Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU1177

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2005
Datum publicatie
24-08-2005
Zaaknummer
05/00496
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD9473, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij kan worden aangemerkt als beheerder van een bij een derde in eigendom zijnd parkeerterrein. Er is geen toestemming gevraagd of verkregen om ter plaatse parkeerbelasting te heffen. De gemeente is dan niet bevoegd voor het parkeren op dat terrein belastingen te heffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:26, geldigheid: 2005-07-28
Gemeentewet 225, geldigheid: 2005-07-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 1129
FutD 2005-1557
Belastingblad 2005/1101

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X, directeur van G. B.V., te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de Sector Belastingen van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 8 februari 2005, ingediend door mr. A (A Advocaten) te Q.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 29 december 2004, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting met aanslagnummer 1603041410511 en 1703041610510. Na bezwaar tegen de naheffingsaanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en van de naheffingsaanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Mr. A. heeft per fax op 29 april 2005 en op 11 mei 2005 nadere stukken ingezonden, met een afschrift aan verweerder.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 mei 2005 waarbij zijn verschenen belanghebbende alsmede zijn gemachtigden mr. B en mr. C (A Advocaten), en namens verweerder mr. D en E, parkeercontroleur. De gemachtigden van belanghebbende hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Bij de pleitnota waren specificaties gevoegd van de in bezwaar en beroep gemaakte kosten. Verweerder heeft ter zitting nog een stuk overgelegd. Partijen hebben kennis kunnen nemen van en kunnen reageren op de door de wederpartij overgelegde stukken.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is houder van een motorvoertuig met kenteken 00-AA-BB. Op 16 maart 2004 stond dit voertuig geparkeerd voor het pand a-straat 1, op een parkeerterrein gelegen aan de achterzijde van het winkelcentrum te R (hierna ook: het terrein). Om 14:10 uur is door een parkeercontroleur geconstateerd dat er ter zake van het aldaar parkeren geen parkeerbelasting was voldaan en is door hem een naheffingsaanslag vastgesteld. De naheffingsaanslag is opgelegd tot een bedrag van € 0,84 aan parkeerbelasting en € 45 aan kosten. Een zelfde feit heeft zich voorgedaan op 17 maart 2004, waarbij om 16:10 uur een naheffingsaanslag is opgelegd, eveneens tot een bedrag van € 0,84 aan parkeerbelasting en € 45 aan kosten.

2.2. De gemeente is niet eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde van de grond waarop het voertuig van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was geparkeerd. De eigendom berust bij de F (hierna: de vereniging).

2.3. De gemeente heeft van de eigenaar van de onder 2.2 bedoelde grond geen toestemming gevraagd en gekregen om ter zake van het parkeren op die grond parkeerbelasting te mogen heffen.

3. Geschil

Tussen partijen bestaan de volgende geschilpunten:

3.1. Kan G B.V op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht toestemming worden verleend zich te voegen in deze procedure?

3.2. Is de gemeente bevoegd tot het heffen van parkeerbelasting wegens het parkeren op het onder 2.2 bedoelde stuk grond?

3.3. Is de tariefstelling van de parkeerbelasting onrechtmatig dan wel onverbindend?

3.4. Is het besluit tot heffing van parkeerbelasting op de juiste wijze bekendgemaakt?

3.5. Levert de wijze waarop de controle op de voldoening van parkeerbelasting plaatsvindt een schending van het gelijkheidsbeginsel op?

3.6. Is de aanwijzing van het terrein als betaaldparkerenzone in strijd met het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan?

3.7. Is het beleid dat belanghebbende voert ten aanzien van parkeervergunningen onrechtmatig omdat bedrijven door de gehanteerde criteria in de praktijk nauwelijks in aanmerking komen voor een vergunning?

3.8. Is door de gemeente aan belanghebbende een rechtsgang onthouden?

3.9. Dienen de kosten van de gemachtigde van belanghebbende in zowel de bezwaar- als in de beroepfase door de gemeente te worden vergoed?

3.10. Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht?

