Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0785

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
10-08-2005
Zaaknummer
05/00566
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Na verwijzing door de HR: Er is sprake van een vijfde verzuim. De boete beloopt f.2.500. Geen afwezigheid van alle schuld. De redelijke termijn is overschreden met de behandeling van het beroep in cassatie nu die behandeling twee jaar en zes maanden heeft geduurd. Het betreft een eenvoudige zaak: geen reden de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren met de voortvarendheid van de behandeling in de eerdere fase. De boete wordt gematigd tot f.2.000.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68a
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 1153
FutD 2005-1572
V-N 2005/57.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Y, belanghebbende,

tegen

de uitspraak met dagtekening 27 juni 2001 van de Inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur, betreffende een boetebeschikking wegens het niet-tijdig doen van aangifte voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999, welke tezamen met de uitspraken betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999 en de beschikking heffingsrente in één geschrift is vervat.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 juni 2005.

Beslissing

Het Hof -verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

-vermindert de boete tot f.2.000 (€ 907).

Gronden

1. Belanghebbende heeft het hem voor het jaar 1999 uitgereikte aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, na aanmaning, niet tijdig ingediend. De voor de jaren 1994 tot en met 1998 aan belanghebbende uitgereikte aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zijn evenmin ingediend binnen de door de inspecteur daartoe bepaalde termijn. In vier van deze gevallen heeft de inspecteur een boete opgelegd.

2. Vaststaat dat sprake is van een vijfde verzuim. Niet gesteld en ook overigens is niet gebleken dat de vier voorafgaande verzuimen niet aan belanghebbende zijn bekendgemaakt.

3. Op grond van het bepaalde in § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998) heeft de inspecteur de onderhavige boete bepaald op f.2.500 (€ 1.134).

De hoogte van deze boete acht het Hof in overeenstemming met het in het BBBB 1998 geformuleerde beleid en acht deze, in verhouding tot de ernst van het begane verzuim, ook overigens passend en geboden. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd en - bij betwisting door de inspecteur - aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. In het bijzonder heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van omstandigheden op grond waarvan tot afwezigheid van alle schuld zou kunnen worden geconcludeerd.

4. Het Hof zal thans onderzoeken of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarbij neemt het Hof het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, als leidraad.

Het Hof stelt voorop dat sprake is van een zaak van betrekkelijk eenvoudige aard.

Omtrent het verloop van het geding staat het volgende vast. De boetebeschikking is gedagtekend 14 april 2001. Na bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. De uitspraak van dat gerechtshof is gedagtekend 10 juli 2002. Het daartegen gerichte beroepschrift in cassatie van belanghebbende is gedagtekend 12 augustus 2002 en ingekomen bij het Haagse gerechtshof op 16 augustus 2002, terwijl het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als dagtekening 16 augustus 2002 draagt en is aangevuld bij brief van 5 maart 2003. Het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden waarbij de behandeling van de zaak is verwezen naar dit (het Amsterdamse) Hof is gedagtekend 11 februari 2005.

Naar het oordeel van het Hof is met de duur van de behandeling van het beroep in cassatie de redelijke termijn van artikel 6, lid 1, van het EVRM overschreden nu deze een termijn van twee jaren na de indiening van het cassatieberoep met circa zes maanden heeft overtroffen. Gesteld noch gebleken is dat dit procesverloop in enige mate door belanghebbende is beïnvloed. Nu voorts sprake is van een eenvoudige zaak, acht het Hof geen termen aanwezig de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase te compenseren met de voortvarendheid van de behandeling van de zaak in de eerdere fase en/of in de fase na verwijzing.

5. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot het oordeel dat een matiging van de boete op zijn plaats is en wel tot f.2.000. Voor een verdere matiging van de boete heeft belanghebbende onvoldoende aangevoerd.

Proceskosten

Van op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, E.F. Faase en J.P.F.Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. B.A.E.G. Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op 13 juli 2005 ter openbare zitting uitgesproken door de voorzitter. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door de voorzitter ondertekend. De griffier is verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.