem duidelijk was dat, indien hij de werkelijk gemaakte kosten niet zou verrekenen, mevrouw [naam] de grootst mogelijke moeite zou hebben om deze kosten te verhalen. Op grond van een brief van klager heeft de notaris tot zijn spijt moeten besluiten de nota van mr. [naam] niet te verrekenen.

e. De notaris stelt dat in (het concept van) de op 14 april 2003 gepasseerde akte van verdeling van de nalatenschap een declaratie is opgenomen van in totaal € 15.145,46. Dit waren de kosten die tot mei 2002 (de datum van de oorspronkelijk ontwerpakte) te declareren waren. Iedere erfgenaam, waaronder klager, heeft een volmacht afgegeven de akte conform concept te passeren. De notaris ziet niet in op grond waarvan klager nu nog over deze declaratie kan klagen. De notaris betwist bovendien dat de declaratie buitensporig hoog is. Gelet op de verrichte werkzaamheden in deze nalatenschap is de declaratie volkomen terecht. De declaratie van het bedrag van € 2.822,68, opgenomen in de slotafrekening van 1 augustus 2003 betreft werkzaamheden verricht na 1 mei 2002. De notaris stelt dat door het kantoor in deze periode in totaal € 8.532,20 aan kosten is gemaakt zodat de declaratie van € 2.822,68,-- bepaald niet overdreven is.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op de formulering van de klacht dient met name onderzocht te worden of de notaris een verwijt kan worden gemaakt van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten en/of in strijd met hetgeen een notaris betaamt.

4.2. Bij de beoordeling van de klacht zal de Kamer de onder 3.1. vermelde rubricering volgen.

a. De notaris heeft de begrippen schenking en vordering, die in de betreffende rechterlijke uitspraken betrekking hadden op een en dezelfde betwiste schuld, als twee verschillende begrippen beschouwd. Daardoor heeft hij ten onrechte geoordeeld dat klager tweemaal een bedrag van f. 10.000,-- diende in te brengen, in plaats van eenmaal.

In zoverre kan gezegd worden dat de notaris in deze aanvankelijk onjuist heeft gehandeld. Niettemin

valt de notaris op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken, mede gelet op de omvang en de ingewikkeldheid van deze nalatenschap.

b. Naar het oordeel van de Kamer is van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris op dit punt niets gebleken. De uitleg die de notaris geeft in verband met het feit dat hij het geld niet direct heeft doorgestort is plausibel. Klager heeft bovendien, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de notaris, niet aannemelijk gemaakt dat de notaris slechts bereid was rente te vergoeden nadat door klager hieromtrent een klacht bij de Kamer was ingediend.

c. Voldoende aannemelijk is dat het passeren van de definitieve akte van verdeling zo lang op zich heeft laten wachten als gevolg van blijvende onenigheid tussen verschillende erfgenamen. Eveneens is voldoende aannemelijk dat dit voor de notaris op het moment van opstellen van de conceptakte in mei 2002 voorzienbaar was, gelet op de voorgeschiedenis in deze zaak. (Dat in dat concept op aanwijzingen van klager nog aanpassingen zijn verricht, doet er niet aan af dat reeds in mei het concept gereed was, hetgeen door klager wordt betwist. Klager stelt namelijk dat de conceptakte pas in augustus 2002 gereed was). De zienswijze van de notaris dat het voor hem onmogelijk was om in mei 2002 te kunnen inschatten wanneer de definitieve akte kon passeren en - daarmee samenhangend - welk bedrag aan renteopbrengsten in aanmerking zou moeten worden genomen komt de Kamer volledig juist voor.

Overigens is de Kamer van oordeel dat, voorzover er sprake zou zijn van enige vertraging in de afwikkeling van deze nalatenschap die aan de notaris is toe te rekenen, het gelet op de historie van deze nalatenschap niet geheel onbegrijpelijk is, dat de notaris niet de grootst mogelijke voorrang zou hebben verleend aan werkzaamheden in deze boedel.

Van verwijtbaar handelen door de notaris is ook op dit punt niets gebleken.

d. Hoewel het niet direct op de weg van de boedelnotaris ligt om zich te bekommeren om het lot van derden zoals in dit geval mevrouw [naam], is, gelet op de historie van deze nalatenschap, de poging die de notaris via de voorgelegde conceptakte heeft ondernomen om de werkelijk gemaakte kosten van mevrouw [naam] te doen vergoeden geheel passend binnen de normen van goed fatsoen. Slechts naar aanleiding van het bezwaar van klager hiertegen heeft de notaris moeten besluiten de nota van mr. [naam] niet te verrekenen.

e. Gelet op de omvang van de werkzaamheden in deze nalatenschap en de inspanningen die de notaris zich heeft moeten getroosten om in deze zaak uiteindelijk een definitieve akte van verdeling te kunnen laten passeren lijken de door de notaris ingediende declaraties in deze zaak wat hun omvang betreft volstrekt legitiem.

De declaratie van in totaal € 15.145,46, is voorts opgenomen in (het concept van) de akte van verdeling. Klager heeft een volmacht afgegeven om de akte conform concept te laten passeren zodat het hem thans niet meer vrijstaat om nog over de hoogte van de declaratie te klagen. Overigens is het niet aan de Kamer van Toezicht om de declaratie te begroten.

4.3. De conclusie moet zijn dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond dient te worden verklaard.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg:

- verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.A.M. van Dijke, voorzitter, mrs. J. van den Berg en D. Oostinga, leden, en mrs. C. Kool en F. Hoppel, plaatsvervangend leden, in tegenwoordigheid van mr. F.A.C.M. Maandag-Leussink, secretaris, en uitgesproken op 3 maart 2004.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam (Prinsengracht 436, correspondentieadres Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij deze beslissing aan u is toegezonden.