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

Ter zitting is daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Namens belanghebbende:

- De parkeerverordening 2003 kennen wij niet;

- In het besluit staat dat de belasting is gebaseerd op de verordening 2003. Ik hoef ter zake geen verdere stukken in te zien;

- Het onderhoud van het parkeerterrein berust niet bij de gemeente. De gemeente heeft nu geen punt meer. In het bezwaarschrift is al verwezen naar het contact met de heer H. Uit de brief blijkt dat de gemeente een aanbod tot overname van het onderhoud heeft gedaan, waarmee wordt erkend dat de gemeente het terrein niet onderhoudt;

- De afspraken omtrent het beheer van het terrein blijken niet uit de door verweerder overgelegde schermprint;

- Omtrent het beheer van het terrein bied ik aan de heer I te doen getuigen;

- Op het terrein wordt geen huisvuil opgehaald door de gemeente;

- Het terrein is geasfalteerd door de vereniging, het heeft overigens weinig onderhoud nodig;

- De vereniging is bevoegd mensen te verzoeken caravans e.d. te verwijderen. Ook uit artikel 20 van de voorlopige koopovereenkomst blijkt dat de vereniging bevoegd is daartegen op te treden;

- Er staat bij de toegang tot het terrein een bord met het opschrift "Alleen voor F bezoekers en personeel";

- Er wordt niet opgetreden tegen het gedurende de hele dag geparkeerd staan op het vak voor laden en lossen;

- Het bedrag van de kosten blijft in geschil als de gemeente wel gerechtigd is om parkeerbelasting te heffen;

- De vermelding a-laan 1 op de naheffingsaanslag is onjuist, dit moet zijn a-straat, alwaar de auto was geparkeerd. In andere gevallen is in verband daarmee de aanslag ingetrokken.

Namens verweerder:

- De parkeerverordening 2003 betreft een typefout, dit moet zijn 2002;

- De gemeente is inderdaad geen eigenaar en heeft van deze geen toestemming verkregen, maar de gemeente is wel beheerder van het terrein. De brief aan H betreft alleen het aanbod om het onderhoud ook juridisch bij de gemeente te doen berusten. Feitelijk heeft de gemeente het onderhoud al. Ik leg een schermprintje over waaruit blijkt dat de afdeling beheer van de gemeente het onderhoud van het terrein heeft. De schermprint wordt nu pas overgelegd omdat de uitspraak van uw Hof van 5 april 2005 zeer recent is;

- In het verleden zijn door de gemeente aanpassingen uitgevoerd aan de parkeervakken op verzoek van de eigenaar, dat was overigens vóór de invoering van de parkeerbelasting;

- Al voordat men bij de ingang van het terrein komt is men een bord gepasseerd met de aanduiding Zone betaald parkeren;

- Vroeger stonden er soms gedurende langere tijd auto’s op het terrein, dat is afgelopen na de invoering van het betaald parkeren;

- Het afgetekende vak bij de bakkerij is bedoeld voor laden en lossen. Op het laden en lossen wordt niet gecontroleerd, er is nog nooit een zogenoemde Mulder-bon voor geschreven. De bakker heeft de aanduiding Privé zelf aangebracht;

- Door de andere mede-eigenaren kan niet worden geparkeerd voor de garages omdat deze anders niet bereikbaar zijn;

- Volgens het kadaster behoort de a-straat tot de a-laan;

- De verordening is gepubliceerd in het Witte Weekblad van week 3 van 2001;

- Voor de onderbouwing van de kosten van de naheffingsaanslag verwijs ik naar de laatste bijlage van het verweerschrift.

5. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot het verzoek tot voeging van G. B.V. in deze zaak:

5.1.1. G BVverzoekt in de gelegenheid te worden gesteld aan de procedure deel te nemen en als partij te worden gevoegd op basis van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat G BV belang heeft bij de uitkomst van de procedure in verband met het feit dat haar kantoor is gelegen aan het onderhavige parkeerterrein. Haar kantoor heeft als enige de ingang aan de achterzijde van het winkelcentrum.

5.1.2. Uit artikel 26b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met de artikelen 23 en 24 van die wet, vloeit voort - voorzover hier van belang - dat beroep slechts kan worden ingesteld door de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd of degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt. Nu de naheffingsaanslagen zich richten tot de parkeerder en belanghebbende zich als zodanig kenbaar heeft gemaakt, de herinnering van de naheffingsaanslag is gezonden aan de leasemaatschappij J B.V. en belanghebbende door deze is gemachtigd in deze procedure, kan G BV niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 26b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

5.1.3. Overigens is onvoldoende gebleken dat G BV enig belang zou hebben bij het zich voegen in deze procedure nu het in dit geschil slechts gaat om de aan belanghebbende opgelegde aanslagen en de aanslagen geen verder strekkend belang hebben dan de belastingplicht en de belastingschuld van belanghebbende vast te stellen. Het verzoek van G BV moet derhalve worden verworpen.

