Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU4344

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
19-10-2005
Zaaknummer
01/03447
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroepschrift is summier van inhoud maar wel ontvankelijk.

De bewijslast keert om nu de vereiste aangifte niet is gedaan.

Aannemelijk is dat de administratie aan belanghebbende is geretourneerd.

De inspecteur heeft de ambtshalve berekende aanslag in redelijkheid kunnen opleggen.

Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift niet gevraagd om gehoord te worden. De hoorplicht is derhalve niet geschonden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-2067
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X Investments VI B.V. te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 16 oktober 2001, ingediend door mr. (belastingadviseurs) te als gemachtigde en aangevuld bij brief van 20 december 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 13 september 2001 betreffende de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999.

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f.200.000 en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot nihil.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep; subsidiair concludeert de inspecteur tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 20 oktober 2004 is verschenen mr. (kantoor ) te als gemachtigde van belanghebbende en mr. namens de inspecteur.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Ter zitting zijn voorts als getuige verschenen B, C, D en E. Van het verhoor van deze getuigen is telkens een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van 20 oktober 2004 zijn ter zake van navolgende belastingplichtigen en beschikkingen de daarop betrekking hebbende beroepen gelijktijdig behandeld.

De aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1998 ten name van Z Investments I B.V., kenmerk 01/02845; de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997 en 1999 ten name van W Beheer en Beleggingen B.V., kenmerk 01/02672 en 01/03459; de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1996 en 1999 ten name van X Beheer B.V., kenmerk 01/01995 en 01/03445; de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 ten name van X Holding B.V., kenmerk 02/00523, 02/00603, 02/00826 en 02/00827; de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997 en 1999 ten name van X Investments II B.V., kenmerk 01/03148 en 01/03449; de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1998 en 1999 ten name van X Investments IV B.V., kenmerk 02/01783 en 01/03447; de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 ten name van X Investments V B.V., kenmerk 01/03444; de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1998, kenmerk 01/02844 en de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1997 en 1998 ten name van X Investments VI B.V., kenmerk 01/02674 en 02/00831; een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1998, kenmerk 01/03149 en de aanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 1998 en 1999 ten name van X Investments VIII B.V., kenmerk 01/03422 en 01/03448.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende maakt deel uit van het zogenoemde A-concern. A Holding B.V. is de moedervennootschap en heeft diverse dochter- en kleindochtervennootschappen. De activiteiten van het concern bestaan uit het beleggen en de handel in onroerende zaken.

2.2. Belanghebbende diende het haar uitgereikte aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het onderhavige jaar, ook na aanmaning, niet in. De aanslag is ambtshalve berekend naar een belastbaar bedrag van f. 200.000.

2.3. In de aanvulling op het beroepschrift heeft de toenmalige gemachtigde vermeld dat het belastbare bedrag volgens mededeling van de accountant nihil bedraagt en dat de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 bij repliek zal worden overgelegd.

Belanghebbende heeft geen conclusie van repliek overgelegd. Een aangiftebiljet behoort niet tot de stukken.

3. Geschil

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep ontvankelijk is. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil of de uitspraak en de aanslag dienen te worden vernietigd.

4. Standpunten van partijen

Hiervoor verwijst het Hof naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting van 20 oktober 2004, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur stelt primair dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat. Het Hof volgt de inspecteur hierin niet. Weliswaar is het beroepschrift summier van inhoud, maar daaruit kan wel worden opgemaakt dat belanghebbende mede op basis van een mededeling van de accountant van belanghebbende, van mening is dat het belastbare bedrag voor het onderhavige jaar nihil beloopt. Voor de inspecteur moet voldoende duidelijk zijn geweest wat bedoeld werd in het beroepschrift. Naar ’s Hofs oordeel is daarmede het beroep voldoende gemotiveerd. De primaire stelling van de inspecteur wordt verworpen.

5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 27e, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verklaart het gerechtshof het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

5.3. Vaststaat dat belanghebbende het haar uitgereikte aangiftebiljet voor het jaar 1998 niet heef ingediend. De vereiste aangifte is derhalve niet gedaan. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat belanghebbende ervan dient te doen blijken dat en in hoeverre de bestreden uitspraak onjuist is.

5.4. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat zij niet in staat was aangifte te doen omdat zij niet over haar administratie kon beschikken die in beslag was genomen.

5.5. Desgevraagd heeft de gemachtigde verklaard dat hij begrepen heeft dat er in 1998 en in 2000 beslag was gelegd op de administratie. De inspecteur heeft gesteld dat hij sedert november 1999 bij de zaken betreffende het A-concern betrokken is en dat toen de administratie die in 1998 in beslag was genomen door de Fiod reeds aan belanghebbende was geretourneerd. Dit is door de gemachtigde niet bestreden.

5.6. Voorts heeft de gemachtigde nog gesteld dat het beslag in 2000 in het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft gesteld dat hem niets bekend is van een strafrechtelijk beslag op de administratie in 2000.

5.7. In het bezwaarschrift van de accountant van belanghebbende van 13 augustus 2001, de aanvulling daarop van 24 augustus 2001 en het beroepschrift van 16 oktober 2001 van de toenmalige gemachtigde is niets gesteld omtrent het niet kunnen beantwoorden van vragen omdat er beslag zou zijn gelegd op de administratie en die nog niet zou zijn teruggegeven. Nu voorts gemachtigde zijn stelling slechts in zeer algemene bewoordingen heeft onderbouwd is het Hof van oordeel dat zij tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet over de inlichtingen en gegevensdragers kon beschikken waarop de door de inspecteur gestelde vragen betrekking hadden. Mitsdien gaat het Hof verder aan dit verweer voorbij.

5.8. Belanghebbende is niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Met de stelling dat in 1998 beslag is gelegd op haar onroerende zaken en dat de bedrijfsactiviteiten onmogelijk werden gemaakt doet belanghebbende niet ervan blijken dat de bestreden uitspraak onjuist is. Ook anderszins heeft zij hiervan niet doen blijken.

5.9. Van de ambtshalve opgelegde aanslag kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur deze niet in redelijkheid heeft kunnen opleggen. Het Hof heeft hierbij acht geslagen op hetgeen de inspecteur – onweersproken – ter toelichting op zijn schatting heeft verklaard.

5.10. Voorzover belanghebbende in de onderhavige zaak nog heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur de hoorplicht heeft geschonden overweegt het Hof het volgende.

In artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht is het volgende bepaald.

1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt als volgt:

In afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de belanghebbende gehoord op zijn verzoek.

De stelling van belanghebbende vindt, gelet op het vorenstaande, geen steun in het recht. Vaststaat immers dat belanghebbende in het bezwaarschrift de inspecteur niet heeft verzocht om te worden gehoord. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende na de indiening van het bezwaarschrift alsnog daarom heeft verzocht.

5.11. Nu belanghebbende overigens geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de inspecteur zou moeten worden vernietigd en ook hetgeen de getuigen hebben verklaard niet daartoe kan leiden, komt het Hof tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 29 juni 2005 door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, J.P.F. Slijpen en J.H. Hoekstra, in tegenwoordigheid van mr. B.A.E.G.Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.