Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0900

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
29-08-2005
Zaaknummer
23-000709-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan invoer van grote hoeveelheden cocaïne. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding onder handelaren en gebruikers. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof en gaat ook gepaard met andere vormen van criminaliteit, vaak gepleegd door gebruikers in het kader van financiering van hun behoefte aan cocaïne. Verdachte fungeerde als afhaler van de koeriers. Veroordeling tot 4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000709-04

datum uitspraak 13 april 2005

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem (vestiging Schiphol) van 3 februari 2004 in de strafzaak onder parketnummer 15/001985-03 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. "Noord Holland Noord", Huis van Bewaring Schutterswei te Alkmaar.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsvrouw van de verdachte op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 21 januari 2004 en in hoger beroep van 28 juli 2004, 20 oktober 2004 en 1 november 2004, 24 november 2004, 9 februari 2005 en 30 maart 2005.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 januari 2004 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging (voorzover in hoger beroep nog aan de orde) wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, aangezien het hof zich daarmee niet kan verenigen

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van alle feiten en - subsidiair - van de feiten 2, 3 en 4, nu er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. De raadsvrouw heeft ter adstructie hiervan - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld.

Een deel van de in dit onderzoek genomen beslissingen is niet verantwoord in het uiteindelijke dossier, waardoor deze beslissingen voor de verdediging en de rechter niet controleerbaar zijn. De leden van het onderzoeksteam wisten op basis van getapte telefoongesprekken en observaties dat ontmoetingen zouden plaatsvinden en hebben hierop het vermoeden gebaseerd dat sprake was van een op handen zijnde overdracht van verdovende middelen. Toch is door de politie - aldus de raadsvrouw - welbewust niet ingegrepen, omdat men op zoek was naar "de grote vissen" en meer duidelijkheid over de organisatie. Hiervan blijkt echter niets uit het dossier.

Voorts is geen openheid van zaken gegeven over de gang van zaken rondom de aanhouding en uitzetting van [betrokkene], waarbij uit het dossier blijkt dat hierover overleg is geweest tussen teamleiding, vreemdelingendienst en openbaar ministerie. Over de reden van de uitzetting wordt echter niets gerelateerd. Door de verdediging hiernaar gevraagd wordt door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de werkelijke achtergrond van deze beslissing - aldus de verdediging - geheim gehouden.

Aldus is onmogelijk de door de opsporingsambtenaren gevolgde werkwijze te toetsen en op de inhoud van de processen-verbaal te vertrouwen, zodat de verdachte hierdoor rechtstreeks in zijn verdedigingsbelangen wordt geschaad. Aldus de raadsvrouw.

Voor zover het betoog van de raadsvrouw strekt tot de vaststelling dat niet iedere onderzoekshandeling is vastgelegd in een proces-verbaal, hetgeen een toetsing door verdediging en rechter achteraf onmogelijk maakt, overweegt het hof als volgt. Op verzoek van de verdediging zijn dhr. [getuige 1] (tactisch coördinator in het Volta- en het Kameleon- onderzoek) en dhr. [getuige 2] (algemeen onderzoeksleider van het Kameleon-onderzoek) als getuige (resp. ter terechtzitting in hoger beroep en door de rechter-commissaris) gehoord. De verdediging is hiermee ruimschoots in de gelegenheid gesteld de bij haar levende vragen en onduidelijkheden op bovengenoemde punten voor te leggen aan de getuigen.

Ook de beslissing tot het uitzetten van [betrokkene] is - met name bij het verhoor van getuige [getuige 1] - aan de orde geweest. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat niet geheel duidelijk is geworden wat de precieze reden is geweest van haar uitzetting op de betrokken datum. De getuige [getuige 1] heeft wel aangegeven welke factoren bij de afweging van deze beslissing zijn meegewogen, waarbij ook aan de orde is geweest dat zij op een later moment in het onderzoek niet meer zou kunnen worden gehoord als getuige.

Op verzoek van de verdediging zijn vervolgens diverse pogingen ondernomen om deze getuige op te roepen. Op de terechtzitting van 9 februari 2005 is, na twee pogingen om de verblijfplaats van de getuige in Ghana te achterhalen, door het hof een hernieuwd verzoek tot het oproepen van deze getuige uiteindelijk afgewezen, nu niet aannemelijk is dat zij binnen aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen.

Door het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuige is de verdediging in de gelegenheid gesteld de door de opsporingsambtenaren gevolgde werkwijze te toetsen, zodat niet kan worden gezegd dat - in het licht van de gehele procedure - de rechten van de verdediging zijn geschonden. Hoewel de gang van zaken rondom de uitzetting van [betrokkene] niet geheel duidelijk is, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat zij is uitgezet met het doel de verdediging in het onderzoek te benadelen.