Met betrekking tot de aan belanghebbende opgelegde aanslagen parkeerbelasting:

5.2. De vereniging heeft de eigendom van het terrein waar de auto van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen was geparkeerd, verworven op basis van een voorlopige koopovereenkomst van 18 maart 1975. In deze koopovereenkomst is in punt 19 bepaald dat de kopers verplicht zijn op het terrein parkeervoorzieningen aan te leggen, terwijl in punt 20 is bepaald dat de kopers verplicht zijn de parkeerplaats te handhaven en in goede staat van onderhoud te houden. De parkeerplaats dient openbaar toegankelijk te zijn, maar kopers zijn bevoegd op te treden tegen gebruik voor caravans, vrachtwagens, autowrakken en ander gebruik dat zich niet verdraagt met de normale functie van een parkeerplaats ten behoeve van het publiek dat het centrum van R bezoekt. Voorts is het kopers verboden de parkeerplaats te gebruiken voor opslagdoeleinden. In punt 22 van de voorlopige koopovereenkomst is bepaald dat de aanleg van straatverlichting van gemeentewege wordt verzorgd en dat kopers daarvoor alsmede voor het toekomstige onderhoud daarvan een bedrag aan de gemeente zullen betalen bij het transport van de grond.

5.3. Van de zijde van de gemeente zijn behalve de uitvoering van de onder 5.2. genoemde verplichtingen voortvloeiende uit de koopovereenkomst geen andere beheersdaden gesteld, behalve het verplaatsen van de parkeermeters. Die verplaatsing heeft echter plaatsgevonden omdat de meters op de grond van de vereniging waren geplaatst.

5.4. Uit de door verweerder overgelegde schermprint blijkt niet dat het beheer van het terrein bij de gemeente berust. Uit de op deze afdruk gestippelde gedeelten blijkt namelijk volgens de op de afdruk vermelde legenda slechts dat die gedeelten als “Wegen” zijn aan te merken. Het geeft op geen enkele wijze uitsluitsel over de vraag of deze gedeelten bij de gemeente in beheer zijn, dit onverminderd het feit dat naar het oordeel van het Hof met een dergelijke schermprint niet kan worden aangetoond dat het beheer, dat blijkens de koopovereenkomst bij de vereniging berust, zou zijn overgegaan naar de gemeente.

5.5. Gelet op het vorenstaande heeft de gemeente niet aannemelijk gemaakt dat zij kan worden aangemerkt als beheerder van het onderhavige terrein. Nu de gemeente niet de eigendom of het beheer van het terrein heeft en ook niet toestemming van de vereniging heeft gevraagd of verkregen om ter plaatse parkeerbelasting te heffen, ontbreekt de gemeente naar het oordeel van het Hof de bevoegdheid om met betrekking tot het terrein parkeerbelastingen te heffen. Dit laat onverlet dat dit oordeel anders zou kunnen luiden indien de toestemming wel zou zijn gevraagd maar zou zijn geweigerd en er sprake zou zijn van zodanig zwaarwegende redenen dat deze ertoe zouden kunnen leiden dat de gemeente wel gerechtigd zou zijn parkeerbelastingen te heffen voor het parkeren op het terrein.

5.6. Gelet op dit oordeel van het Hof behoeven de geschilpunten 3.3 tot en met 3.8 geen bespreking.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in de zin van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor vergoeding komen volgens de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 966 (bezwaarschrift, hoorzitting 2 punten à € 161 = € 322; beroepschrift en zitting Hof = 2 punten x € 322 = € 644; met toepassing van factor 1,0 als factor voor gewicht van de zaak). Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen. Het Hof raamt deze kosten op € 4,80 voor de hoorzitting en € 10,80 voor de zitting van het Hof. In totaal bedragen de te vergoeden kosten derhalve € 981,60.

Het Hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig, als zijn bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, welke zouden kunnen leiden tot het vergoeden van de werkelijke kosten van rechtskundige bijstand. Voorts is niet gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van verweerder;

- vernietigt de naheffingsaanslagen;

- gelast de gemeente Haarlemmermeer het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 37 aan hem te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 981,60 en wijst de gemeente Haarlemmermeer aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 28 juli 2005 door mrs. O.B. Onnes, C. Schaap en J.P. Kruimel, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.