Uit het voorgaande volgt dat hetgeen de raadsvrouw aanvoert in bovengenoemde onderdelen van haar verweer, niet kan leiden tot de conclusie dat door een en ander een zodanige ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde heeft plaatsgevonden, dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Ter terechtzitting gedaan verzoek

Overigens heeft de verdediging bij pleidooi gepersisteerd - zonder nadere motivering - bij het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene]. Hieromtrent overweegt het hof dat na de terechtzittingen van 20 oktober 2004, 1 november 2004 en 24 november 2004 pogingen zijn ondernomen om de verblijfplaats van deze getuige, die in een buitenland zou verblijven, te achterhalen, zodat deze getuige - op verzoek van de verdediging - een verklaring zou kunnen afleggen. Ondanks deze pogingen is niet gelukt nadere verblijfsgegevens over deze getuige te achterhalen. Ook het hof acht het belang van het horen van deze getuige onverkort aanwezig, maar gelet op de verrichte inspanningen van de zijde van het openbaar ministerie, blijft het hof bij de ter terechtzitting van 9 februari 2005 genomen beslissing dat het onaannemelijk is dat deze getuige binnen afzienbare tijd ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof wijst het hernieuwde verzoek tot het horen van [betrokkene] als getuige dan ook wederom af.

Schending van artikel 126 ff Sv.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat telkens bewust niet tijdig is ingegrepen wanneer invoer van verdovende middelen zou plaatsvinden, hetgeen volgens de raadsvrouw een schending van het bepaalde in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering oplevert, overweegt het hof als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat onder regie van politie en justitie de in de tenlastelegging bedoelde hoeveelheden verdovende middelen zouden zijn doorgelaten, in strijd met het bepaalde in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering. Hierbij is van belang dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] - op dit specifieke punt door de verdediging bevraagd - hebben verklaard dat in het kader van het Kameleon-onderzoek regelmatig contact is geweest tussen het onderzoeksteam en de CIE, dat in sommige gevallen concrete acties werden ondernomen naar aanleiding van informatie van de CIE, en dat in sommige gevallen niets werd gedaan met deze informatie. Beide getuigen verklaren dat daarover altijd een terugkoppeling plaatsvond, maar dat dit niet op schrift is gezet. Of met bepaalde informatie iets werd gedaan, hing mede af van de beschikbaarheid van personeel.

De stelling van de verdediging dat welbewust niet is ingegrepen, is niet aannemelijk geworden.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering niet in het leven is geroepen ter bescherming van de belangen van verdachten. Een verdachte kan zich - behoudens bijzondere omstandigheden, die niet zijn gesteld, noch gebleken - derhalve niet op de niet of niet juiste naleving van het verbod op doorlaten beroepen ten betoge dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

Het vooroverwogene leidt ertoe dat het verweer van de raadsvrouw, strekkende tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van alle, subsidiair de onder 2, 3 en 4 aan de verdachte tenlastegelegde feiten in alle onderdelen wordt verworpen.

Gelet op het vooroverwogene is - anders dan door de raadsvrouw uiterst subsidiair betoogd - evenmin gebleken van een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering , zodat geen aanleiding bestaat tot compensatie bij de straftoemeting.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 6 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2. hij op 9 oktober 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 12.000,6 gram en ongeveer 12.032,1 gram van een materiaal telkens bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. hij op 10 oktober 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4. hij op 11 oktober 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5. hij op 13 oktober 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 2.356,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen onder 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat geen sprake was van opzet op het invoeren van cocaïne, nu haar cliënt op Schiphol aanwezig was voor het geven van financiële adviezen dan wel het ophalen van een laptop, in ieder geval om andere redenen dan het ophalen van cocaïne.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 9 februari 2005 een verklaring afgelegd omtrent zijn betrokkenheid bij de aan hem tenlastegelegde feiten. Onder meer heeft hij verklaard dat hij op 9 oktober 2003 op Schiphol was in verband met het geven van financiële adviezen. Desgevraagd heeft hij aangegeven de namen van zijn opdrachtgevers niet te kennen, dat de gesprekken "bedrijfsmatig" waren en dat het noodzakelijk was dat deze in het beveiligde gebied plaatsvonden omdat de cliënten niet in Nederland konden komen. Ook heeft hij aangegeven dat de gesprekken te maken hadden met het inwisselen van cheques. Verdachte heeft geen nadere gegevens of informatie over zijn werkzaamheden, inkomsten of opdrachtgevers gegeven.

In eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat hij op Schiphol was in verband met een korte, zakelijke ontmoeting, die uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden.

Gevraagd naar zijn visie op het onder feit 5 tenlastegelegde heeft de verdachte verklaard dat hij op Schiphol was in verband met het ophalen van een gestolen laptop en voor het decoderen van gegevens op deze laptop. Dit decoderen zou hij uitbesteden aan een persoon wiens naam de verdachte niet wil noemen. De gedecodeerde gegevens zou de verdachte moeten geven aan een persoon die op 13 oktober 2004 is aangehouden.

Hetgeen de verdachte ter staving van zijn ontkenning aldus heeft aangevoerd is mede op grond van de daarin voorkomende tegenstrijdigheden ongeloofwaardig en dientengevolge zo onwaarschijnlijk, dat daardoor het bewezengeachte, meer in het bijzonder wat het bedoelde opzet betreft, niet wordt aangetast.

Met betrekking tot feit 3 en 4 is door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat niet kan worden bewezen dat op 10 en 11 oktober 2003 cocaïne is overgedragen en ingevoerd, nu geen cocaïne is inbeslaggenomen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen vloeit voort dat bij het transport van 10 en 11 oktober 2003 deels dezelfde personen betrokken waren, die verantwoordelijk waren voor de bewezengeachte invoer van cocaïne op 9 en 13 oktober 2003. De bij de invoer op 10 en 11 oktober 2003 toegepaste modus operandi was, op voor de toedracht relevante punten, dezelfde als de modus operandi op 9 en 13 oktober 2003, op welke data wel materiaal bevattende cocaïne en voor harddrugs bestemde versnijdingsmiddelen, bevattende een hoeveelheid cocaïne, zijn aangetroffen. Het hof gaat er bij die stand van zaken van uit dat ook op 10 en 11 oktober 2003 de stof cocaïne is ingevoerd, en dat daarop bij de verdachte, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, heeft gehandeld en gelet op hetgeen de algemene ervaring leert, minstgenomen voorwaardelijk opzet aanwezig was. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, zijn gebleken noch aannemelijk geworden.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 bewezengeachte

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesenzestig maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en zes maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan invoer van grote hoeveelheden cocaïne. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding onder handelaren en gebruikers. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof en gaat ook gepaard met andere vormen van criminaliteit, vaak gepleegd door gebruikers in het kader van financiering van hun behoefte aan cocaïne. Verdachte fungeerde als afhaler van de koeriers. Hij verschafte zich de toegang tot het beveiligde gebied van Schiphol met behulp van een ticket en wachtte de koerier op om de koffer of tas met verdovende middelen over te nemen en langs de douane te vervoeren.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 20 december 2004, is verdachte eerder ter zake van strafbare feiten veroordeeld.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat compensatie dient plaats te vinden vanwege de omstandigheid dat de aanvulling op het verkorte vonnis eerst na zes maanden is geschied en dat daarmee het bepaalde in art. 365a Sv is overtreden. Het hof constateert dat het dossier met de aanvulling op het verkorte vonnis op 2 augustus 2004 ter griffie van het hof is binnengekomen, terwijl de verdachte op 4 februari 2004 hoger beroep had ingesteld tegen dit vonnis.

De wetgever heeft echter geen sanctie geformuleerd op het overtreden van het bepaalde in art. 365a van het Wetboek van Strafvordering, zodat voor de door de raadsvrouw bepleite strafmatiging op die grond geen plaats kan zijn, zulks mede nu de gehele procedure heeft plaatsgevonden binnen een als in artikel 6 EVRM bedoelde redelijke termijn.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

* geld Nederlands 200,00 euro

* KNP simkaart 17886214s

* telefoontoestel Nokia 2100 grijs

* telefoontoestel Nokia 7650 grijs

die aan verdachte toebehoren dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met betrekking tot deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 11 april 2000, in de zaak met parketnummer 14/010260-99, waarbij de verdachte ter zake van een door hem gepleegd strafbaar feit is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van twee jaar vóór het einde waarvan, kort samengevat, de verdachte zich niet behoorde schuldig te maken aan het plegen van een nieuw strafbaar feit.

De proeftijd is ingegaan op 14 november 2002.

Gelet op het hiervoor bewezengeachte heeft de verdachte zich vóór het einde van voormelde proeftijd wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Het hof zal derhalve, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep (voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen) en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

* geld Nederlands 200,00 euro

* KNP simkaart 17886214s

* telefoontoestel Nokia 2100 grijs

* telefoontoestel Nokia 7650 grijs

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 11 april 2000 met parketnummer 14/010260-99, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 10 (TIEN) maanden.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Verheul, Wildenburg en Dun, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 april 2005.